DOI: 10.5553/Bw/016571942020074002006

Bestuurs­wetenschappenAccess_open

Essay

In de ban van stadsgoeroes?

Herijking van inspiratiebronnen voor stadsbestuurders

Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Prof. dr. Nico Nelissen en Dr. Wouter Jan Verheul, 'In de ban van stadsgoeroes?', BW 2020-2, p. 68-88

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1 Bestuurders houden van stadsgoeroes

      De verstedelijking van de samenleving is een overbekend gegeven. Dat dit proces gepaard gaat met de opkomst van ‘stadsgoeroes’ is wellicht minder bekend. Onder zulke goeroes verstaan we: adviseurs, wetenschappers en andere auteurs die internationaal van invloed zijn op het denken en handelen van stadsbestuurders en andere stedelijke beleidsmakers. Een bekend voorbeeld van zo’n goeroe is Richard Florida. Van deze stadsgeograaf wordt gezegd dat zijn bestseller The Rise of the Creative Class (2002) jarenlang onder het hoofdkussen van iedere wethouder lag. In elke stad waar hij werd uitgenodigd, verkondigde hij zijn boodschap dat de creatieve klasse de stad heeft herontdekt en hoe steden daarvan profiteren. Van Amsterdam tot Berlijn en van Enschede tot Zaanstad, overal ontving hij een gewillig oor bij stadsbestuurders die op zoek zijn naar inspiratie om de eigen gemeente van een nieuwe ‘stadsstrategie’ te voorzien.

      Stadsbestuurders vinden tegenwoordig vaak hun intellectuele inspiratie bij ‘hedendaagse stadsgoeroes’. Dat zijn meestal geen bestuurskundigen; ze zijn afkomstig uit de stadsgeografie, -economie of -sociologie. Wel resoneren hun ideeën in de bestuurspraktijk. Het stadsbestuur van Rotterdam bijvoorbeeld was zo enthousiast over econoom Jeremy Rifkin en zijn boek The Third Industrial Revolution (2011), dat het Rifkin en zijn medewerkers voor bijna 800 duizend euro inhuurde om hen van advies voor de ontwikkeling van de stedelijke economie te voorzien (Dirks, 2015). In het Haagse stadhuis is men – om een ander voorbeeld te geven – al enkele jaren geïnspireerd door Bruce Katz en zijn The Rise of Innovation Districts (2014). Reden om Bruce Katz uit te nodigen voor congressen en ontmoetingen met het Haagse stadsbestuur en om gebaseerd op zijn onderzoekswerk een ‘Central Innovation District’ te ontwikkelen: een binnenstedelijke gebiedstransformatie die met behulp van hoogwaardige innovatieve bedrijvigheid Den Haag van een economische impuls moet voorzien. Het lijstje Richard Florida, Jeremy Rifkin en Bruce Katz kan worden uitgebreid met namen als Saskia Sassen, Charles Landry, Edward Glaeser, Thomas Friedmann, Richard Sennett, Benjamin Barber en andere internationaal bekende wetenschappers en adviseurs wier boeken en ideeën in de Nederlandse bestuurskamers zijn doorgedrongen en daar hun weg hebben gevonden.

    • 2 Meer dan een hype?

      De vragen die de populariteit van hedendaagse stadsgoeroes oproept, zijn: Gaat het hier om een hype? Gaat het om tijdelijke succesverhalen die slechts drukbezochte, geanimeerde lezingen op congressen opleveren? Gaat het om goed toegankelijk bronnenmateriaal, om aantrekkelijke referenties bedoeld om beleidswensen van (politieke) steun te voorzien? Of gaat het wel degelijk om gedachten die een duurzame invloed hebben op de ‘stadsontwikkeling’ en de ‘stadsbesturing’? Is het alleen een selecte groep bestuurders die door de ideeën van de ‘hedendaagse stadsgoeroes’ wordt geïnspireerd, of reikt hun invloed veel verder? Worden in hun boeken de echte grote ‘stadsthema’s’ aangesneden, of wordt slechts een persoonlijk geliefkoosd onderwerp geselecteerd? In dit essay gaan wij op deze en andere kwesties in en herijken we enkele invloedrijke denkers en hun bestsellers. We vatten hun ideeën samen, beschrijven hun invloed op het stedelijk beleid en we reflecteren op enkele bestuurskundige vragen die voor de toekomst van de stad van belang zijn.

    • 3 Stadsgoeroes ‘avant la lettre’

      Bestuurders hebben altijd wel hun eigen goeroe gehad. Het behoeft geen betoog dat ook over de stad met haar vraagstukken in de loop der tijd allerlei ‘magische formules’ zijn bedacht. Die formules hebben allemaal één ding gemeen, namelijk dat hun populariteit en werkzame kracht aan tijd en plaats gebonden zijn. Universele oplossingen zijn er zelden of nooit, zo leert de geschiedenis, al was het alleen maar vanwege het feit dat de vraagstukken zelf van aard en karakter veranderen. In het boek Op zoek naar de hemel op aarde. Stadsidealen door de eeuwen heen (Nelissen, 2013) wordt een overzicht gegeven van vele tientallen ‘formules magiques’ voor de stad. In feite, zo kan men stellen, zijn er in alle cultuurperioden van de Klassieke Oudheid tot vandaag de dag stadsidealen geformuleerd: ideeën over hoe de onderkende stedelijke vraagstukken zouden kunnen worden opgelost door ruimtelijke, sociale en/of politieke maatregelen. Deze stadsgoeroes geloofden heilig in hun redmiddel en inspireerden de stadsbestuurders van hun tijd. Plato dacht dat door de verschillende maatschappelijke groepen elk hun eigen plek te geven in de stedelijke ruimte de stad het beste zou functioneren. De Romeinen meenden dat door een rechthoekig stratenpatroon met kruisende hoofdwegen de beste ruimtelijke condities konden worden gecreëerd voor een ideale stad. Thomas Moore zocht de oplossing voor sociale tegenstellingen in de stad in het opheffen van particulier eigendom. Simon Stevin dacht dat steden hun veiligheid het beste konden garanderen door middel van een gebastionneerd aarden verdedigingsstelsel. Ebenezer Howard meende dat de oplossing voor de kwalen van de stad gezocht moest worden in het creëren van tuinsteden. Le Corbusier hoopte via zijn ‘ville radieuse’ een stad te ontwerpen die een antwoord zou zijn op de eisen van het moderniseringsproces (De Klerk, 1980; Jean, 1994; Eaton, 2003; Rottier, 2004).

      Stadsidealen door de eeuwen heen
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/Bw/Bw_2020_2

      De genoemde voorbeelden van ‘stadsgoeroes avant la lettre’ volstaan om aan te geven dat door de eeuwen heen talrijke oplossingen zijn aangedragen voor het stedelijk vraagstuk, maar dat de pijlen steeds gericht waren op een ‘verschuivende schietschijf’, in casu de stad die permanent van aard en karakter verandert. De voorbeelden wijzen ons zowel op hun populariteit als op hun ‘beperkte houdbaarheidsdatum’. Zo hebben Le Corbusiers ideeën van het scheiden van de functies wonen, werken, verplaatsen en recreëren overal in de wereld navolging gevonden, in Nederland te zien in de uitbreidingswijken de Bijlmer, Ommoord en Osdorp. Maar zo populair als zijn ideeën ooit waren, zo stevig lijkt nu de kritiek te zijn op zijn stadsideaal. De principes van rationele planning bleken heel anders uit te pakken (Verheul & Daamen, 2014). Juist menging, diversiteit en een zekere onvoorspelbaarheid worden als nieuwe stadsidealen omarmd. Stadsidealen ontstaan in een specifiek tijdgewricht. De aangedragen oplossingen suggereren evenwel dat ze ‘voor de eeuwigheid’ bedoeld zijn, terwijl deze – zoals steeds weer opnieuw blijkt – evengoed tijdelijk zijn.

