DOI: 10.5553/BenM/138900692018045002006

Beleid en MaatschappijAccess_open

Dossier

Ten geleide

Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Fabian Dekker. (2018). Ten geleide. Beleid en Maatschappij (45) 2, 187-188.

Dit artikel wordt geciteerd in

      Beleid en Maatschappij besteedt in dit dossier aandacht aan de opkomst en gevolgen van de klusseneconomie. Onder invloed van technologische verandering lijkt er namelijk langzaam maar zeker een overgang plaats te vinden van een traditionele arbeidsmarkt naar een digitale takenmarkt. Hierbij worden kortdurende werkzaamheden via online platforms georganiseerd in plaats van via beroepen in arbeidsorganisaties. We zien deze nieuwe vormen van digitale dienstverlening voor een deel al terug in de stijging van het aandeel zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) in ons land, maar ook in de opkomst van online platforms zoals Uber, Helpling en Werkspot. Sommigen verwachten dat steeds meer werkzaamheden via online platforms worden georganiseerd. In het blad The Economist werd vier jaar geleden al gesproken over de opkomst van een on-demand economy. Tegelijkertijd weten we nog bijzonder weinig wat betreft de omvang van de klusseneconomie, kenmerken van klussenwerkers en de gevolgen voor economie, innovatie en posities van werkenden. Wel staat vast dat de klusseneconomie verschillende vragen oproept, vooral wat betreft het stelsel van sociale zekerheid en de bestaande regelgeving in het arbeidsrecht.
      In dit dossier buigen verschillende auteurs zich over het werken in de klusseneconomie. Het gaat hierbij specifiek om het aanbieden en vragen naar allerhande betaalde klussen via online platforms. Online transacties waarbij mensen met elkaar (al dan niet betaald) goederen uitwisselen, de deeleconomie, blijven buiten beschouwing. Om iets te kunnen zeggen over de opkomst en kenmerken van de klusseneconomie benadrukt Dekker allereerst de grote overeenkomsten met de flexibilisering van werk. Overeenkomsten hebben bijvoorbeeld te maken met een aantal achterliggende oorzaken, zoals technologische ontwikkeling, sociaal-culturele verandering en wijzigingen die zich voordoen in politiek en bedrijfsbeleid. En net zoals bij zzp’ers het geval is, is er een grote diversiteit aan subgroepen klussenwerkers. Dit maakt het bijzonder complex om over dé klusseneconomie te spreken. De bijdrage van Smink e.a. laat zien welke vragen de klusseneconomie oproept. Zo is er onder andere de nodige juridische onduidelijkheid rond de status van een klussenwerker en komt de autonomie van werkenden onder druk te staan. De onderzoekers roepen dan ook vooral op om een beleidsagenda te ontwikkelen om de ‘publieke waarden’ te borgen in een platformeconomie. Mijke Houwerzijl verdiept in haar bijdrage het juridische perspectief. Een centraal vraagstuk betreft de kwalificatie van platformwerkers. In dat verband bespreekt ze een aantal aanzetten om te komen tot meer transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden. Ten slotte vraagt Ferry Koster zich af waarom ‘traditionele’ organisaties gebruikmaken van online platforms. Een opvallende uitkomst is dat bijna twee derde tot 82 procent van alle bedrijven helemaal geen gebruik maakt van online platforms om producten en diensten aan te bieden dan wel met anderen samen te werken. Hier valt volgens Koster nog de nodige winst te behalen.
      Alles overziend tonen de auteurs aan dat de klusseneconomie een aantal maatschappelijke vragen oproept die dringend om een beleidsreactie vraagt. Tegelijkertijd zijn er nog voldoende witte vlekken. Graag stelt Beleid en Maatschappij daarom ook in de toekomst zijn kolommen open voor nieuwe onderzoeksresultaten en reflecterende beleidsbijdragen rondom het werken in de klusseneconomie.


Print dit artikel