DOI: 10.5553/BenM/138900692021048001010

Beleid en MaatschappijAccess_open

Reflectie & debat

Emancipatiestrijd moet uit de hand lopen

Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Dr. Mark van Ostaijen. (2021). Emancipatiestrijd moet uit de hand lopen. Beleid en Maatschappij (48) 1, 110-115.

Dit artikel wordt geciteerd in

      Zoals Yvonne La Grouw terecht stelt is de coronacrisis een feministisch drama. Niet zozeer omdat Covid-19 nu vooral vrouwen treft, maar omdat deze pandemie bestaande ongelijkheden uitvergroot en daardoor masculiene waarden en patriarchale normen zal versterken.1xDaar waar ik in dit essay spreek over ‘mannen’ of ‘vrouwen’ doel ik niet zozeer op een biologische dualiteit van statische entiteiten, maar op een sociaal-constructivistisch onderscheid. Het is me primair te doen om masculiene en paternalistische waarden en normen, los of deze worden gepersonifieerd door mannen, vrouwen of wat dies meer zij. Het is mij niet te doen om hiermee enige vorm van heteroseksualiteit als norm te prevaleren (Butler, 1990). Zo toonde recent onderzoek aan dat tijdens de eerste lockdown 22 procent van de werkende mannen meer zorgtaken op zich had genomen, ook benoemd door Justine van de Beek. Deze bevinding werd met luid applaus onthaald (‘Vaders gaan vaker voor kinderen zorgen’), maar bij nadere beschouwing stemt het tot milde triestheid.2xwww.socialevraagstukken.nl/vaders-gingen-tijdens-lockdown-vaker-voor-hun-kinderen-zorgen/. Want zelfs wanneer kinderen volledig thuis en afhankelijk van vader en moeder zijn, en wanneer pappa en mamma voltijds aan huis gekluisterd zijn, presteert 78 procent van de Nederlandse vaders het om geen extra vinger uit te steken naar de kinderen. Dat lijkt me opmerkelijk. Er blijkt een soort granieten kern van onwrikbare voltijdmannen te bestaan die zelfs in een crisissituatie niet in staat zijn om zich uit de traditionele rolverhoudingen te worstelen. Het is deerniswekkend leed dat stemt tot deemoedigheid, en het verdient onze oprechte deelneming.
      Het mag een verbazingwekkende bevinding zijn, het mag nauwelijks een verrassing zijn. Want de emancipatie van de man is namelijk nooit serieus onderdeel geweest van Haags beleid of onze maatschappelijke verwachtingen. En daardoor blijft emancipatie in een oude groef hangen. Een herlezing van Simone de Beauvoirs De tweede sekse toont de pijnlijke actualiteit van dit ‘eersterangsboek’,3xOntleend aan Simon Vestdijk. omdat het boek uit 1949 (!) niets aan actualiteitswaarde heeft ingeboet. Daarbij is een focus op mannen nodig omdat ‘de hele geschiedenis van vrouwen is gemaakt door mannen. Zoals er in Amerika geen negerprobleem bestaat, maar een blankenprobleem, zoals ook het antisemitisme geen joods probleem is maar ons probleem, zo is het vrouwenvraagstuk ook altijd een probleem van de man geweest’ (De Beauvoir, 1949, 188).

    • Dispensatie van emancipatie

      Maar wat doet ‘emancipatie’ eigenlijk? Met andere woorden, er bestaat veel onderzoek naar emancipatie, maar weinigen onderzoeken hoe samenlevingen zich op hun emancipatie bevragen en laten onderzoeken. Dan zien we namelijk iets heel anders. De term emancipatie komt namelijk oorspronkelijk uit het Latijn en stamt uit het Romeins recht. Het komt van het woord mancipatio, een samentrekking van (manus) ‘in de hand’ (capere) ‘houden, nemen’, en verwees in het Romeins recht naar eigendomsverhoudingen. Mancipatio slaat namelijk op de juridische procedure waarbij kinderen door de vader van de hand (ex mancipatio) van de vader (pater familias) werden gedaan. Emancipatio heeft dus haar oorsprong in een geritualiseerde procedure, een rite de passage, waarbij het in de kern om de transformatie van machts- en eigendomsverhoudingen gaat.
      Deze te beknopte genealogisering toont ons ook waarom de huidige term emancipatie, laat staan emancipatiebeleid, ons niet veel verder gaat brengen. Het veronderstelt en kan louter bestaan bij de gratie van dominantie, onderschikking en bezit. Daarmee zijn mannen per definitie een emancipatoir neutrale categorie en fungeren daardoor a priori als de norm. Zodoende hoeven mannen dus ook nooit te emanciperen. Zij zijn de hand.
      Daarom schreef ik enige tijd geleden in een essay over die onvermurwbare positie van voltijdprinsjes.4xwww.volkskrant.nl/columns-opinie/voltijd-werkende-mannen-houden-de-ongelijke-positie-van-vrouwen-op-de-arbeidsmarkt-in-stand~b4e3e929/. En het is nogal evident, want mannen hebben dispensatie van emancipatie in Nederland.5xEen methodische frase die ik uiteraard ontleen aan het werk van Schinkel (2008). Dat valt op bij elk nieuw emancipatiebeleid of elke nieuwe emancipatiemonitor. Ook de meest recente monitor (SCP, 2020) geeft wederom blijkt van die blinde vlek. Mannen hebben geen lijdende rol in emanciperen. Mannen figureren hooguit als norm, als het gemiddelde (inkomen) of als ideale standaard, aangezien vrouwen een monopolie op De Emancipatie lijken te bezitten. En wie de norm bestendigt, hoeft zich niet te verantwoorden want ‘er is immers nu eenmaal stilzwijgend overeengekomen dat er niets bijzonders schuilt in het feit dat men man is; een man staat in zijn recht door man te zijn, het is de vrouw die ongelijk heeft’ (De Beauvoir, 1949, 12). Dat komt omdat ‘de voorstelling van de wereld is, net als de wereld zelf, het werk van mannen; zij bepalen die van hun eigen standpunt uit en verwarren dat standpunt met de absolute waarheid’ (1949, 201). In dergelijke emancipatiemonitors, maar ook in beleidsnota’s, is het zodoende vrij simpel: mannen hoeven niets, want het valt vooral vrouwen aan te rekenen dat ze te weinig doen, te weinig werken en minder verdienen. Ondanks dat de huidige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (waarom valt emancipatiezaken niet onder het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid?) de mond vol heeft met platitudes dat je ‘emancipatie samen moet doen’, is overheidsbeleid al decennia ingericht om vooral vrouwen op te jagen, een permanent schuldgevoel aan te praten en de mannelijke norm op te dringen. Werk je te weinig, dan ben je lui, verwend en weinig ambitieus of inmiddels zelfs ‘financieel kwetsbaar’ en ‘economisch niet zelfstandig’. Werk je te veel, dan ben je zakelijk, hard en een slechte moeder. Er is weinig zo cynisch en seksistisch als het Nederlandse emancipatiebeleid.

    • Vrije keuze

      De reacties op het essay waren zodoende ook vrij voorspelbaar. Het masculien-conservatieve smaldeel in Nederland vond dat ik het aandeel van de man overdreef, want het zijn juist de ‘vrouwtjes’ zonder partner die ‘zelf de keuze maken’ om parttime te werken. En die nadruk op vrije keuze vormt al sinds de jaren zeventig de kern in Haags emancipatiebeleid. Of zoals de toenmalige minister-president Den Uyl (1974) bij de installatie van de eerste politieke adviescommissie aangaf: ‘Het emancipatiestreven dat de regering voor ogen staat, moet leiden tot een grotere vrijheid van keuze voor vrouwen en mannen, zodat zij op eigen wijze hun leven vorm en inhoud kunnen geven,’
      Echter, zolang we structurele ongelijkheid blijven bezien als een individuele keuze, dan blijven observaties uit 1949 de aankomende honderd jaar nog wel even overeind. Want je kent ze wel, van die hoogopgeleide types die hun mond vol hebben over individuele keuze en dat ze echt op basis van gelijkwaardigheid hun relatie inrichten. Terwijl hij uiteraard kostwinner is en zij ervoor gekozen heeft om ‘een stapje terug te doen’. Wantrouw ze, want juist ‘tegenwoordig wekken jonge echtparen niet zelden de indruk van een volkomen gelijkwaardigheid. Maar zolang de man de economische verantwoordelijkheid voor het paar blijft dragen, is dat niet meer dan een illusie’ (De Beauvoir, 1949, 604). Meer dan de helft van de ouders wil de zorg voor hun kinderen het liefst eerlijk verdelen, maar dat lukt maar in ongeveer één op de tien gezinnen, volgens onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Sociaal en Cultureel Planbureau. Want mind you, mannen hebben in Nederland nog altijd het grootste aandeel in de achterstelling van vrouwen op de arbeidsmarkt. Zo heeft 73 procent van de werkende mannen een voltijdbaan. Niet toevallig heeft 74 procent van de werkende vrouwen een deeltijdbaan. Want op het moment dat er in een Nederlands gezin kinderen komen, blijkt uit onderzoek, blijven negen op de tien mannen hetzelfde aantal uren werken. Door dit soort verhoudingen heerst in Nederland het anderhalfverdienersmodel, terwijl nergens staat dat een vrouw die halve verdiener moet zijn.
      En o wee, probeer het geloof in de vrije keuze, zeker bij die wat meer hoogopgeleide types, maar eens aanvechtbaar te maken. Dan neemt het gesprek meestal een passief agressieve wending. Dat komt omdat we in Nederland een preoccupatie met vrije keuze, autonomie en individuele vrijheid hebben, zelfs wanneer er aantoonbaar sprake is van structurele en institutionele vormen van achterstelling, uitsluiting en discriminatie. Daarmee betreedt het idee van individuele keuzevrijheid het domein van een geloofsartikel, een mythe of een sprookje: het hoeft niet per se waar te zijn om moreel goed te voelen. Terwijl er voldoende wetenschappelijk bewijs is om aan te tonen dat individualiteit en subjectiviteit voortkomen uit relationele interactie, individuele autonomie gedisciplineerd wordt door instituties, en keuzevrijheid allesbehalve een rationeel, eenduidig of individueel proces is, zoals bijvoorbeeld bekend is uit de belangrijkste beslissingen in het leven (liefde, huis en kinderen). Sterker nog, de coronacrisis toont eens te meer dat basale kernwaarden het individu ontstijgen en we afhankelijk zijn van anderen in het realiseren daarvan, zoals gezondheid, veiligheid, welzijn en geluk. Het gaat dus niet zozeer om een geloof in independence maar in interdependence.

    • WIEG

      Nu belooft het huidige kabinet beterschap, heus, en hier begint de thematiek langzamerhand wat boekhoudkundig te worden. Maar niet onbelangrijk, zoals ook beschreven in het artikel van Van de Beek. Want met de WIEG, de Wet invoering extra geboorteverlof (ja, hier is een bijzonder taalgevoelige ambtenaar aan het werk geweest), is het ouderschapsverlof van mannen opgehoogd. Zo kunnen per 1 juli 2020 partners tot maximaal vijf weken aanvullend geboorteverlof opnemen. Echter wordt het salaris voor de eerste zes weken maar voor 70 procent van het inkomen doorbetaald, de daaropvolgende negen weken is dat maar 50 procent. Terwijl we weten uit onderzoek dat dit minstens 80 procent moet zijn om daadwerkelijk effect te verwachten. Daarnaast is het alleen gericht op mensen in loondienst, terwijl Nederland het grootste segment zzp’ers in Europa heeft. En saillant detail, het is niet zozeer een ‘progressieve’ Nederlandse beleidsambitie geweest, maar afgedwongen door een Europese richtlijn. ‘Het moest van Brussel.’ En zelfs dat wat moest, wordt met de ‘minst ingrijpende en goedkoopste optie’ uitgevoerd.6xwww.vn.nl/partnerverlof-ongelijkheid/.
      Van dergelijke goedkope beleidsmaatregelen valt dus weinig te verwachten als het te doen is om dominante patriarchale structuren te doorbreken. Nee, zorg er dan bijvoorbeeld voor dat kinderopvang een nutsvoorziening wordt, zo want – zien we in omringende landen – dat heeft wel effect. En het is pure ernst en noodzakelijk, want ‘het gebrek aan kindercrèches en behoorlijk functionerende kleuter- en kinderdagverblijven [is] er vaak de oorzaak van dat een kind de activiteit van de vrouw deels of volledig verlamt (…) een last die moeilijk te verenigen valt met het uitoefenen van een beroep of het maken van carrière’ (De Beauvoir, 1949, 845). Ook de huidige cijfers tonen dat een kind krijgen niet bepaald een carrièreboost is voor vrouwen. De child penalty (inkomensverlies) is gemiddeld 39 procent, zelfs tot acht jaar na de geboorte van het eerste kind. Ook het gemiddelde uurloon gaat omlaag als een Nederlandse vrouw moeder wordt. Mannen hebben hier uiteraard allemaal geen last van, bij hen gaat het uurloon zelfs iets omhoog als ze vader zijn geworden.
      Maar het is al jarenlang bewuste politieke wil om kinderopvang niet alleen tot frauduleuze aangelegenheid aan te merken, maar ook om vrouwen daarmee van de arbeidsmarkt te weren, aangezien het nu een extreem dure sluitpost is op de gezinsbegroting die altijd, echt altijd, negatief uitpakt voor vrouwelijke arbeidsparticipatie. Maar goed, de Nederlandse staat heeft er een handje van om via kinderopvang vormen van discriminatie, uitsluiting en achterstelling in de hand te werken, dus wat dat betreft is er gelukkig sprake van bureaucratische transparantie, voorspelbaarheid en een duidelijk aanwezige institutionele cultuur.

    • Tussen monotonie en tsunami

      Zodoende zal de structurele ongelijkheid van vrouwen door de coronamaatregelen alleen maar toenemen, juist omdat velen terugvallen op traditionele rolpatronen waardoor zorg, arbeid en gezinstaken in de oude masculiene en feminiene groef zullen vallen. En dat is eigenlijk de tendens bij iedere crisis, zoals Anholt en Hoijtink ook tonen in hun bijdrage. En aangezien we nu eigenlijk van crisis naar crisis hobbelen, valt er weinig te verwachten voorbij het pragmatisme van brandjes blussen.7xVan Ostaijen & Roselaers, 2020. www.nrc.nl/nieuws/2020/08/21/bestuurders-maken-alles-tot-crisis-a4009445. Als we emancipatie blijven zien als een vrouwenaangelegenheid, als we ouderschapsverlof en daarmee de babyboete niet evenredig gaan verdelen en als we kinderopvang niet aan de markt onttrekken, dan blijven we opgescheept met een nodeloos traditioneel perspectief op arbeid en zorgverhoudingen en kan de coronapandemie de patriarchale dominantie verder bestendigen. En dat is zonde, aangezien ‘de mogelijkheden van de vrouw tot nu toe werden onderdrukt en voor de mensheid verloren gingen, en dat het nu hoog tijd is om, in het belang van haar en van iedereen, de vrouw alle kansen te geven’ (De Beauvoir, 1949, 866)
      Het traditionele kostwinnersmodel (zelfs nu in het geval van een anderhalf- of tweeverdienersmodel) is zo ongeveer na Zwarte Piet een van de meest hardnekkige en discriminerende tradities in dit land. Want ‘het zijn onwrikbare vooroordelen, vaste overtuigingen, en rigide instellingen die monotonie teweegbrengen’ (De Beauvoir, 1949, 883). Laat de recente aanpassing op Zwarte Piet een lichtend voorbeeld zijn dat niet zozeer politieke wil, maar maatschappelijke onvrede en activisme de sleutel vormen tot een hervorming van denken en doen. Want we kunnen ‘nu niet menen dat het voldoende is haar economische situatie te wijzigen om de vrouw te veranderen. Weliswaar is en blijft die factor de voornaamste factor in haar evolutie, maar zolang een nieuwe economische situatie niet de morele, sociale en culturele consequenties die hij aankondigt en eist met zich meebrengt, kan de nieuwe vrouw nog niet verschijnen. En ook vandaag de dag is de nieuwe vrouw nog nergens ter wereld werkelijk gerealiseerd’ (De Beauvoir, 1949, 877). Het is, met de profetische woorden van Simone de Beauvoir, hoog tijd voor een nieuwe emancipatiestrijd. Mijn bescheiden suggestie is om het dit keer dan wel volledig uit de mannelijke hand te laten lopen.

    • Literatuur
    • Beauvoir, S. de (1949/2020). De tweede sekse. Feiten, mythen en geleefde werkelijkheid. Bijleveld: Utrecht.

    • Ostaijen, M. van (2020). Voltijd werkende mannen houden de ongelijke positie van vrouwen op de arbeidsmarkt in stand. De Volkskrant.

    • Ostaijen M. van, & Roselaers, J. (2020, 21 augustus). Bestuurders maken alles tot crisis. NRC Handelsblad.

    • Schinkel, W. (2008). Denken in een tijd van sociale hypochondrie. Klement: Kampen.

    • SCP (2020). Emancipatiemonitor 2020. Den Haag.

    Noten


Print dit artikel