    • 4 De stad is de stad niet meer!

      Het beeld van de stad als een herkenbare ‘oase’ die zich vanaf het buitengebied aan het oog opdringt door zijn stadsmuren, stadspoorten en kerktorens is een anachronisme geworden. Steden zijn inmiddels uitgegroeid tot gigantische conurbaties, tot stedelijke regio’s, tot metropolitane gebieden van ongekende omvang (Nelissen, 1974; Nelissen, 1988). Stedelijke gebieden van meer dan 10 miljoen inwoners zijn absoluut geen uitzondering meer. De grootste agglomeraties overschrijden tegenwoordig de 30 miljoen inwoners. Er is weinig verbeeldingskracht voor nodig om zich te realiseren dat de daarmee gepaard gaande sturingsuitdagingen van een immense omvang zijn. Immers, hoe al die mensen op een menswaardige manier te huisvesten, hoe het verkeer en transport in goede banen te leiden, hoe de (gezonde) water- en voedselvoorziening te organiseren, hoe het onderwijs en de medische zorg voor zulke aantallen mensen te borgen, hoe het milieu te ontzien en het energieverbruik te reduceren, hoe de maatschappelijke tegenstellingen te ‘pacificeren’, hoe de kloof tussen rijk en arm te dichten, hoe migratiestromen te reguleren, hoe daklozen, drugs- en alcoholverslaafden te (onder)steunen, hoe de financiering van alle stedelijke voorzieningen te regelen? Kortom, een gigantische stedelijke uitdaging, waarbij het de vraag is of de bestaande bestuursstructuren er wel op zijn afgestemd.

    • 5 Opkomst van ‘de hedendaagse stadsgoeroe’

      De kloof tussen omvang en diepgang van stedelijke vraagstukken enerzijds en een tekortschietende bestuurlijke oplossingscapaciteit anderzijds is een uitermate gunstige voedingsbodem voor mensen die voor alles een werkzame oplossing hebben of denken te hebben. Daarmee is de ‘hedendaagse stadsgoeroe’ geboren, de intellectueel die de juiste diagnose denkt te stellen en naar zijn mening de echte remedie in de aanbieding heeft. Gegeven de publiciteit die dit soort ‘stadssterren’ krijgen – we dragen middels dit artikel daar zelf aan bij – is het geen wonder dat juist nu de oren van stadsbestuurders gespitst zijn om het geluid van deze ‘heilbrengers’ te vernemen. Stadsbestuurders zijn namelijk op zoek naar probleemdefinities die ze herkennen en naar oplossingsrichtingen die naar hun mening perspectief bieden. Stadsgoeroes leveren die geluiden door de kracht van hun woord en geschrift en – niet te vergeten – door een gelikte performance. Hun ‘publiciteitsfabriek’ – lees: hun zakelijk leider (impresario) – programmeert lezingen, interviews en presentaties tegen een commercieel tarief. Ze verzorgen hun spreekbeurt met hun publicatie in de hand of achter zich op het scherm geprojecteerd. Bij de bijeenkomsten wordt wel gesuggereerd dat er ruimte voor discussie is, maar de tijd laat het vaak niet toe dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. De stadsgoeroe moet als ster namelijk alweer naar de volgende presentatie toe. Het applaus na afloop van de presentatie (‘het eervol gekietel’) versterkt de stadsgoeroe in het idee dat hij het bij het juiste eind heeft. Deze stadsgoeroes zijn tegenwoordig ook erg geliefd in Nederland, vooral bij de gemeentebesturen van de grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag). Over de tarieven die ze voor hun presentatie of voor hun advies vragen, doen geruchten de ronde van meer dan tienduizend euro per lezing. Er bestaat geen exacte informatie over hun honorarium, maar laten we het erop houden dat het meer is dan een boekenbon of fles wijn.

    • 6 Hedendaagse stadsgoeroes doen (hun) zaken

      Over welke stadsgoeroes hebben we het eigenlijk? Dat zijn er meerdere, maar hier lichten we er enkele uit die de laatste jaren tot de favoriete sprekers onder de ‘wetenschaps- en adviseurs-conferenciers’ kunnen worden gerekend: Richard Florida, Bruce Katz, Richard Sennett, Benjamin Barber en Jeb Brugmann.

      6.1 Richard Florida: de kracht van de creatieve stad

      Richard Florida (Newark, 1957) is van huis uit een economisch geograaf met specifieke belangstelling voor steden. Momenteel is hij hoogleraar en tevens ‘Director of Cities’ aan het Martin Prosperity Institute van de universiteit van Toronto, meer in het bijzonder bij de Rotman School of management. Verder is hij ook ‘Distinguished Fellow’ van het Schack Institute of Real Estate van de universiteit van New York. Daarnaast vervulde en vervult hij allerlei andere functies, vooral in de consultancy-sfeer. Hij adviseert overheidsinstellingen, bedrijven en ngo’s. Zijn agenda wordt gevuld met lezingen, workshops en soortgelijke activiteiten. Zijn ‘doorbraak’ kwam met het boek The Rise of the Creative Class (2002). Het trok na verschijnen enorm veel aandacht. Het boek werd, ongebruikelijk voor een stadsgeografisch werk, een zogenoemde ‘airporter’: een bestseller vindbaar in de boekwinkels op vliegvelden. Florida’s boek bood inspiratie voor zowel ondernemers in de creatieve sectoren, als voor bestuurders van steden die zochten naar een nieuw ‘groeipotentieel’ voor hun krimpende stedelijke economie. Overal verschenen beleidsplannen met verwijzingen naar Richard Florida om met behulp van de creatieve klasse een oude stadswijk van een nieuw elan te voorzien.

      Richard Florida: the rise of the creative class
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/Bw/Bw_2020_2

      Het lag voor de hand dat de discussie over Florida’s werk zich zou toespitsen op de vraag wat nu eigenlijk die creatieve klasse is en wie daartoe behoort (Scott, 2006). Het antwoord daarop was niet echt bevredigend. Het was niet duidelijk of het hier nu om een klasse in de klassieke zin van het woord ging of niet (Marlet & Van Woerkens, 2004; Ernste & Boekema, 2005). Duidelijke criteria van wie er nu wel en niet tot die klasse behoort, werden door Florida niet geformuleerd. Er werd volstaan met een opsomming waarin verwezen werd naar beroepsgroepen als ontwerpers, wetenschappers en kenniswerkers. De vraag was ook of iedereen die tot deze groepen behoorde, wel als creatief kon worden aangemerkt (ICT-professionals behoorden als kenniswerkers volgens bepaalde interpretaties van Florida ook tot de creatieve klasse). Verder zijn er buiten deze groepen ook mensen die buitengewoon creatief zijn. Waarom worden die dan buiten de opsomming gelaten? Aanvullende kritiek kwam op de kwestie of de creatieve klasse nu daadwerkelijk de positieve impact op de stad heeft, als werd gesteld (Peck, 2005). Sommigen beweerden dat de veronderstelde impact in schril contrast stond tot het zeer geringe aantal mensen dat tot de creatieve klasse behoort. Is er niet sprake van een overwaardering van deze klasse ten detrimente van andere klassen? Ongetwijfeld is het begrip ‘creative class’ een appellerend concept. Maar, zoals gezegd, het concept is ook buitengewoon vaag.

      Mogelijk juist als gevolg van die vaagheid is het begrip creatieve klasse ‘doodgeknuffeld’ door bestuurders en praktijkmensen die hun nieuwe benadering van stedelijke vraagstukken konden zien als panacee. In allerlei steden, ook in Nederland, gingen stadsbestuurders en beleidsmakers aan de slag met het stimuleren van creatieve clusters en creatief ondernemerschap, vooral in leegstaande fabrieks- en kantoorgebouwen. De opkomst van de ‘creatieve stad’ werd gretig als heilmiddel ingezet voor de steeds verder verdwijnende ‘industriestad’. De creatieve sector zou nieuwe werkgelegenheid opleveren en tegelijkertijd zorgen voor een aantrekkelijker leefklimaat voor hoogopgeleiden, de doelgroep die iedere stad (groot of klein) aan zich wil binden, zoals keer op keer in stedelijke beleidsvisies en collegeprogramma’s valt te lezen.

      Florida geeft in zijn nieuwe boek The New Urban Crisis (2017) grif toe dat hij wat al te optimistisch was door de ‘creatieve klasse’ te zien als dé motor bij uitstek voor de herleving van steden. De economische recessie van 2007 heeft namelijk wel degelijk zijn sporen in veel steden achtergelaten. Er is een nieuwe stedelijke werkelijkheid ontstaan, die heel anders en ook minder rooskleurig is dan hij aanvankelijk dacht. De noodzaak om een andere, genuanceerdere diagnose te stellen en om andere, nieuwe oplossingen te bieden is groter dan ooit. De creatieve klasse is niet dé oplossing gebleken voor de stedelijke crisis. Ze is er juist een van de oorzaken van. De creatieve sector heeft door gentrificatie sommige steden zo populair gemaakt, dat het paradigma ten onder dreigt te gaan aan het eigen succes. Het ‘the winner-takes-it-all’-principe heeft ervoor gezorgd dat er een beperkt aantal ‘superstersteden’ is ontstaan met een enorme aantrekkingskracht. Maar er zijn ook veel steden achtergebleven en die hebben duidelijk minder van de impuls van creatievelingen geprofiteerd. Bovendien is het zo dat zelfs in de superstersteden er maar een beperkt aantal buurten is dat de heilzame werking van de creatieve klasse heeft ervaren (Nelissen, 2017).

      6.2 Bruce Katz: innovatieve oplossingen op lokaal niveau

      Bruce Katz (New York, 1959) rondde zijn bachelor af aan de Brown University en verkreeg zijn Juris Doctor degree aan de Yale Law School in 1985. Hij is oprichter en ook directeur van het ‘Brookings Metropolitan Policy Program’, dat tot doel heeft beleidsmensen uit de publieke, semipublieke en private sector te trainen in methoden om de welvaart van steden en metropolen te vergroten. Hij is tevens consultant op het gebied van nieuwe vormen van stedelijk bestuur en adviseerde onder andere de minister van huisvesting tijdens het presidentschap van Barack Obama. Verder was hij gasthoogleraar aan de London School of Economics. Katz is nu drukdoende als directeur van de ‘Nowak Metro Finance Lab’ aan de Drexel University. Hij heeft vooral bekendheid gekregen als (co-)auteur van The Metropolitan Revolution (2013) en The Rise of Urban Innovation Districts (2016, samen met Julie Wagner). In met name die laatste publicatie wordt het belang van stedelijke voorzieningen, netwerken en diversiteit beschreven in het creëren van een innovatieve stedelijke economie. Katz betoogt dat niet langer bedrijven- en innovatiecampussen buiten de stad groeien, maar vooral binnen de stad, vanwege de daar aanwezige voorzieningen. Vooral steden die op zoek zijn naar innovatieve werkgelegenheid in de (binnen)stad, nodigen Bruce Katz uit voor een lezing en advies, zoals in Nederland Rotterdam en Den Haag.

      Met expliciete verwijzing naar Bruce Katz wordt momenteel door de gemeente Den Haag aan het zogenoemd ‘The Hague Central Innovation District’ (CID) gewerkt. De pregnante vraag daarbij is hoe je van een bestaand woon- en werkgebied gelegen tussen de stations Den Haag Centraal en Hollands Spoor een aantrekkelijk innovatiemilieu kunt maken. Deels komt dat volgens Bruce Katz neer op het voortbouwen op de reeds aanwezige kenniseconomie (‘economic assets’) en samenbrengen van de juiste partijen (‘network assets’). Maar ook de ruimtelijke condities voor innovatie (‘physical assets’) zijn van groot belang willen bedrijven en instellingen zich in een innovatiedistrict vestigen en daar hun activiteiten ontplooien. De Haagse dominante overheidssector als banenmotor krimpt als gevolg van bezuiniging en digitalisering. Daarom biedt het verhaal van Bruce Katz voor hen een wenkend perspectief en worden allerlei plannen en denksessies rondom het CID door de gemeente georganiseerd. Maar volgens sommigen blijft het Haagse CID te veel een overheidsgestuurd plan: de uitdaging is om meer private betrokkenheid bij planontwikkeling, sturing en ‘branding’ van het innovatiedistrict te organiseren (Verheul & Pluijmen, 2018). Van belang is dat ondernemers een grotere rol gaan spelen als ambassadeurs van het gebied, want innovatiedistricten blijken in Nederland nog te vaak een overheidsgestuurd fenomeen te zijn. Vrijwel iedere burgemeester wil een bord in de gemeente met de tekst ‘Wij zijn een innovatiedistrict’. Er zijn inmiddels meer dan 200 innovatieclusters in Nederland. Gaat het hier om een dun laagje ‘publieke gebiedsmarketing’? En hoe international concurrerend kunnen die innovatieclusters daadwerkelijk zijn (Zeemeijer, 2016)? Toch draagt Bruce Katz met zijn pleidooi bij aan een andere ruimtelijke visie op bedrijvigheid. Zijn denken over binnenstedelijke innovatiedistricten inspireert stadsbestuurders om minder kantorenlocaties aan de snelweg buiten de stad te ontwikkelen, maar om goed per openbaar vervoer bereikbare gemixte werklocaties te stimuleren.

      Bruce Katz: the new localism
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/Bw/Bw_2020_2

      Voortbouwend op zijn eerdere publicaties schreef Bruce Katz The New Localism. How Cities Can Thrive in the Age of Populism (2017, samen met Jeremy Nowak). De centrale stellingen van dit boek zijn in enkele punten samen te vatten. In de eerste plaats wijst hij op het feit dat er momenteel een verschuiving plaatsvindt van nationale staat naar de lokale overheid. De grote problemen van de maatschappij zijn zichtbaar en merkbaar op lokaal niveau en moeten ook daar worden opgelost. De aanpak van de problemen, aldus een tweede stelling, is niet meer een kwestie van de lokale overheid alleen, maar is een opgave voor alle partijen in de stad: gemeentebestuur, bedrijfsleven, non-profitorganisaties en burgers. Met andere woorden: er is een proces gaande van ‘government’ naar ‘governance’. Samenwerking, coproductie, aldus de derde stelling, moet een kwestie zijn van opbouwen van een netwerk tussen alle partijen. Afhankelijk van aard en karakter van het probleem dienen er netwerken te worden gesmeed die een passend antwoord kunnen geven. Dit impliceert, in de vierde plaats, dat afstand moet worden gedaan van de traditionele ‘top-down’-benadering en daarvoor in de plaats een ‘bottom-up’-benadering moet komen. Dit alles impliceert een ‘new localism’, een nieuw geloof in het feit dat maatschappelijke problemen op lokale basis moeten worden aangepakt door lokale partijen.

      Dit alles is in Nederland, vooral binnen de kring van bestuurskundigen, geen echt nieuw geluid, want al decennialang wordt hier een pleidooi gehouden voor een ‘multi-actor’-benadering, voor privaat-publieke samenwerking, voor de ‘Triple-helix’-aanpak en voor coproductie (De Bruijn e.a., 1998; Teisman, 2001; Nelissen e.a., 2004). In de Verenigde Staten zijn deze opvattingen misschien wat minder tot het bewustzijn doorgedrongen en wordt hier en daar nog in oude besturingsmodellen geloofd, en wordt volgens de principes daarvan gewerkt. Voor Nederlandse begrippen heeft Katz’ visie dan ook niet echt een vernieuwend karakter. Het is eerder een beeld van ‘déjà vu’ dat daarbij de boventoon voert, om maar niet te spreken van ‘oude wijn in nieuwe zakken’. Het ‘new localism’-pleidooi van Bruce Katz moeten we ook interpreteren tegen de achtergrond van de verkiezingsoverwinning van Donald Trump. Volgens Democraat Katz kunnen steden en horizontale netwerkverbanden een alternatief zijn voor de federale overheid, geleid door Trump. Steden moeten niet te zeer afhankelijk zijn van de nationalistische politiek, aldus Katz. Steden zijn de economische motor én de bestuurlijke arena van de toekomst. Dat is een boodschap die kan rekenen op enthousiasme van stadsbestuurders. Ze zien Bruce Katz als een graag geziene gast op internationale conferenties.

      6.3 Richard Sennett: pleidooi voor een ‘open stad’

      Richard Sennett (Chicago, 1943) is al decennialang een bekende in de academische wereld, vooral bij maatschappijwetenschappers. Sennett is de zoon van een Russische immigrant en groeide op in een achterstandswijk van Chicago. Hij speelde cello, componeerde en had succesvolle optredens, maar zijn studie muziekwetenschappen en het cellospelen moest hij na een mislukte operatie aan zijn linkerhand opgeven. Vervolgens studeerde hij sociologie en later ook geschiedenis, eerst bij David Riesman (The Lonely Crowd) in Chicago en later bij de bekende theoreticus Talcott Parsons (The Social System) in Harvard. Hij doceerde onder meer aan de universiteiten van Harvard en Yale en tot zijn bekende publicaties behoren onder meer: The Fall of Public Men (1977) en The Craftsmen (2008). Sennett ontving meerdere prijzen, waaronder de Hegel-prijs, de Gerda Henkel Prijs en de Spinozalens.

      Vooral met zijn nieuwe boek Building and Dwelling, in het Nederlands uitgegeven onder de titel Stadsleven (2018), heeft Sennett weer de aandacht getrokken van het internationale lezingencircuit in de grote steden. Wat is de belangrijkste boodschap die Sennett wil brengen in zijn boek? Zijn centrale stelling luidt dat in de afgelopen decennia gewerkt is vanuit de visie van de ‘gesloten stad’, een stad die van tevoren bedacht en ontworpen werd door professionals, terwijl voor de toekomst behoefte is aan een ‘open stad’, een stad waar juist niet alles van tevoren nauwkeurig gepland is, maar waar ruimte is voor onvoorspelbaarheden en toevalligheden. Dat klinkt erg abstract en dat is het ook, maar het is wel een signaal dat wordt afgegeven in de richting van een door staat en kapitaal beheerste stad die juist ruimte zou moeten maken voor een meer door burgerinitiatieven en civiele betrokkenheid geïnspireerde stad. Een stelling die overigens grotendeels haaks staat op de gangbare praktijk van stedenbouw en ruimtelijke ordening in het huidige tijdsgewricht.

      Betekent dit dat zijn centrale boodschap eigenlijk al bij voorbaat tegen ‘dovemansoren’ is gezegd? Is de kans dat ‘zijn missie’ op de goede plek terechtkomt feitelijk al bij voorbaat verkeken? Wanneer we het over de stad hebben, aldus Richard Sennett, gaat het om twee van elkaar te onderscheiden (en niet te scheiden) dimensies. Namelijk de stad als een fysieke ruimte met straten, spoorlijnen, kanalen, markten, pleinen, fabrieken, kantoren, woningen, appartementen en wat dies meer zij. Hij noemt dit met een Frans woord ‘ville’. Daarnaast (en ook daartegenover) staat de stad als een geheel van mensen van vlees en bloed, met allemaal hun eigen achtergrond, klasse, ras, etniciteit, cultuur, gewoonten, gebruiken, manieren van denken en doen. Deze dimensie duidt hij aan met het eveneens Franse woord ‘cité’. Met andere woorden: ruimte versus mensen; de stad als fysiek gegeven versus de stad als sociaal gegeven. Wat zou het stadsleven eenvoudig zijn als die twee dimensies naadloos op elkaar zouden aansluiten, wanneer er sprake zou zijn van congruentie tussen ‘ville’ en ‘cité’. De werkelijkheid is echter aanzienlijk weerbarstiger: eigenlijk is er altijd sprake van discongruentie tussen beide.

      Sennett illustreert dit door in te gaan op de ideeën van negentiende-eeuwse stedenbouwers, zoals Haussmann in Parijs met zijn orthogonale model van haaks op elkaar staande straten en grote boulevards, Cerdà’s dambordpatroon in Barcelona, dat als een additief model kan worden getypeerd, en Olmsteds Central Park in New York, waar hij zijn visioen van een ‘geïntegreerd stedelijk leven’ uitprobeerde. De kritiek op deze modellen is dat ze sterk door de ‘ville’ worden bepaald, terwijl de ‘cité’ onderbelicht blijft. Onze steden zijn verpest door het gedachtegoed van Le Corbusier, neergelegd in zijn ‘Plan Voisin’, later verbreed door dit plan als grondslag te gebruiken voor de moderne stedenbouw neergelegd in het Charter van Athene, ‘de bijbel’ van de CIAM. Deze denkbeelden zijn illustratief voor wat Sennett ‘de gesloten stad’ noemt. Hij houdt een pleidooi voor ‘een open stad’, maar wat moeten we daaronder verstaan en hoe is deze te realiseren? Een stad is open wanneer er ruimte is voor (burger)denkbeelden die iets zeggen over het alledaagse leven in de stad. Maar hoe wordt dat bereikt? Daarvoor is echte samenspraak met de burger nodig en niet het type inspraak zoals toegepast bij de ‘gesloten stad’. Socialiteit, een beperkte verbroedering door samen aan iets te werken, is veel beter. In ieder geval veel beter passend bij een bottom-up-benadering die bij de ‘open stad’ hoort.

      Richard Sennett: building and dwelling
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/Bw/Bw_2020_2

      Met deze ‘oplossingen’ blijven de stadsbestuurders toch een beetje met lege handen achter. Immers, wat moeten ze met deze abstracte aanbevelingen? Zijn pleidooi om vooral aandacht te hebben voor de ‘geleefde’ in plaats van de ‘geplande’ stad klinkt plausibel en vindt gewillig gehoor bij menig stadsbestuurder die bij een van zijn lezingen aanwezig is. Sennetts verhaal is boeiend, maar ‘als ik het morgen aan de raad en de burgers moet vertellen, zou ik niet goed weten hoe’, aldus het gevoel bij menig stadsbestuurder. Een stadsgoeroe met een mooi verhaal, maar wat kan men er eigenlijk mee in de praktijk? (Nelissen, 2019).

      Sennett ontvangt kritiek op het punt dat hij de stad beschouwt als generiek mondiaal concept. De stad komt echter in allerlei verschillende vormen en maten voor. Grote plannen kunnen voor Europese steden misschien minder significant zijn, maar voor ontwikkelingslanden noodzakelijk. Misschien is het denken in een voortdurende spanning tussen de geplande en de geleefde stad wel de belangrijkste ‘take away’ van Sennetts recente boek. Bij de transformatie van een stadswijk zijn voorzieningen nodig die passen bij het alledaagse leven, de ‘cité’ van bewoners, maar om klimaatbestendig te zijn hebben wijken ook grotere plannen nodig en die worden gemaakt op het niveau van de ‘ville’ en hogere (inter)nationale schaalniveaus.

      6.4 Benjamin Barber: de importante rol van burgemeesters

      Benjamin Barber (1939-2017) werd in New York geboren en overleed enkele jaren geleden in die stad. Wil je hem toch nog ‘in leven’ zien, ga dan naar YouTube. Type in: ‘Why mayors should rule the world’, een titel bijna gelijknamig aan zijn boek If Mayors ruled the World. Dysfunctional Nations, Rising Cities. Je ziet dan een gedreven mens die niet alleen boeiend zijn verhaal weet te houden, maar dat ook doet op een ingetogen en overtuigende wijze. Je kunt niet alleen veel leren van wat hij zegt, maar ook van hoe hij een en ander brengt. Wat weten we zoal van hem? Benjamin Barber studeerde aan de London School of Economics, waar hij zijn studie in 1961 voltooide. Vervolgens promoveerde hij in 1966 aan Harvard University. In 2001 werd hij benoemd tot hoogleraar civiel recht aan de universiteit van Maryland en van 2007 tot en met 2011 maakte hij onderdeel uit van de denktank ‘Demos’. Hij was adviseur van voormalig president Bill Clinton. Hij publiceerde meerdere boeken, waaronder Jihad vs mcWorld (1995), waarmee hij internationale bekendheid verwierf, maar in dit verband is zijn andere bestseller If Mayors Ruled the World. Dysfunctional Nations, Rising Cities (2013) het meest relevant. In dit laatste boek pleit Barber voor het versterken van de macht van steden, ten koste van de natiestaten. In het bijzonder burgemeesters zouden de voornaamste leiders (moeten) zijn om sturing te geven aan zowel het leven van alledag, als de grote mondiale opgaven. Lokale bestuurders zijn daar volgens Barber beter toe in staat dan hun door allerlei ideologische debatten gekaapte nationale equivalenten. De stelling van Barber waarmee hij zijn idee pakkend illustreert: ‘Presidenten prediken principes, burgemeesters halen de vuilnis op’ (Barber, 2014: 23).

      Benjamin Barber: if mayors ruled the world
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/Bw/Bw_2020_2

      Zijn omvangrijke boek is in enkele punten samen te vatten. In de eerste plaats moeten we ons realiseren dat we tegenwoordig vanwege moderne transport- en communicatiemiddelen dichter bij elkaar staan in de wereld dan ooit het geval is geweest. In de tweede plaats hebben steden vanaf de Klassieke Oudheid steeds een cruciale rol gespeeld bij de loop van de geschiedenis. De vorming van nationale staten heeft ertoe geleid, aldus zijn tweede stelling, dat de rol van steden gedeeltelijk is overgenomen door nationale overheden. Dit heeft ertoe geleid dat de afstand tussen overheid en burger enorm is toegenomen. Op nationaal niveau worden de echte problemen vaak niet onderkend, laat staan dat daar de echte oplossingen worden geboden. De bestaande bestuurlijke structuren om problemen aan te pakken zijn in feite, zo stelt hij ten derde, volstrekt verouderd. Ze zijn pakweg vierhonderd jaar geleden uitgevonden en zijn tegenwoordig eerder de basis van het probleem dan van de oplossing. Het gevolg van een en ander is dat er een asymmetrie tussen problemen en instituties is ontstaan. Zijn vijfde stelling is dat burgemeesters zeer goed weten wat tegenwoordig de echte problemen zijn en welke oplossingen geboden zijn.

      Lokale bestuurders, zoals burgemeesters, zien direct de problemen op straat als zij niets doen. Ze moeten voortdurend laten zien dat ze de stad leefbaar houden. Hun afrekenbaarheid en de korte afstand tot de burger maken de ‘stadstaat’ veel democratischer dan de natiestaat, aldus Barber. Nationale overheden zouden daarom een stapje terug moeten doen en steden meer autonomie moeten geven. Dat is nog eens een geluid waar burgemeesters (en gemeentebesturen) iets mee kunnen en dus ook oor naar hebben. Het pleidooi van Barber heeft veel Nederlandse stadsbestuurders enthousiast gemaakt. Van Aboutaleb in Rotterdam tot Van Zanen in Utrecht, veel burgemeesters voeren al jaren een strijd voor meer lokale autonomie. Ze waren al lang de mening toegedaan dat de centrale overheid te weinig weet van wat er zich dagelijks op lokaal niveau afspeelt. Er wordt, aldus hun mening, te zeer gezocht naar oplossingen die te weinig met de lokale praktijk rekening houden. In plaats van aan een samenkomst van regeringsleiders is er juist nu een grote behoefte aan de uitwisseling van ervaringen van burgemeesters, zeg: lokale overheden.

      Maar hoe zit het dan met de grote vraagstukken zoals klimaatverandering, vluchtelingenbeleid of andere ‘spanningsvolle kwesties’ in de wereld? Die kunnen toch niet enkel op lokaal niveau worden opgelost? Barber stelt echter dat steden hier wel degelijk een belangrijke rol en taak hebben. Want aan burgemeesters toegekende kwaliteiten, zoals hun democratisch gehalte, hun pragmatisme en hun slagvaardigheid (lang leve de ijdelheid!) vragen om een ‘wereldwijd parlement van burgemeesters’. Volgens Barber dwingen de mondiale problemen van vandaag en morgen steden ertoe niet langer te wachten op het beleid van disfunctionerende staten en hun internationale samenwerkingsverbanden. Barber heeft zijn pleidooi geconcretiseerd met het initiatief waar hij zich tot aan zijn dood in 2017 voor heeft ingezet: na verkennende bijeenkomsten in Edmonton en Amsterdam vond op 10 en 11 september 2016 in het World Forum te Den Haag de inaugurele zitting plaats van het Global Parliament of Mayors.

      De vorming van een wereldwijd parlement van burgemeesters lijkt een wenkend perspectief voor grote steden en hun bestuurders. In dat opzicht spreekt Barbers benadering dan ook velen en zeker (gekozen) burgemeesters aan. Een bottom-up georganiseerd samenwerkingsverband van steden en burgemeesters zou weleens een welkome vorm van ‘soft power’ kunnen zijn: een coalitie die problemen weet aan te pakken, waar dat tot dusverre onvoldoende door natiestaten en internationale organisaties is gelukt (Denters, 2015). Het wereldwijde parlement kent een vertegenwoordiging van burgemeesters van zowel megasteden, van grote steden, als van middelgrote steden. Deelnemende burgemeesters moeten tevens hun stedelijke regio vertegenwoordigen, dus ook de kleinere nabijgelegen gemeenten erbij betrekken. Dit vormt wel een kritische succesfactor: in hoeverre zijn netwerkverbanden op hogere schaal, zoals dit wereldwijde parlement van burgemeesters, in staat om lokale identiteit op het kleinste niveau te borgen?

      In algemene zin blijft het de vraag of de wereld inderdaad beter af is als burgemeesters de wereld regeren. Zullen ideologische debatten, die volgens Barber de daadkracht van bestuur in de weg staan, niet ook gewoon plaatsvinden in een parlement van burgemeesters uit alle uithoeken van de wereld (Verheul, 2015)? Op deze vragen zijn natuurlijk geen eenduidige antwoorden te geven. Het is wel een interessante hypothese, maar de kans dat deze ooit getoetst kan worden op houdbaarheid, in de zin dat er daadwerkelijk een wereldwijd parlement van burgemeesters bestaat dat meer is dan een nuttige praatclub en daadwerkelijk nationale bevoegdheden overneemt, lijkt ons inziens uitgesloten. Daarvoor is de werking van de ‘wet van de behoudende kracht van bestaande instituties’ duidelijk te groot.

      De vraag bij dit alles is verder ook of burgemeesters hun positie en kracht niet sterk overschatten. We laten ook maar even buiten beschouwing dat de ene burgemeester niet de andere is: er zijn goede en slechte burgemeesters, actieve en passieve burgemeesters, behoudende en grensverleggende burgemeesters (Reussing, 2018). Ook moeten we ons realiseren dat Barber het heeft over gekozen burgemeesters, met niet slechts ceremoniële maar vergaande uitvoerende bevoegdheden en het (anders dan in Nederland) zelf kunnen benoemen en ontslaan van wethouders. De thans in Nederland door de gemeenteraad geselecteerde burgemeester staat bekend als pragmaticus die bestuurt vanuit het principe van collegiaal bestuur, terwijl een directe verkiezing door het volk de Nederlandse burgemeester een duidelijker politieke agenda zal geven (Verheul & Schaap, 2010). Als iedere burgemeester het volledig voor het zeggen heeft in de eigen gemeente, dan kunnen er bovendien nogal wat differentiaties (en ook contradicties) ontstaan tussen de aanpak van problemen door gemeenten onderling, wat de rechtsgelijkheid ongetwijfeld op de proef zal stellen.

      6.5 Jeb Brugmann: het stimuleren van de ‘veerkracht van steden’

      Uit de informatie over Jeb Brugmann (1957) op zijn eigen website blijkt dat hij zichzelf ziet als een ‘leading practitioner and thinker on strategy and the process of innovation’. Al meer dan 25 jaar helpt hij lokale overheden om profijt te halen uit het proces van globalisering en om wereldorganisaties te interesseren voor lokale projecten. Hij mikt daarbij vooral op innovaties op microniveau (lokale gemeenschap) om doeleinden op macroniveau te bewerkstelligen. In tientallen landen is hij actief om door het opzetten van projecten en door advisering deze visie om te zetten in realiteit. Hij is nauw betrokken bij zulke initiatieven als ‘The City 2.0’ en ‘Local Agenda 21’. Tevens is hij de oprichter van de prestigieuze internationale organisatie ‘100 RC’: honderd ‘resiliant cities’. Hij maakte furore met zijn boek Welcome to the Urban Revolution. How Cities are Changing the World (2009).

      Ook zijn opvattingen over de stad zijn in enkele punten samen te vatten. Zo stelt hij dat de wereld een ‘global city’ geworden is als gevolg van de groei van ‘inter-city netwerken’. Het dagelijks leven op buurtniveau, de ervaringen die mensen daar opdoen en de problemen die zij daar ervaren alsook veroorzaken, weten hun weg te vinden naar andere steden. Op die manier worden ze vraagstukken voor de hele wereld. Dus wees alert op alles wat zich op lokaal niveau afspeelt, want de werking ervan is potentieel wereldwijd. Het specifieke, unieke karakter van buurten en van plattelandsgebieden biedt kansen die benut kunnen en moeten worden. Op dat bijzondere karakter van buurten en plattelandsgebieden moet de toekomststrategie worden afgestemd. Succes is in dit geval gebaat bij het creëren van een ‘tailored city geography’: stedelijk maatwerk. De groei van steden is de komende tijd niet te stuiten. Binnen- en buitenlandse migratie speelt daarbij een belangrijke rol. Migranten proberen op kansrijke plekken in het netwerk van de ‘global city’ hun ambities te verwezenlijken. Dit impliceert dat er de komende jaren miljarden mensen naar de steden trekken. Daarbij is de keuze of deze groepen tot krachtige onderdelen van de stad zijn te maken of dat deze aan hun lot worden overgelaten in ‘parallel cities’. De ontwikkeling van steden, zo stelt hij, is te zeer in handen gekomen van ontwikkelaars, banken, financiële instellingen, bouwbedrijven en andere private partijen. Deze laten zich echter primair leiden door het streven naar winst.

      Jeb Brugmann: welcome to the urban revolution
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/Bw/Bw_2020_2

      De nieuwe urbane realiteit vraagt echter om een herbezinning. We moeten weer op zoek gaan naar wat ‘urbanisme’ eigenlijk inhoudt: ‘Urbanism is the engagement of user-communities to innovate in urban design, infrastructure, building methods, policy, and governance, establishing customized places of unique value and advantage in the world. Real urbanisms align the different interests who compete for an urban location to co-create efficient, productive, resilient places for living and producing value together’ (zie zijn website). Nou, begin er maar eens aan. Volgens Brugmann zijn er inmiddels al meerdere steden die het ‘echte urbanisme’ als uitgangspunt voor hun beleid hanteren. Deze ‘strategic cities’, zoals Barcelona, Chicago of Curitiba, hebben hun succes te danken aan (zo lezen we op zijn website) ‘their ability to renew or create new urbanisms to address their particular strategies and the unique challenges of their historic legacies, populations, industries, and times’. Actieve samenwerking tussen alle betrokken partijen (lokale overheid, bedrijfsleven non-profitorganisaties en burgers is daarbij primordiaal. Dat levert ‘urban productivity’ op.

      Brugmanns pleidooi voor ‘resilient cities’, voor ‘veerkrachtige steden’, gaat uit van de noodzaak van herbezinning op wat urbanisme eigenlijk is, of beter gezegd: dient te zijn. Het gaat om een rigoureus (ethisch normatief) appel op de essentie van stedelijkheid. De echte kansen van steden liggen in hun buurten, in hun unieke geografische, ruimtelijke, sociale en culturele identiteit. Op basis daarvan moet in gezamenlijkheid worden gewerkt aan de toekomst van de ‘global city’. Het gaat om een integrale en holistische kijk op het wereldwijde netwerk van steden. De vraag bij dit alles is of hier sprake is van een realistisch uitgangspunt of van ‘wishful thinking’. De weerbarstigheid van de stedelijke problematiek doet eerder het laatste dan het eerste vermoeden. Hoe dit ook zij, Brugmanns kijk op de globaliserende wereld is er een die ertoe doet. Het is niet zonder reden dat hij voor zijn werk (financiële) steun krijgt van de prestigieuze Rockefeller Foundation. Hij is de drijvende kracht achter het ‘100 RC Network’, dat door de genoemde stichting financieel wordt gesteund. Overal zien we steden die zich momenteel buigen over vraagstukken van ‘resiliency’. Het is een concept met een positieve connotatie waar weinigen tegen zullen zijn. Of er echt handen en voeten gegeven wordt aan veerkrachtige steden, zal moeten blijken als zich nieuwe ‘stadsschokken’ voordoen.

    • 7 Stadsgoeroegeluiden gewogen

      Wat is het gemeenschappelijke dat wij in de ‘hedendaagse stadsgoeroegeluiden’ kunnen ontdekken? Wat is de gemene deler die in hun publicaties terug te vinden is? Is er überhaupt iets dat gemeenschappelijk is of zijn het slechts ‘langs elkaar heen schurende stadspanacees’, een ‘hoorn des overvloeds van pretentievolle wondermiddelen’? Volgens ons is er wel degelijk sprake van een zekere gemeenschappelijkheid in hun visies, die samengebracht kan worden in de volgende punten:

      1. Steden worden door hedendaagse stadsgoeroes zowel als locus, alsook als het oplossingskader van de ‘grote problemen der aarde’ gezien.

      2. Door alle hedendaagse stadsgoeroes wordt benadrukt dat de urgentie om ‘stadsproblemen’ aan te pakken groter is dan ooit.

      3. Bij die aanpak wordt door de besproken stadsgoeroes een ‘primordiale rol’ aan de lokale overheid en de lokale gemeenschap toegekend.

      4. Meer dan ooit, zo is uit hun geschriften af te leiden, zijn burgerinitiatieven (bottom-up) niet alleen maar een welkome aanvulling op het handelen van de lokale overheid (top-down), maar ze zijn een ‘absolute voorwaarde’ om de stadsproblemen op te lossen.

      5. Om dit alles in een ‘lumineuze oneliner’ samen te vatten: ‘Steden moeten minder volgens grootse plannen, maar meer ‘open’, volgens het alledaagse leven van bewoners ontwikkeld worden (Richard Sennett), gebaseerd op de innovatieve kracht van de “eigen lokaliteit” (Bruce Katz), waarbij de creatieve sector als productie- en consumptiefactor steden aantrekkelijk maakt (Richard Florida) en waarbij niet alleen de aanpak van lokale, maar zelfs mondiale problemen het beste kan worden geleid door (een netwerk van) burgemeesters (Benjamin Barber), zodat steden veerkrachtiger (Jeb Brugmann) antwoorden kunnen vinden op de uitdagingen van vandaag en morgen.’

      6. Een opvallend verschil tussen de utopisten die in de afgelopen eeuwen hun ‘stadsideaal’ presenteerden en ‘de hedendaagse stadsgoeroes’, is dat de utopisten van toen een normatief ‘stadseindbeeld’ voor ogen hadden, terwijl ‘de hedendaagse stadsgoeroes’ veel meer attenderen op ‘gesignaleerde urbane trends’ en handreikingen bieden om deze trends via lokale interventies in de door hen gewenste richting te sturen.

    • 8 Stadsgoeroe tegen wil en dank

      Wie de boeken van de hedendaagse stadsgoeroes leest, krijgt het idee dat ze voor ieder stedelijk probleem een oplossing hebben. Om die reden is de term ‘goeroe’ op z’n plaats. Immers, het substantief ‘goeroe’ wordt behalve voor een spiritueel leider ook wel gebruikt voor bekende personen wier meningen een hoog aanzien genieten. Zeker in deze laatste betekenis van het woord kan men personen als Richard Florida, Bruce Katz, Richard Sennett, Benjamin Barber en Jeb Brugmann als goeroes zien op het gebied van ‘le phénomène urbain’. Het zijn de vedetten die vaak gevraagd worden als ‘keynote-speaker’ op (inter)nationale congressen en conferenties. Een volle zaal is dan gegarandeerd. Voor organiserende instanties is het prestigieus om dit soort mensen uit te nodigen. Men heeft er doorgaans een flink bedrag voor over. Dat geldt ook voor hun adviesrapporten. Stadsbestuurders verwachten hun beleidsplannen beter te verkopen als ze direct of indirect worden ondersteund door adviezen van internationale wetenschappers van naam en faam.

      Voor de personen in kwestie is het vaak delicaat om als goeroe bestempeld te worden. De wetenschappers en adviseurs waar we het hier over hebben, zijn daar niet echt happig op. Ze zien zichzelf namelijk helemaal niet als een goeroe. Het is een etiket dat hen wordt opgeplakt. Het zijn geen ‘zelfbenoemde goeroes’, maar ‘goeroes tegen wil en dank’. Gegeven de pejoratieve connotatie van het etiket goeroe is er bij hen zelfs een weerstand om op die manier te worden betiteld. Maar sociale realiteiten construeren zichzelf, immers ‘you are what people think you are’. Als je als goeroe wordt gezien, wordt er ook gehandeld alsof je een goeroe bent. Hoe dit ook zij, het is ons inziens verstandig om toch vooral te letten op wat deze personen daadwerkelijk te zeggen hebben en of hun adviezen daadwerkelijk tot verbeteringen leiden.

      Wat de ‘hedendaagse stadsgoeroes’ beweren, is zeker als significant te kwalificeren. Hun kijk op het stedelijk fenomeen is niet alleen boeiend, maar ook origineel. Dat neemt niet weg dat op ieders gedachtegoed het nodige aan te merken valt, wat ook blijkt uit het kritische commentaar dat we bij alle vijf de goeroes hebben gegeven. Als gemeenschappelijke noemer in de kritiek is te onderkennen dat ze allemaal uitgaan van een ‘eendimensionale werkelijkheidsdefinitie’, van het overaccentueren van de eigen kijk op de zaak, van welomlijnde oplossingssuggesties en van het geloof in ‘the one best way’. In dat opzicht voegen de hedendaagse stadsgoeroes zich in de lange stoet van ‘producenten van stadsidealen’ die we kennen vanaf het ontstaan van steden. Dat is geen diskwalificatie, maar een waardering voor het feit dat ze een betekenisvolle bijdrage aan het debat over de stad hebben geleverd. Maar ook hun gedachtegoed zal te zijner tijd worden bijgezet in het ‘panopticum van veronderstelde universele oplossingen’. De hier besproken goeroes zijn geen profeten, maar ook geen charlatans; het zijn weldenkende mensen die wat markanter dan anderen hun ‘stadsideeën’ voor het voetlicht weten te brengen. Ze worden daarbij geholpen door ‘uitgeversfabrieken’ die er alles aan doen om de auteurs en hun publicaties te ‘vermarkten’.

      Ook voor de geluiden van de ‘hedendaagse stadsgoeroes’ geldt dat we ze moeten begrijpen binnen de specifieke tijd en ruimte, de context, waarin ze tot stand zijn gekomen. Stadsgoeroes zijn met hun pakkende verhalen (en pasklare antwoorden) in staat om een groot publiek aan te spreken, een publiek dat niet alleen bestaat uit een selecte groep wetenschappelijke onderzoekers, maar ook uit bevlogen stadsbestuurders die aan de dagelijkse problemen van de stad werken. De ‘hedendaagse stadsgoeroes’ bieden inspiratie en geven handelingsperspectief. Zolang er maar plaats is voor enige relativering en prudentie bij ‘blauwdrukken voor de stad’, kan dit alles zeker geen kwaad (Verheul e.a., 2019). Het is zelfs aan te bevelen dat stadsbestuurders daadwerkelijk kennisnemen van hun gedachtegoed! Mogelijk kan dit essay in dit opzicht een stimulans zijn (en hun ook veel leeswerk besparen).

    • 9 Sturingsvragen

      Als we reflecteren op de bijdragen van de besproken stadsgoeroes, dan roept dat voor de bestuurskunde belangrijke vragen op. Alle besproken stadsgoeroes constateren een groeiende populariteit van steden en verwachten ook dat steden en stedelijke netwerken de passende locus bieden om uiteenlopende maatschappelijke problemen te lijf te gaan. Als dat zo is, dan zullen we de bestuurlijke mechanismen en de bevoegdheden van stadsbesturen nader op hun effectiviteit en passendheid moeten beoordelen:

      1. Zijn de steden en hun alledaagse gemeenschappen op dit moment wel voldoende in staat om zelf de lokale problemen op de woningmarkt (de druk op de stad) op te lossen, de benodigde fysieke infrastructuur te financieren, in de zorgvragen van sociaal zwakkeren te voorzien? Vragen als deze dwingen ons om verder na te denken over de financiële en juridische verhoudingen in het binnenlands bestuur en na te denken over welke eventuele wijzigingen daarvoor nodig zijn.

      2. Welke plaats heeft het stadsbestuur in de aanpak van wereldwijde maatschappelijke kwesties? Het geloof van de stadsgoeroes in het probleemoplossend vermogen van steden voor nationale en internationale vraagstukken is groot. Dit vraagt om het kritisch doordenken van ons internationaal bestuur en in het bijzonder de rol van steden daarin. In hoeverre en op welke wijze kunnen steden effectief beleid ontwikkelen en uitvoeren als het gaat om mondiale vraagstukken zoals klimaatverandering, energie, terrorisme, geopolitieke spanningen en handelsoorlogen? Op het eerste gezicht lijken nationale overheden machtiger, slagvaardiger en efficiënter te zijn ten opzichte van al die duizenden steden. Of zijn er gelegenheidscoalities tussen steden en hun landen mogelijk?

      3. Hoe verhouden steden zich tot steeds machtiger wordende multinationals, vastgoedbeleggers, banken en invloedrijke IT-bedrijven (denk aan Google, Facebook, Apple, Amazon) die vergaand in de persoonlijke levenssfeer treden? Op welke wijze zijn steden in staat om tegenover deze private machtsconcentraties publieke belangen en democratische waarden te borgen?

    • 10 Stad van verschil

      De stadsgoeroes vragen ons om oog te hebben voor de stad, maar dat betekent wat ons betreft ook oog hebben voor verschillen. Want iedere stad en iedere stadsbewoner is anders, en dat vraagt om een duiding van de ‘stad van verschil’. De populariteit van de stad leidt tot een toename van die verschillen en die stellen ons voor verschillende afwegingen en sturingsvraagstukken. We kunnen daarbij een onderscheid maken tussen:

      1. Urbaan-rurale differentiaties. In Nederland zien we al dat de ongelijkheid tussen steden en regio’s geleidelijk groter wordt. Er is een trek van vooral hoger opgeleiden naar de grote steden in het westen van Nederland. Zij keren meestal niet meer terug naar de plaats waar ze vandaan kwamen. De groei van werkgelegenheid en van culturele voorzieningen volgt deze beweging. We zien in de ontwikkeling van de huizenprijzen dat met name de Randstad en in het bijzonder Amsterdam aantrekkelijk zijn, ten koste van de perifeer gelegen plaatsen. Meer autonomie in de vorm van lokale belastingruimte en beleidsvrijheid zal dit proces vermoedelijk versterken. Grotere steden met draagkrachtiger inwoners kunnen meer belastinginkomsten genereren en daarmee zorgen voor een goed voorzieningenniveau. In de krimpende gebieden is dat veel lastiger. Hoe ver gaan we met de (financiële) zorg voor krimpende en andere perifere gebieden? In hoeverre kiezen we voor verdelende rechtvaardigheid door middelen over het land uit te smeren en infrastructuur tussen stad en land aan te leggen en te onderhouden?

      2. Inter-urbane differentiaties. In het spreken over de stad zijn we al snel geneigd alle steden op één hoop te gooien, maar de verschillen tussen grote steden en kleine steden in een land, tussen oude en nieuwe steden (laat staan tussen steden in de westerse en de oosterse delen van de wereld) zijn soms enorm. Het is de vraag in hoeverre we met nationaal beleid daar rekening mee houden. Zo zijn de sociaaleconomische karakteristieken van Rotterdam heel anders dan die van Apeldoorn. En is de werkgelegenheid van Amsterdam heel anders dan die van Terneuzen. Op internationale schaal ontstaan supersteden, die een ‘global network hub’ zijn van een reizende klasse, die daar soms maar kort verblijft, niet stemt, en weinig of geen belasting betaalt. In hoeverre vraagt dat om een ander beleid voor een stad als Leeuwarden, waar het merendeel van de inwoners uit de eigen stad of regio komt en daar ook aan verbonden blijft?

      3. Intra-urbane differentiaties. Met de groei van de stad ontstaat voor veel steden een steeds diverser wordende populatie, met een mozaïek van culturele achtergronden. Daarnaast nemen de inkomensverschillen binnen steden toe. De arme wijken blijven hun aantrekkingskracht houden op migranten die op voorspoed hopen en noodgedwongen in de goedkoopste wijken terechtkomen. Tegelijkertijd neemt de druk op de mooiste buurten en huizen toe, doordat internationale rijken en expats willen leven in de stadswijken met de nabijheid tot de beste culturele en groene voorzieningen. Internationale vastgoedbeleggers zijn zich daarvan bewust en zorgen met hun woningaankopen voor een verder prijsopdrijvend effect. Door de hoge woonlasten wordt het levensonderhoud duurder, en daarmee neemt het besteedbaar inkomen voor met name de midden- en lagere inkomensklassen af. Steden staan voor de uitdaging om na te denken in hoeverre zij het leven betaalbaar houden voor iedereen, in het bijzonder voor de benodigde onderwijzers, zorgpersoneel en dergelijke. Het stelt ons in de kern voor de vraag: ‘Van wie is de stad eigenlijk?’

    • 11 Slot

      Voor vragen als deze hoeven we niet alleen stadsgoeroes te raadplegen, maar zijn we ook zelf aan zet, door ons af te vragen: Wat kan er in de stedelijke arena georganiseerd worden, en wat niet? Voor wie bedenken we een oplossing en op welke wijze? De toenemende urbanisatie van de wereld vraagt aan iedereen die aan stedelijk vraagstukken werkt om de hedendaagse uitdagingen te vertalen naar het niveau van de ‘eigen’ stad. De demografie maakt ons immers duidelijk dat stadsleven geen verschijnsel is voor slechts een deel van de samenleving, maar dat leven in de stad ‘het nieuwe normaal’ is geworden. Stadsleven betreft ‘geen eenduidige vorm en norm’, want steden verschillen van elkaar in omvang, populatie en in fysieke, sociale en culturele structuren en instituties. Daardoor blijven steden een boeiend fenomeen en zullen – net als de afgelopen drieduizend jaar – voortdurend nieuwe stadsidealen worden bedacht en nieuwe stadsgoeroes opstaan. Gelukkig maar!

    • Literatuur
    • Bruijn, J.A. de, E.F. ten Heuvelhof & R.J. in ’t Veld, Procesmanagement. Over procesontwerp en besluitvorming, Den Haag: 1998.

    • Denters, S.A.H., ‘Op weg naar een wereldwijd parlement van burgemeesters?’, Bestuurswetenschappen, 2015/1, p. 6-7.

    • Dirks, B., ‘Toekomstgoeroe Rotterdam niet goed snik’, de Volkskrant, 7 oktober 2015.

    • Eaton, R., Die ideale Stadt. Von der Antike bis zur Gegenwart, Berlijn: 2003.

    • Ernste, H. & F. Boekema, De cultuur van de lokale economie. De economie van de lokale cultuur, Assen: 2005.

    • Florida, R., The rise of the creative class, Londen: 2002.

    • Florida, R., The new urban crisis, New York: 2017.

    • Jean, G., Voyages en utopie, Parijs: 1994.

    • Klerk, L.A. de, Op zoek naar de ideale stad, Deventer: 1980.

    • Marlet, G. & C.M.C.M. van Woerkens, ‘Het economisch belang van de creatieve klasse’, Economisch Statistische Berichten, 2004/4435, p. 280-283.

    • Nelissen, N.J.M., De stad. Een inleiding tot de urbane sociologie, Deventer: 1974.

    • Nelissen, N.J.M., Op zoek naar de hemel op aarde. Stadsidealen door de eeuwen heen, Maastricht: 2013.

    • Nelissen, N.J.M., ‘Magische formules voor steden ter discussie; Richard Florida’s “The new urban crisis”’, Bestuurswetenschappen, 2017/4, p. 63-75.

    • Nelissen, N.J.M., ‘Stadsleven. Pleidooi voor een “open stad”’, Bestuurswetenschappen, 2019/3, p. 73-81.

    • Nelissen, N.J.M. (ed.), De stad van de toekomst. Tussen crisis en renaissance, