DOI: 10.5553/Bw/016571942022076001005

Bestuurs­wetenschappenAccess_open

Essay

Een nieuwe weg naar Rome?

Alternatieve vorm van burgerparticipatie bij stadsverbetering

Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Nico Nelissen en Wouter Jan Verheul, 'Een nieuwe weg naar Rome?', BW 2022-1, p. 79-96

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Gemeenten bevinden zich in een nieuwe fase van ontwikkeling. Dat vraagt om het opnieuw overdenken van hoe burgers bij deze ontwikkelingen betrokken kunnen worden. Een van de (nieuwe) manieren is om, in plaats van burgers te vragen om te reageren op projectinitiatieven van de gemeente, burgers zelf hun zegje te laten doen over waar, wat en hoe er zoal aan stadsverbetering gedaan kan worden. In dit essay gaan we in op wat we onder ‘verbeterplekken’ kunnen verstaan en behandelen we twee experimenten van burgerparticipatie die bedoeld zijn om zulke plekken aan te pakken. Naar onze mening ontstaat er op deze manier – wat betreft burgerparticipatie – ‘een nieuwe, uiteraard niet enige, weg naar Rome’.

    • 1 Stadsverbetering en burgerparticipatie

      Steden zijn nooit af, zelfs na uitvoering van de beste plannen niet. De afgelopen periode zijn we ons daar misschien wel meer dan ooit bewust van geworden. De coronacrisis, met de daaraan verbonden lockdowns en reisbeperkingen, heeft de waarde en noodzaak van aantrekkelijke publieke plekken in de stad nog eens extra onderstreept (Van Melik e.a., 2021). We hebben (opnieuw) ontdekt hoe afhankelijk we zijn van goed ontworpen en beheerde stedelijke plekken. Plekken voor wonen, werken, winkelen, ontspanning, ontmoeting, verplaatsing en verblijf.

      Verborgen lokale kennis

      In het alledaagse leven ervaren we voortdurend welke plekken aantrekkelijk zijn en welke niet. We weten welke plekken we mijden, welke plekken ergernis oproepen en welke plekken vragen, dan wel schreeuwen om verbetering. De stad herbergt een schat aan lokale gebruikerskennis die soms, maar vaak ook niet, publiekelijk tot uiting komt (Urhahn, 2011). Verborgen lokale kennis die niet of nauwelijks een weg vindt naar degenen die erover gaan, zoals bestuurders, eigenaren, investeerders of beheerders. Daarom is de vraag aan de orde hoe we deze lokale kennis van mensen die iets met hun stad hebben, kunnen benutten ter verbetering van die stad. Of anders geformuleerd: is er een nieuwe weg naar Rome? Een andere manier van burgerparticipatie voor stadsverbetering dan de gangbare reactieve vorm die we kennen als gemeentelijke plannen ter inspraak worden voorgelegd?

      Werken aan een ‘betere’ stad: terug van (nooit) weggeweest?

      Het is een bekend verschijnsel: er worden altijd weer nieuwe problemen, met daarbij behorende oplossingssuggesties, aan de stadsagenda toegevoegd. Er is permanent sprake van nieuwe generaties opvattingen over wat er met de stad moet gebeuren (Nelissen & Verheul, 2020). Na de Tweede Wereldoorlog moesten de steden opnieuw worden opgebouwd. Wederopbouw van verwoeste gebouwen en stadsdelen stond centraal, alsook de nieuwbouw aan de rand van de stad, gericht op bestrijding van wat wel werd genoemd ‘Volksvijand nummer 1’: de woningnood. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werd gewerkt aan de krotopruiming en aan het aantrekkelijk maken van de binnenstad door middel van cityvorming. Onbewoonbaar verklaarde woningen moesten worden afgebroken, verkeersdoorbraken moesten plaatsvinden, er werden parkeergarages in het centrum gebouwd, alsook grote warenhuizen voor het winkelend publiek. De jaren tachtig stonden in het teken van de stadsvernieuwing, waarbij de nadruk werd gelegd op bouwen voor de buurt. De zorg voor het cultureel erfgoed kreeg een impuls door de decentralisatie van de monumentenzorg naar gemeenten. In de jaren negentig was stedelijke vernieuwing, onder andere door de bouw van Vinex-wijken populair, terwijl vanaf de millenniumwisseling de belangstelling voor milieu, energie, klimaat, kortom voor duurzaamheid, toenam. Tegelijkertijd nam in diezelfde tijd de belangstelling toe voor extravagante, iconische architectuur, ontworpen door sterarchitecten (Sklair, 2006). De recessie van 2008 vroeg om een nieuwe probleemformulering en om nieuwe oplossingssuggesties (Urhahn, 2011). Grootse projecten verdwenen tijdelijk (of voorgoed?) in de la. Ook de recente coronacrisis leidde en leidt tot een herbezinning op de impact van de pandemie op de stedelijke ruimte.

      Links: verbeterplek Romeins Castellum; rechts: graffiti op blinde muur van monument
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/Bw/Bw_2022_1

      Stadsverbetering op de agenda

      Het heeft er alle schijn van dat zich een nieuwe opgave voor de komende jaren aandient, iets wat we stadsverbetering noemen. Het gaat om de nieuwe en hernieuwde aandacht voor plekken in de stad die braak liggen, die er verwaarloosd bij liggen of die hun beoogde functie niet waarmaken. Het zijn plekken die in de ogen van bewoners, bezoekers en andere gebruikers verbetering behoeven en die soms met geringe inspanning, – zowel van de zijde van de burger, als de lokale overheid, woningcorporaties en marktpartijen – kunnen worden aangepakt. Dit keer dus geen ‘glossy’-plannen, geen hemelbestormende retoriek, geen verleiding door ontwerpers met artist impressions waarin het altijd mooi weer is, maar veelal eenvoudige voorstellen uit de kokers van bewoners die in alledaagse leefsituaties ongemak en irritatie ervaren. Plekken in de stad die thans niet aantrekkelijk, niet veilig, niet duurzaam, maar verwaarloosd zijn of geen ontmoeting en verblijf stimuleren, terwijl ze in beginsel volop kansen bieden, mits er maar aandacht en zorg voor is. Burgers signaleren zulke verbeterplekken en hebben ideeën over hoe deze aan te pakken. Bieden dergelijke ‘ongevraagde’ stadsverbeteringsvoorstellen een nieuwe kans voor ‘echte’ burgerparticipatie?

    • 2 Verbeterplekken: differentiële denkbeelden

      Na de periode van de ambitieuze en prestigieuze vernieuwingsplannen wordt de stadsagenda tegenwoordig meer bepaald door een geheel van kleine (ruimtelijke) interventies binnen de bestaande stadsstructuur. Al die relatief bescheiden interventies kunnen worden gezien als pogingen om de stad te verbeteren; reden waarom we spreken van een stadsverbeteringsgolf. Die nieuwe golf bestaat uit het signaleren, inventariseren, beschrijven en analyseren van verbeterplekken, alsook het zoeken naar manieren om deze plekken aan te pakken. Dit staat los van het feit dat zich gigantische opgaven voor steden aandienen die verband houden met de klimaatverandering, de stikstofproblematiek, de gezondheid en de woningbehoefte. Dergelijke majeure opgaven kunnen echter niet zonder intense aandacht voor de menselijke schaal en de kleine stedelijke plek die zo’n belangrijke functie heeft in onze dagelijkse leefomgeving.

      Aantrekkelijke versus verwaarloosde plekken

      Wie kent ze niet: de plekken die je in een stad tegenkomt en waarvan je denkt: waarom ligt dit alles er zo verlaten of verwaarloosd bij? Wandel door het mooie Maastricht, neem in de binnenstad een zijstraat en verbaas je bijvoorbeeld over het feit dat op de plek waar vroeger een Romeins castellum lag, zich nu een onooglijke parkeerplaats bevindt met parkeergarages die met graffiti zijn besmeurd. Stap in Nijmegen uit bij het voorstation De Goffert en kijk uit op een onooglijke vlakte die al decennialang oningevuld is en lijkt op een maanlandschap. Loop in Rotterdam over het Schouwburgplein en ervaar hoe met tijdelijk meubilair wordt geprobeerd om een mislukt stadsplein toch nog enige verblijfskwaliteit te bieden. Het zijn slechts enkele voorbeelden uit een baaierd van dit soort plekken die je eigenlijk in alle steden vindt.

      Wat zijn verbeterplekken?

      Maar wat verstaan we precies onder ‘verbeterplekken’? Het gaat niet om wat wel genoemd wordt black spots, maar om plekken die in de ogen van stadsbewoners en -bezoekers ergernis oproepen en die vragen, of soms zelfs schreeuwen, om verbetering. Het zijn plekken die een positieve bijdrage aan het stadsbeeld zouden kunnen leveren, maar waarbij die kansen (nog) niet zijn benut. Daarbij gaat het overigens niet alleen om een puur esthetische kwestie, maar om een ruimere opgave, namelijk om plekken aangenamer, prettiger, veiliger, gerieflijker, vitaler en duurzamer te maken. Dat lijken op zich heldere waarden, maar ze geven in de praktijk aanleiding tot fundamentele vragen. Wat maakt een stad tot een mooie, een prettige, een duurzame en een vitale stad? Kan een stad nog aangenamer en veiliger worden gemaakt? Moet een stad wel mooier, levendiger of gerieflijker worden? Wat wordt precies onder mooi en lelijk, aangenaam en onaangenaam verstaan? Wie zijn de mensen die een pleidooi houden voor het verbeteren van de stad? Wat zijn hun motieven? Welke opvattingen en idealen hebben ze? Hoe willen ze hun doelen bereiken? Welke middelen gebruiken ze daarvoor? Allemaal vragen die te maken hebben met opvattingen over wat een stad in de ogen van burgers eigenlijk moet zijn (Nelissen, 2013).

      Links: braakliggend terrein; rechts: verwaarloosd industrieel erfgoed
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/Bw/Bw_2022_1

      De ‘goede stad’ en ‘aantrekkelijke plek’ als inspiratiebron

      Wat is de inspiratiebron voor burgers wanneer zij zich uitlaten over verbeterplekken in de stad en hoe deze plekken aan te pakken? De inspiratie komt voort uit wat zij zien als een ‘goede stad’. Definities daarvan zijn al snel subjectief of erg algemeen. In een pilot-onderzoek konden we vaststellen dat respondenten een stad als een goede stad zien wanneer deze (onder meer): een echte ziel heeft, een mooi uiterlijk heeft, ruime voorzieningen kent, leefbaar en levendig is, een fraaie ligging en omgeving heeft en een lokaal bestuur met aandacht voor de burger (Nelissen, 2021).

      Stedenbouwers

      Als vertrekpunt of referentiekader kunnen we ook enkele principes uit de stedenbouw en omgevingspsychologie nemen die beschrijven wat een aantrekkelijke plek is, variërend van abstract naar concreet. Diverse auteurs uit de sociale en ontwerpdisciplines spreken zich uit over wat een plek aantrekkelijk maakt. Van oudsher kennen we het werk van Vitruvius (circa 25 voor Christus) en zijn drie principes die bepalend zijn voor goede architectuur en stedenbouw: stevigheid (duurzaamheid), functionaliteit (gebruikswaarde) en schoonheid (belevingswaarde). Het zijn fundamentele principes waaraan zowel gebouwen als winkelcentra, bedrijfsterreinen, pleinen, straten en parken moeten voldoen. Op stadsniveau hebben veel auteurs variaties bedacht op het werk van Vitruvius of zijn er criteria toegevoegd. Zo kunnen we, mede gebaseerd op Adams en Tiesdell (2013), theoretisch een aantal criteria voor geslaagde plekken definiëren:

      1. Plekken waar mensen prettig kunnen wonen en elkaar kunnen ontmoeten en die in hun ontwerp uitgaan van de menselijke schaal en die tevens veiligheid en comfort bieden.

      2. Geen getto’s voor de armen of enclaves voor de happy few, maar plekken waar iedereen met verschillende verkeersmodaliteiten gemakkelijk kan komen en zich gemakkelijk doorheen kan bewegen.

      3. In plaats van al het wonen, werken en recreëren uit elkaar te halen zijn plekken met een zekere functiemenging aantrekkelijker, liefst in afwisselende dicht­heden, zodat drukte wordt afgewisseld met rust en ruimte.

      4. In plaats van overal een internationale vormentaal toe te passen waardoor elke plek op de andere lijkt, dienen plekken voldoende kenmerkende, unieke kwaliteiten te bezitten die iets vertellen over de genius loci (lokale eigenheid) van de stad of buurt.

      5. Steden dienen vanuit goed rentmeesterschap te zorgen voor plekken (gebouwen en openbare gebieden) die langer meekunnen, energiezuinig zijn en tegen externe schokken kunnen, zoals overstromingen, aardbevingen, hittegolven en andere fysieke en sociale bedreigingen.

      Andere, en nog concretere principes voor aantrekkelijke plekken vinden we bijvoorbeeld in het werk van William Whyte (1980) en Jan Gehl (1971; 2010). William Whyte deed onderzoek naar publieke plekken door als een van de eersten de plekken langdurig te filmen en te onderzoeken hoe mensen zich er gedragen. Verblijven ze er lang of lopen ze snel door? Op welke punten staan ze stil of gaan ze zitten? Waar maken ze foto’s van? Al snel bleek dat plekken met groen en water mensen stimuleren tot verblijf, evenals prettig straatmeubilair. Ook Jan Gehl deed veel onderzoek naar de architectuur van de aantrekkelijke plek. Zo wees hij op het belang van open plinten, gevarieerde gevels en voordeuren, voldoende beschutting in de straat tegen regen en zon, voldoende zitgelegenheden, gevarieerd materiaalgebruik, enzovoort. Vooral de menselijke schaal vormt een rode draad door zijn werk. Gebouwen die alleen maar zijn gemaakt om vanuit de lucht te bewonderen, werken niet, aldus Gehl. De stad op ooghoogte en beleefd met een loopsnelheid van vijf kilometer per uur is volgens hem de beste manier om de aantrekkelijkheid te beoordelen.

      Omgevingspsychologen

      Ook omgevingspsychologen hebben onderzoek gedaan naar hoe we ons mentaal tot de fysieke omgeving verhouden. Zij bevestigen bijvoorbeeld dat we graag naar groen kijken en naar water, dus naar de natuurlijke elementen. We zien en horen graag een kabbelende fontein, of de wind door de bomen ruisen. Qua gevels blijkt dat er een voorkeur is voor variatie. Bij een stadssilhouet met alleen maar glazen gebouwen richten mensen hun blik eerder naar de lucht, zo blijkt uit onderzoek (Sussman, 2014). Blinde muren geven mensen een unheimisch gevoel. Uniforme, anonieme gevels en portieken stimuleren crimineel gedrag vanuit de gedachte ‘het is toch van niemand’, terwijl gepersonaliseerde plekken crimineel gedrag reduceren (Klinenberg, 2018). Ook trekken mensen andere mensen aan in de straat of in een andere publieke ruimte (Mehta, 2013). We kiezen doorgaans liever een straat waar andere mensen lopen of zitten, dan een geheel lege straat.

      Variatie in ruimtelijke voorkeuren

      Zijn de criteria die bepalen of we een plek aantrekkelijk vinden, universeel? Voor een deel kunnen we bovenstaande principes ter harte nemen bij het beoordelen van plekken. Basiscriteria als ‘schoon, heel en veilig’ zullen tot weinig discussie leiden. Maar toch moeten we ook erkennen dat onze ruimtelijke voorkeuren variëren. Ze verschillen per persoon, maar ook per levensfase en zelfs per dag of per moment, en daarom wordt onder geografen ook wel gewaarschuwd voor universele lijsten van criteria voor goede plekken (Hospers, 2013).

      Fundamenteel principe

      De psychologie van geluk leert ons een fundamenteel principe dat we ook op onze omgeving kunnen toepassen. Namelijk de regel dat als er naast alle subjectieve interpretaties van geluk één universele regel voor geluk bestaat, dan is het dat mensen het gelukkigst zijn als ze de keuzevrijheid hebben hun leven in te richten zoals ze dat zelf willen, zoals ook blijkt uit het World Happiness Report van de Verenigde Naties. Dit principe kunnen we ook hanteren voor onze leefomgeving: een aantrekkelijke plek biedt ruimte aan je eigen voorkeuren van dat moment. Naast mogelijkheden voor ontmoeting dient er ook ruimte te zijn om directe interactie te vermijden. Soenen (2006) spreekt in dat verband over ambivalentie: de ideale stedelijke plek biedt ruimte aan alle verschillende stedelingen om op eigen wijze invulling te geven aan gedrag in de ruimte. Zo kan bijvoorbeeld een drukke omgeving aantrekkelijk zijn als we reuring zoeken, maar onaantrekkelijk als we gestrest raken door de massa en het verkeer. Daarom wordt ook wel gezegd dat de beste stedelijke plekken, stadscentra, wijken, pleinen en parken steeds meerdere gebruiksopties moeten bieden. Denk aan: druk en stil, leeg en vol, versnelling en vertraging. Of denk aan ruimte voor gezamenlijke ontmoeting versus individuele contemplatie, ruimte voor sport en spel versus eten en drinken. Een omgeving met oude versus nieuwe architectuur, groen versus water, enzovoort.

      Esthetisering, controlezucht en conformisme?

      De vraag dringt zich op of in een stad alles wel (heel) mooi, prettig, aangenaam, veilig, levendig en duurzaam moet zijn. Is het zoeken naar verbeterplekken een vorm van doorgeschoten esthetisering, controlezucht en/of conformisme? Moeten alle gebieden in de stad wel verbeterd worden? Hebben verwaarloosde gebieden niet ook hun charme? Behoren zulke plekken niet gewoon bij de stad? Mag er dan geen ruimte zijn voor wat minder fraaie plekken? Neem een stad als Berlijn, waar overal graffiti op gebouwen gespoten is en waar kunstenaars en creatieve ondernemers in leegstaande panden en braakliggende terreinen nieuwe dingen maken. Het zijn plekken waar men zich soms afzet tegen de gevestigde burgerlijke orde, maar ook gewoon terechtkomt vanwege de lage huren. Ook in Nederland kennen we voorbeelden van plekken die op het eerste gezicht verwaarloosd zijn of lijken, maar toch van waarde blijken voor stedelijke creativiteit en voor de aanblik. Zijn dit niet juist de plekken waar boeiende innovaties letterlijk en figuurlijk van de grond komen? Maakt een te sjiek ontwerp een plek niet ontoegankelijk voor bepaalde groepen? Heeft een stad niet juist behoefte aan minder aangeharkte plekken, die als broedplaats fungeren? Deze laatste vragen wijzen ons op een intra-urbane strijd: zij die zoeken naar rafelranden en ruwe vormen van stedelijkheid, versus burgers die vooral hinder ondervinden van de verwaarloosde plekken.

      Links: desolaat parkeerdek op winkelpassage; rechts: verloederde voortuin in stadsuitleg
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/Bw/Bw_2022_1

      Verbeterplekken als bron van ergernis en inspiratie

      Trouwens, wat voor de ene persoon een verbeterplek is, is voor de andere juist een plek waar je vanaf moet blijven. De reden om verbeterplekken aan te pakken wordt gevoed door de gedachte dat zulke plekken vaak een bron van irritatie voor de omwonenden en bezoekers zijn. Ze zorgen niet alleen voor een gevoel van verwaarlozing van die plekken, maar geven vaak ook aanleiding om te twijfelen aan de kracht van het stadsbestuur om iets aan die plekken te doen. Ze zorgen er soms zelfs voor dat mensen zich voor hun eigen buurt en stad schamen. Ze hebben een negatieve invloed op het imago van hun woon- en leefomgeving. Lelijkheid zorgt voor nieuwe lelijkheid; onveiligheid leidt tot nieuwe onveiligheid; verwaarlozing tot nieuwe verwaarlozing. Het is een bekend fenomeen uit de stadssociologie en criminologie: the broken window theory (Wilson & Kelling, 1982). Als ergens een spoor van vernieling zichtbaar is, zoals een kapotte ruit, dan lokt dat meer vernieling uit. De verwaarloosde plekken vormen vaak een gunstige voedingsbodem voor vandalisme, criminaliteit, afval, illegale stort en ongedierte. Kortom, ze zijn voor een buurt en stad in het algemeen onaangenaam en onwenselijk, alhoewel ze tevens (paradoxaal genoeg) voor de stad onmisbaar en soms zelfs wenselijk zijn.

      Hardware én software

      Bij het verbeteren van plekken is de traditionele neiging om vooral, of uitsluitend, te kijken naar de fysieke tekortkomingen en de verbeteringen die nodig zijn in de sfeer van de hardware. Tegelijkertijd vragen verbeterplekken vaak om verbeteringen wat betreft de software, dat wil zeggen de kleine, lichte, soms tijdelijke interventies die vaak te maken hebben met de sociale programmering van een plek. Zo kunnen ruimten mooi zijn ontworpen, maar niet tot leven komen, omdat mensen er niet willen verblijven. Daarentegen kan bijvoorbeeld licht en verplaatsbaar straatmeubilair, denk aan de stoelen in de Jardin du Luxembourg in Parijs, Times Square in New York of Harvard Square in Cambridge, een plek tot leven brengen en aantrekkelijk maken. Ook tijdelijke food courts of kleinschalige evenementen hebben onaantrekkelijke plekken weten om te buigen. Zo worden na jaren van verwaarlozing nu yogalessen gegeven op het Schouwburgplein in Rotterdam en zijn in New York pingpong- en schaaktafels neergezet in Bryant Park. De New Yorkse non-profit-initiatiefnemer Project for Public Spaces spreekt over de quicker, lighter, cheaper-benadering: niet iedere verbeterplek vraagt om een grootschalige, langdurige en kostbare fysieke ingreep. Soms zijn met kleine, snelle en betaalbare interventies al veel verbeteringen mogelijk. In dit verband wordt ook vaak gesproken over placemaking, te definiëren als alle fysieke, sociale en mentale interventies ter versterking van de (semi)publieke plek (Verheul, 2017).

      Té mooie plekken zijn riskant

      Een ander potentieel gevaar van aankaarten van of zoeken naar verbeterplekken is dat we gevangen raken in het esthetisch discours van de stad. De keerzijde van lelijke plekken wordt weleens over het hoofd gezien, namelijk dat mooie plekken, of meer in het algemeen (te) mooie steden, ook hun negatieve kanten hebben. Toeristen komen in groten getale naar mooie plekken en dito steden. Het gevolg is dat bepaalde delen van de stad overvol raken, dat er sprake is van saturatie, dat de betreffende gebieden vol staan met terrassen, dat souvenirwinkels er oververtegenwoordigd zijn, dat feestende bezoekers voor veel lawaai en overlast zorgen en dat de stad kan uitgroeien tot een openluchtmuseum waaruit het gewone leven verdreven is (Milikowski, 2018). Om nog maar niet te spreken van de vervoersmiddelen waarmee toeristen zich door de stad laten vervoeren of zichzelf vervoeren: toeristentreintje, paardentram, paard en wagen, fietstaxi, oldtimer, funbike, segway, bierkar, step, enzovoort. Bewoners betreuren de annexatie van de stad door toeristen als dat leidt tot overlast, maar ook als het thuisgevoel verdwijnt, bijvoorbeeld doordat het voorzieningenniveau, het winkel- en horeca-aanbod, vrijwel uitsluitend op de toerist is gericht (Van Zoest & Verheul, 2020). Zo klagen bewoners van de Amsterdamse binnenstad, die is beschermd als Unesco-werelderfgoed, dat er alleen nog maar Nutellashops, wafel- en ijswinkels en andere horecaketens bij zijn gekomen, gericht op snelle voedselconsumptie. Als plekken zo mooi zijn dat ze massaal door de toerist worden omarmd, dreigen ze aan hun eigen succes ten onder te gaan. Of, zoals de initiatiefnemers uit de buurt van de immens populaire herontwikkelde Highline in New York het zeggen: ‘It’s loved to death.’

    • 3 De burger aan het woord

      Hoe voorkomen we dat de lokale gebruikerskennis genegeerd wordt of ondergesneeuwd raakt door de groeiende invloed van de toeristenindustrie (Bock, 2015), de macht van de (internationale) vastgoedbezitters zonder binding met de plek (Sklair, 2006) of de achteloosheid van een stadsbestuur dat de kleine stedelijke plek als irrelevant of niet voldoende prestigieus beschouwt om zich ermee te bezig te houden (Verheul & Bokhorst, 2021)? Burgers hebben het gevoel dat de lokale overheid niet altijd luistert naar geluiden die in de stad te horen zijn. Bewoners die dagelijks in hun directe woonomgeving zien dat er dingen niet kloppen, dat plekken niet goed functioneren of er allesbehalve fraai en verzorgd uitzien en die dat ook kenbaar willen maken, lopen geregeld tegen een muur van (on)begrip of onverschilligheid aan en voelen zich miskend in het feit dat ze niet of onvoldoende worden gehoord.

      Presenter-effect

      Is het stadsbestuur doof voor verbetersuggesties van burgers? Er worden toch geregeld participatiebijeenkomsten georganiseerd? Onder meer bij grote transformatieplannen, waarvoor bestemmingsplannen moeten worden gewijzigd en participatie een verplicht onderdeel is van de wettelijke procedure? Met de opkomst van de participatiesamenleving wordt – althans in theorie – juist nadrukkelijker naar de burger gekeken en initiatief verlangd. We zien tegenwoordig dat juist de (lokale) overheid in veel gevallen zelf op zoek is naar de burger. Toch heeft de burger het gevoel dat lang niet altijd naar hem wordt geluisterd en dat er sprake is van ‘schijnparticipatie’ (Verheul e.a., 2021). Soms heerst zelfs het gevoel dat men door de lokale overheid wordt tegengewerkt. De lokale overheid, maar wellicht geldt dat voor alle overheden en instituties, heeft de neiging om opmerkingen en suggesties van haar ‘klanten’ te ervaren en te behandelen als ongewenste, slecht uitkomende denkbeelden, veelal afkomstig van wat zij ervaart als usual suspects. Het zogenaamde presenter-effect gaat dan optreden. Niet wat gezegd wordt, maar wie het zegt, is bepalend. Vanuit een misplaatste verdedigingshouding wordt ambtelijk-formeel gereageerd op de voorstellen vanuit de burgerij, waarmee de zaak afgedaan wordt. Zich niet realiserend welke fnuikende werking dit heeft op de animo van betrokken burger om zich in te zetten voor de publieke zaak.

      Een nieuwe urbane beweging?

      Dit alles doet ons denken aan een bredere urbane beweging die de laatste jaren aan populariteit wint. Deze beweging is feitelijk al terug te voeren tot de vermaarde Jane Jacobs, die in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw in haar boek The death and life of great American cities (Jacobs, 1961) een pleidooi hield om stedelingen meer te betrekken bij het wel en wee van hun eigen woon- en leefomgeving. In haar legendarische strijd tegen het omineuze plan van de toenmalige stadsplanner van New York, Robert Moses, om midden door Manhattan een grote autoweg aan te leggen, wist zij de plaatselijke bevolking te mobiliseren om zich tegen dit megalomane plan te verzetten. En met succes! Sinds die tijd zijn op allerlei manieren, denk aan inspraak, bewonersparticipatie, bewonersplatforms, buurtcomités, co-creatiesessies en op basis van talrijke burgerinitiatieven, plannen van de grond gekomen die meer recht doen aan wat de stedeling wil. De bekende socioloog ­Richard Sennett heeft in zijn boek Stadsleven: een visie op de metropool van de toekomst (Sennett, 2018) een warm pleidooi gehouden voor wat hij noemt de open stad, een stad waar niet alles van tevoren nauwkeurig (ruimtelijk) gepland is, maar waar juist plaats is voor onvoorspelbaarheden en toevalligheden. Iedereen mag in de open stad meedenken en een bijdrage leveren aan de toekomst van de stad! Mariska van den Berg heeft een inventarisatie gemaakt van dit soort initiatieven onder de titel Stedelingen veranderen de stad (Van den Berg, 2013). Zij – en met haar vele anderen – wijst op kleinschalige initiatieven waarmee bewoners, activisten, kunstenaars, architecten en andere burgers, naar eigen inzicht ingrijpen in de publieke ruimte. Een bonte verzameling van kleine initiatieven leidt tot een nieuwe kijk op de ontwikkeling van de stad. Ook het netwerk The City at Eyelevel toont een verzameling aan inspirerende voorbeelden van burgers en lokale ondernemers die zich bezighouden met placemaking (Laven e.a., 2017). Je hoeft trouwens niet per se bij boekenwijsheid te rade te gaan. Kijk bijvoorbeeld eens op de stadspagina van een regionale krant of sla er eens een weekkrant op na en verbaas je over de grote hoeveelheid burgerinitiatieven waarvan melding wordt gemaakt. Het gaat om talrijke (kleine) vormen van zelforganisatie, van co-creatie, van nieuwe coalities, van betrokken burgers die vorm en inhoud geven aan wat wel de doe-democratie wordt genoemd (Van de Wijdeven e.a., 2010). Vele kleintjes maken ook hier één groot geheel. Het initiatief om verbeterplekken door burgers te laten aandragen – waarover zo meteen meer – is illustratief voor deze bredere urbane beweging, voor de doe-democratie en voor de gedachte dat alle kleine beetjes helpen. Een en ander impliceert dat er kennelijk behoefte is aan een ander soort burgerparticipatie dan in het verleden. Er is sprake van een trend van abstract naar concreet, van rationeel naar emotioneel, van formeel naar menselijk, van grootschalig naar kleinschalig en van lange naar korte termijn. De veel door gemeenten gehanteerde participatie­methoden zijn (nog) niet (voldoende) op deze trends afgestemd.

      (On)gevraagde burgerparticipatie

      Bij burgerparticipatie zijn we gewend te denken aan een overheid die – al dan niet in samenwerking met een projectontwikkelaar – de burger vraagt mee te luisteren, mee te denken, en soms mee te helpen met overheidsplannen. Al sinds de beroemde participatieladder van Arnstein (1969) weten we dat op de onderste treden van de ladder burgers niet echt participeren, maar slechts worden geïnformeerd of zelfs worden gemanipuleerd. De participatie-activiteiten dienen vooral als een therapie voor de burger om zich te vereenzelvigen met de door de overheid bedachte plannen. In andere gevallen is er wel degelijk serieuze inspraak mogelijk, maar is de agenda vooral of uitsluitend bepaald door de overheid, evenals de reikwijdte van de inspraak (Huurenkamp & Tonkens, 2020). Burgers klagen dat ze niet op de hoogte waren van bepaalde participatie-activiteiten, dat de inspraakvormen hun niet de ruimte gaven om goed te participeren en dat maar over één specifiek planonderdeel mag worden gesproken. ‘Ik mag alleen maar meepraten over een wipkip, de rest van het plan staat toch al vast’, is een veelgehoorde frustratie, zo blijkt uit onderzoek naar ervaringen met participatietrajecten (Verheul e.a., 2021). Andere frustraties met participatie zijn dat wel mag worden meegepraat over van alles, maar dat er vervolgens niets mee gebeurt, er geen terugkoppeling plaatsvindt en dat mede daardoor bij sommige burgers participatiemoeheid optreedt. Ook zijn er burgers die te vaak meemaakten dat participeren in overheidsplannen werd opgevat als impliciete goedkeuring. Het gevolg daarvan is dat er soms zelfs participatie­weigering optreedt.

      The community is the expert!

      In weerwil van deze teleurstellende ervaringen met burgerparticipatie zien we nieuwe initiatieven en experimenten ontstaan, die beginnen bij de burger zelf. Het Europese netwerk voor het verbeteren van plekken Placemaking Europe hekelt de dominantie van plekken die slechts vanaf de tekentafel of vanuit de bestuurskamer worden ontworpen en stellen: the community is the expert! Burgers kennen hun omgeving veel beter en hebben daarvoor vaak hun verbetersuggesties paraat als hiernaar wordt gevraagd. Soms nemen zij het heft in eigen handen en zetten ze een burgerinitiatief op om de buurt schoon te maken of de parken te onderhouden; ze doen dat omdat ze het bestaande aanbod ontoereikend vinden (Könst e.a., 2018). Lang niet altijd hebben ze daarvoor de tijd en de middelen, maar wel bruikbare lokale kennis en suggesties. Als hen wordt gevraagd, bijvoorbeeld door een lokaal architectuurcentrum, om verbeterplekken aan te wijzen, te analyseren en verbetersuggesties te doen, dan zijn de opbrengsten groot. Een cruciaal verschil is dat niet de overheid de burger in een reactieve positie brengt om van een specifiek plan­onderdeel iets te vinden, maar dat de burger vanuit de civil society de overheid pro­actief ongevraagde verbetersuggesties levert. Op deze manier ontstaat er ruimte om de burger te activeren de meest relevante ergernissen en verbetersuggesties te uiten. De klacht dat de door de overheid georganiseerde participatie voorbijgaat aan zaken die werkelijk spelen, wordt op die manier vermeden.

    • 4 Experimenteren met burgerparticipatie

      Hoe ziet het experimenteren met (on)gevraagde burgerparticipatie eruit? Cruciaal is dat een maatschappelijke intermediair, zoals een lokaal architectuurcentrum, vanuit een onafhankelijke positie, een appellerende en verbindende rol vervult in het verzamelen van verbeterplekken en verbetersuggesties. Lokale intermediairs kunnen de wereld van burgers en professionals verbinden, en het benodigde zetje geven om burgers niet slechts te laten klagen over hun stad in het café, tijdens de wandeling, of binnenshuis, maar om ook daadwerkelijk hun bevindingen en ideeën onder woorden te brengen. In een tweetal middelgrote steden is geëxperimenteerd met deze vorm van burgerparticipatie. Via e-mailing en berichtgeving in de plaatselijke dag- en weekbladen werden burgers opgeroepen om op basis van een aangereikt format hun verbeterplek te benoemen, met foto’s te illustreren en om suggesties voor verbetering aan te dragen. Bovendien werd een speciale blogspot in het leven geroepen om de inzendingen te kunnen volgen. Het aantal ingezonden verbeterplekken was opvallend. In korte tijd werden in de ene stad 82 verbeterplekken benoemd en in de andere 124. Hoewel er geen standaarden zijn om dit als veel of weinig te typeren, zal het duidelijk zijn dat de burgers zich in ieder geval niet onbetuigd hebben gelaten (Nelissen e.a., 2021a en 2021b).

      Er wordt eindelijk geluisterd

      Het gevoel bij alle inzenders is (vaak ook vermeld bij de inzending) dat ze eindelijk hun zegje hebben kunnen doen. Zij mogen hun gedachten, hun commentaar, hun ideeën en hun suggesties aan het papier (of aan het scherm) toevertrouwen. Bovendien – aldus de belofte van de initiatiefnemers – zou hun inzending worden opgenomen in een zorgvuldig vormgegeven en geïllustreerd boekwerk. De inzenders hadden het gevoel dat ze (eindelijk) serieus werden genomen, dat ze zonder (ambtelijke) interruptie hun zegje mochten doen, en dat er hopelijk iets met hun ideeën zou worden gedaan. Van de door de overheid georganiseerde inspraakbijeenkomsten hebben velen hun buik vol: er wordt alleen maar verteld wat de overheid wil, er is weinig of geen ruimte om de eigen wensen kenbaar te maken en het enige dat achteraf overblijft, is een saai verslag dat in een la verdwijnt. Met een stevig boek daarentegen, waarin staat wat zij dagelijks ervaren, is de kans groter dat er iets met de suggesties wordt gedaan. Althans, dat was de verwachting. Of … ondergaan ook deze verbetersuggesties eenzelfde lot en verdwijnen ze net zo goed in de la van de bestuurder tussen de andere onderzoeks- en adviesrapporten en verslagen van reguliere participatie-avonden?

      Innovatie bij participatie?

      Het bijzondere van deze initiatieven is dat ze kunnen worden gezien als een innovatief experiment van burgerparticipatie. De burger is aan het woord, maar wie zijn die burgers, wie zijn de mensen die de verbeterplekken en de oplossingssuggesties aandragen? Dat kan niet los worden gezien van de initiatiefnemers van het experiment. Het gaat in de ene gemeente om een lokaal architectuurcentrum en in de andere gemeente om een team (indirect) verbonden met een lokaal architectuurcentrum. Dit bepaalt natuurlijk wel de aard van de respons. Het gaat om mensen die een verantwoordelijkheid voelen voor de ruimtelijke kwaliteit van hun stad. Het gaat om architecten, beeldend kunstenaars, academisch gevormden, maar ook om ‘gewone’ burgers: om jongeren en ouderen, om hoog- en laagopgeleiden, om mensen uit alle buurten van de stad. Er is met andere woorden een oververtegenwoordiging van burgers die ‘iets met hun stad hebben’, dat wil zeggen zich emotioneel sterk aan hun woonplaats gebonden voelen. De opzet en de rol van de organiserende intermediair impliceren dat ook dit participatie-experiment aantoont dat er altijd sprake is van een oververtegenwoordiging van bepaalde burgergroepen. Vooral de geëngageerde burger wordt bereikt, alsook burgers die geen vertrouwen meer hebben in de door de overheid georganiseerde participatie. Ook hier ontbreken burgers die niet de taal (in letterlijke en figuurlijke zin) spreken van de initiatiefnemers of mensen die zijn afgehaakt. Zoals door Verloo (2015) treffend wordt opgemerkt, kunnen ook deze participatie-activiteiten worden aangevuld met wat ‘radicale participatie’ wordt genoemd: de straat op gaan en de tot dan toe afwezige (groepen) burgers bevragen naar hun bevindingen en suggesties.

      Place assessment game

      Gebaseerd op de principes van William Whyte ontwikkelde de New Yorkse non-profitorganisatie Project for Public Spaces een place assessment game, een hulpmiddel om ter plekke gebruikers hun plekken te laten evalueren op basis van categorieën als comfort en uitstraling, gebruik en activiteiten, toegankelijkheid en verbondenheid, veiligheid en schoonheid. Door mensen op locatie zelf te laten observeren, ontstaat een rijke bron aan informatie over het functioneren en waarderen van plekken; gebruikersinformatie die soms aanzienlijk contrasteert met de veronderstellingen van de beleidsmakers, ontwerpers en beheerders van de plek. Een dergelijk hulpmiddel van place assessment kan een waardevolle aanvulling zijn op de onderhavige experimenten uit dit essay. Beide varianten laten zien dat er alternatieve vormen van burgerparticipatie mogelijk zijn teneinde plekken te verbeteren.

    • 5 Typologieën

      Als we afgaan op de participatie-experimenten in de beide steden, dan is het mogelijk om een beter inzicht te krijgen in de inhoud en aard van de stadsverbeteringswaaier. Welke verbeterplekken worden in deze experimenten door burgers genoemd? Dat zijn ogenschijnlijk allemaal unieke en niet met elkaar te vergelijken plekken.

      Typologie van verbeterplekken

      Bij nadere beschouwing blijkt dat een aantal typen verbeterplekken te onderscheiden zijn. We hebben ze ondergebracht in een eenvoudige waaier (typologie van verbeterplekken). Het gaat om de volgende typen plekken:

      1. Braakliggende en verwaarloosde terreinen (soms al jaren onbenut om allerlei redenen: geen interesse vanuit de markt, eigenaar heeft geen plannen voor het terrein, overheid heeft nog geen uitgewerkte plannen, ongelukkige ligging);

      2. Gevaarlijke en onoverzichtelijke verkeerssituaties (gevaarlijke kruispunten, onoverzichtelijke verkeerssituaties, onvoldoende aandacht voor fietsers en voetgangers);

      3. Leegstaande panden (dichtgetimmerde panden, panden in deplorabele toestand, speculatiepanden, ongelukkig gelegen panden);

      4. Verwaarlozing van landschap, natuur en groen (slecht onderhouden groen, illegale stort, detonerende bouwsels, twijfelachtig gebruik);

      5. Slecht ingerichte en onverzorgde openbare ruimten en pleinen (rommelige indruk, slechte bestrating, zwerfvuil, overmaat aan geparkeerde fietsen en brommers, weinig aandacht voor de historie van de plek, eenzijdige verkeerstechnische oplossingen, geen zitmogelijkheden of andere prikkels tot verblijf en ontmoeting);

      6. Troosteloze winkelcentra (vooral winkelcentra uit de jaren zeventig en tachtig, in zichzelf gekeerde ruimten, leegstaande winkels, winkelcentra opgeslokt door de grote (inter)nationale ketens, hangjongeren en -ouderen);

      7. Gevelontsieringen (weinig subtiele lichtreclames, graffiti/bekladde blinde muren van trafohuisjes, openbare gebouwen, openbare liften, garageboxen);

      8. Ongelukkige (her)bestemmingen (ongepaste, cultuurmiskennende herbestemming van kerken en ander (religieus) erfgoed, overlast gevende opvanglocaties voor vluchtelingen, verslaafden, daklozen en dergelijke).

      Urbane acupunctuur

      Een stad kan op talrijke manieren worden verbeterd. Dat kan ruimtelijk, stedenbouwkundig, architectonisch, cultuurhistorisch en landschappelijk, maar ook maatschappelijk en economisch. Dat kan door middel van plannen voor de hele stad, plannen voor buurten, pleinen, straten en trottoirs, maar ook door plannen voor winkelcentra, bedrijfsterreinen, individuele gebouwen en mini-parkjes. Een stad is een patchwork van zeer uiteenlopende ruimtelijke milieus, met allemaal hun eigen karakter, hun eigen charme en hun eigen identiteit. De binnenstad is anders dan een buitenwijk. Het ene plein is fraaier dan het andere. Het ene kruispunt is overzichtelijker en veiliger dan het andere. Monumenten zijn anders dan nieuwbouw. De ene gevel is aantrekkelijker dan de andere, enzovoort. Het verbeteren van een stad is dan ook vaak chirurgisch werk dat kennis, betrokkenheid, zorgvuldigheid en toewijding vergt en dat juist met de diversiteit en pluriformiteit van de stedelijke ruimte rekening houdt. Iets dat door Lerner is getypeerd als ‘urbane acupunctuur’ (Lerner, 2014). Burgers zijn vaak specialisten bij uitstek op het gebied van de urbane acupunctuur!

      Links: leegstaande seinpost; rechts: afgebrand winkelcentrum
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/Bw/Bw_2022_1

      Typologie van oplossingssuggesties

      Dat blijkt ook uit de oplossingssuggesties die door de burgers van beide steden werden aangedragen. Ook hier kunnen we enkele typen onderscheiden:

      1. Een eenvoudige suggestie (besteed er aandacht aan, ga zelf eens kijken, stel je op de hoogte, pleeg onderhoud, handhaaf ter plekke, schoon de plek op);

      2. Een kleine ingreep (plaats verkeerslichten, vervang een bankje of voeg er een toe, verbeter de bewegwijzering, vervang lantaarnpalen, vernieuw hekwerken; verplaats afvalcontainers);

      3. Een ruimtelijke of sociale voorziening (weghalen onooglijke lichtmasten, plaatsen fitness-toestellen in groene ruimte, aanleggen jeu-de-boulesbaan, het terugplaatsen van een kunstobject);

      4. Een globale schets (via schetsen en tekeningen wordt aangegeven hoe de plek verbeterd kan worden, soms met een heuse artist impression);

      5. Een ruimtelijk plan (een uitgewerkt plan voor een winkelcentrum, een herinrichting van een centraal plein, het vervangen van een parkeerdek door een stadstuin, het bouwen van een appartementencomplex, het herinrichten van een stadsweg);

      6. Een invitatie aan de eigenaar (zorg voor onderhoud, doe iets (goeds) met het pand, zoek naar een goede bestemming, melk huizen niet uit);

      7. Een invitatie aan de (lokale) overheid (doe iets met de suggesties, treed in contact met de buurt, luister naar de stem van de burger, benut het intellectuele en creatieve kapitaal van de stad);

      8. Een invitatie tot coproductie (ga rond de tafel zitten, zoek contact met de eigenaar, werk samen in plaats van tegen elkaar, neem ons als burger serieus).

      Een taak voor wie?

      Het is toch de taak van de lokale overheid, van het gemeentebestuur, om verbeterplekken aan te pakken? Daarvoor beschikt de gemeente toch over deskundigen: stedenbouwkundigen, architecten, landschapsarchitecten, economen, sociologen, bestuurskundigen en dergelijke? Dat zijn immers de mensen die verstand van zaken hebben, de deskundigen die hun opleiding op dat gebied hebben gehad, die over de vereiste expertise beschikken? Natuurlijk is het de taak van de lokale overheid om een belangrijke rol te spelen bij het bevorderen van de schoonheid, de aantrekkelijkheid, de veiligheid en de duurzaamheid van de stad. Dat is een opgave voor het lokale bestuur en voor de lokale politiek. Maar niet alleen voor deze partijen. Dat geldt ook voor adviescommissies, zoals de Commissie Beeldkwaliteit, voor woningcorporaties, voor buurtorganisaties, voor stichtingen en verenigingen, voor projectontwikkelaars en voor bouwbedrijven. En uiteraard ook voor vertegenwoordigers van de vormgevende disciplines: architecten, restauratiearchitecten, binnenhuisarchitecten, planologen, stedenbouwkundigen, landschapsdeskundigen, kunsthistorici en monumentenzorgers. Eigenlijk is het een taak voor iedereen, op elk tijdstip en op elke plaats.

      Placemaking als collectieve opgave

      We zien het in veel steden. Aantrekkelijke plekken zijn dit niet uitsluitend omdat ze goed zijn ontworpen en door de overheid worden onderhouden, maar ook doordat burgers er verantwoordelijk mee omgaan, doordat de aangesloten private eigenaren hun eigen aandeel in het onderhoud zorgvuldig op zich nemen. Placemaking is een collectieve opgave (Laven e.a., 2017). Soms betreft het een plek waar horeca zorgt voor gezelligheid door in samenspraak met de gemeente een parkeerplek in te wisselen voor een klein terras, zonder (grote) overlast. Soms betreft het een trottoir waar bewoners hun gevels vergroenen en bankjes plaatsen voor sociale interactie en eyes on the street. In andere gevallen gaat het om burgers die stukjes openbaar groen mogen onderhouden en met bloemen verfraaien. Of om verenigingen die buurtactiviteiten organiseren, zoals spelletjes voor kinderen of sportactiviteiten voor ouderen. Dan weer gaat het om plaatselijke ondernemers die een openbaar kunstwerk sponsoren. Kort gezegd: de opgave van verbeterplekken is in veel gevallen een kwestie van coproductie! Zowel publieke, private als maatschappelijke partijen kunnen een rol vervullen bij het verbeteren van publieke plekken en elkaar daarin aanvullen (Van Melik & Van der Krabben, 2016). Maar dat wordt (nog) niet door iedere partij zo gevoeld, of gepraktiseerd. De uitdaging is om meerdere partijen te overtuigen van het wederzijds belang van werken aan verbeterplekken.

    • 6 De politiek-bestuurlijke reactie

      Hoe gaan de lokale politiek en het lokaal bestuur nu om met de waaier aan stadsverbeteringssuggesties, meer in het bijzonder met de burgerparticipatie daarbij? Afgaande op de experimenten in de beide steden is er, om het voorzichtig uit te drukken, enige reden tot bezorgdheid.

      Links: Maastricht op weg naar een nog mooiere stad?! Rechts: Nijmegen op weg naar een nog mooiere stad?
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/Bw/Bw_2022_1

      Aarzelend positief

      In een van de twee steden werden naar aanleiding van het verschenen boek over de ‘verbeterplekken’, alsook naar aanleiding van de uitzendingen hierover via de lokale televisie, vragen gesteld door een raadslid. De vragen hadden betrekking op het feit of het college van B&W van dit initiatief op de hoogte was, wat het college met deze informatie gaat doen en of men deze manier van betrekken van de burgers als een manier ziet om het contact met de burger nieuw leven in te blazen. De antwoorden van het college van B&W op deze vragen waren weliswaar formeel, maar boden toch enkele openingen richting een participatieve aanpak van verbeterplekken, getuige de volgende passage in de antwoordbrief: ‘Gebiedsontwikkeling, beheer en onderhoud van de stad zijn belangrijke onderwerpen die de voortdurende aandacht van het college van burgemeester en wethouders hebben. De ideeën en suggesties voor de verbeterplekken zijn breed en bijna stadsdekkend en we zijn daarom ook blij met deze bundeling en getoonde betrokkenheid van burgers bij hun stad.’ Hiermee is volgens de initiatiefnemers de kous overigens nog niet af, want het voornemen bestaat om een jaar na de participatie-experimenten in beide steden samen met de burgers de balans op te maken. Wat is er met de verbeterplekken gedaan? Welke suggesties zijn in goede aarde gevallen? Is er samenspraak geweest met de burgers? Het is op dit moment nog onduidelijk wat de balans in dezen zal zijn.

    • 7 Enkele kanttekeningen

      Nieuwe vraagstukken vragen om nieuwe benaderingen. Nieuwe opvattingen over welke thema’s in een stad centraal moeten staan en over de rol van de burger hierbij, vragen om nieuwe manieren van kijken naar deze verschijnselen. In ons huidige tijdsgewricht staan steden voor de opgave om verbeterplekken aan te pakken en burgerparticipatie opnieuw uit te vinden. Dat is geen eenvoudige opgave omdat er geen kant-en-klare antwoorden bestaan. Dit betekent dat experimenten noodzakelijk zijn en dat naar de resultaten daarvan goed moet worden gekeken. Zorgen de experimenten ervoor dat de verbeterplekken daadwerkelijk worden onderkend en ook worden aangepakt? Zorgen de experimenten ervoor dat de burger meer en beter wordt gehoord? Is de rol van maatschappelijke intermediairs, zoals lokale architectuurcentra, hierin doorslaggevend en hoe kunnen zij hun rol effectief vervullen? Wordt er een pluriforme afspiegeling van de samenleving benaderd of slechts degenen die tot het netwerk van de lokale intermediairs behoren? Is er sprake van daadwerkelijke beïnvloeding van het lokale beleid? Worden niet alleen de suggesties hartelijk in ontvangst genomen, maar worden er ook serieuze pogingen gedaan om ze ten uitvoer te brengen? Worden de benodigde allianties gesmeed tussen publieke, private en maatschappelijke partijen om plekken blijvend te verbeteren? Dit essay nodigt uit om deze vragen rond stadsverbetering en burgerparticipatie in iedere stad aan de orde te stellen en aldaar op zoek te gaan naar passende antwoorden.

      Noodzaak van omdenken

      De experimenten in beide steden zijn geen panacee; het zijn hooguit een goedbedoelde pogingen om voor de nieuwe opgave hedendaagse oplossingen te vinden. Er is niet één weg die naar Rome leidt en ook niet één weg die naar een mooie, aangename, veilige en duurzame stad leidt, laat staan naar een als goed ervaren vorm van burgerparticipatie. Als het gaat om het verbeteren van plekken, kunnen we ons voordeel doen uit de stedenbouw en omgevingspsychologie die principes definiëren over wat plekken aantrekkelijk maakt. Maar tegelijkertijd moeten we oppassen om te rigide onze blauwdrukken toe te passen op het ontwikkelen van de stad. We dienen altijd rekening te houden met de genius loci van de plek. De lokale identiteit die zich vaak alleen goed laat vangen door een zorgvuldig proces van burgerparticipatie op te zetten waarin de unieke kenmerken van de lokale ruimtelijke, sociale en culturele identiteit worden geduid (Verheul, 2014). Zodoende kan een verankerde vorm van stadsverbetering ontstaan. De noodzaak van omdenken dient zich aan. Er zijn nieuwe kansen voor de steden, voor de burger en voor het lokale bestuur. Nieuwe kansen om de wijsheid en creativiteit van de samenleving te benutten en om de benodigde allianties te smeden tussen overheid, marktpartijen en civil society om gezamenlijk de stad voor eenieder aantrekkelijk te maken en ook als zodanig te behouden. Laat deze kansen niet onbenut. De tijd is gekomen om (dankbaar) gebruik te maken van het intellectuele, creatieve en empathische kapitaal van de stadsbevolking! Met coproductie en urbane acupunctuur dient zich een nieuwe ronde met nieuwe kansen aan. Mogelijk is er toch nog ‘een nieuwe weg naar Rome’!

    • Literatuur
    • Adams, D. & S. Tiesdell, Shaping places. Urban planning, design and development, Londen: 2013.

    • Arnstein, S., ‘A ladder of citizen participation’, Journal of American Institute of Planners, 1969/4, p. 216-224.

    • Berg, M. van den (red.), Stedelingen veranderen de stad, Amsterdam: 2013.

    • Bock, K., ‘The changing nature of city tourism and its possible implications for the future of cities’, European Journal Future Research, 2015/1, p. 1-8.

    • Gehl, J., Life between buildings. Using public space, Washington, DC: 1971.

    • Gehl, J., Cities for people, Washington, DC: 2010.

    • Hospers, G., Geografie en gevoel. Wat plekken met ons doen, Assen: 2013.

    • Huurenkamp, M. & E. Tonkens, ‘Ontwerpprincipes voor betere burgerparticipatie’, Bestuurskunde, 2020/1, p. 54-63.

    • Jacobs, J., The death and life of great American cities, New York: 1961.

    • Klinenberg, E., Palaces for the people. How social infrastructure can help fight inequality, polarization, and the decline of civic life, New York: 2018.

    • Könst, A., R.G. van Melik & W.J. Verheul, ‘Civic-led public space. Favourable conditions for the management of community gardens’, Town Planning Review, 2018/6, p. 575-595.

    • Laven, J., S. van der Ham, S. Veelders & H. Karssenberg, The city at eyelevel in the Netherlands, Wageningen: 2017.

    • Lerner, J., Urban acupuncture. Celebrating pinpricks of change that enrich city life, Washington, DC: 2014.

    • Melik, R.G. van & E. van der Krabben, ‘Co-production of public space. Policy translations from New York City to the Netherlands’, Town Planning Review, 2016/2, p. 139-158.

    • Melik, R.G. van, P. Filion & B. Doucet, Public space and mobility. Global reflections on ­COVID-19 and urban inequalities, Volume 3, Bristol: 2021.

    • Mehta, V., The street. A quintessential social public space, Londen/New York: 2013.

    • Milikowski, F., Van wie is de stad. De strijd om Amsterdam, Amsterdam: 2018.

    • Nelissen, N.J.M., Op zoek naar de hemel op aarde. Stadsidealen door de eeuwen heen, Maastricht: 2013.

    • Nelissen, N.J.M., De stad als open boek, Maastricht: 2021.

    • Nelissen, N.J.M. & W.J. Verheul, ‘In de ban van stadsgoeroes? Herijking van inspiratiebronnen voor stadsbestuurders’, Bestuurswetenschappen, 2020/2, p. 68-88.

    • Nelissen, N.J.M., W. Köhlen & M. Reneerkens (red.), Maastricht op weg naar een nog mooiere stad?!, Maastricht: 2021a.

    • Nelissen, N.J.M., A. Schekermans, K. Teeken & F. Willems (red.), Nijmegen op weg naar een nog mooiere stad?!, Nijmegen: 2021b.

    • Sennett, R., Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst, Amsterdam: 2018.

    • Sklair, L., ‘Iconic architecture and capitalist globalization’, City. Analysis of urban trends, culture, theory, policy, action, 2006/1, p. 21-47.

    • Soenen, R., Het kleine ontmoeten. Het sociale karakter van de stad, Antwerpen: 2006.

    • Sussman, A., Cognitive architecture. Designing for how we respond to the built environment, Londen: 2014.

    • Urhahn, G., De spontane stad, Amsterdam: 2011 (tweede druk).

    • Verheul, W.J., ‘Plaatsgebonden identiteit. Het anker voor stedelijke ontwikkeling’, W. Hafkamp, J. Koffijberg, T. Rutjens & G. Teisman (red.), De stad kennen, de stad maken, Den Haag: 2014, p. 35-48.

    • Verheul, W.J., ‘Placemaking en het discours van de publieke plek’, J. Laven, S. van der Ham, S. Veelders & H. Karssenberg, De stad op ooghoogte in Nederland, Wageningen: 2017, p. 234-244.

    • Verheul, W.J. & M. Bokhorst, ‘Bestuurlijke manie bij prestigeprojecten. Van maquette naar mislukking’, Bestuurskunde, 2021/1, p. 3-17.

    • Verheul, W.J., E. Heurkens & F. Hobma, Nieuwe verhoudingen in omgevingsparticipatie. Participatie georganiseerd door private partijen, Den Haag: 2021.

    • Verloo, N., Negotiating urban conflict. Conflicts as opportunity for urban democracy, proefschrift Universiteit van Amsterdam, Amsterdam: 2015.

    • Whyte, W., The social life of small urban spaces, New York: 1980.

    • Wijdeven, T. van de, F. Hendriks & M.J. Oude Vrielink, Burgerschap in de doe-democratie, Nicis Institute, Den Haag: 2010.

    • Wilson, J.Q. & G.L. Kelling, ‘Broken windows. The police and neighborhood safety’, The Atlantic Monthly, March 1982, p. 29-38.

    • Zoest, S. van & W.J. Verheul, ‘Sturing op toeristische gentrificatie in stadscentra. Lessen uit Amsterdamse stadsstraten’, Beleid en Maatschappij, 2020/2, p. 126-148.


Print dit artikel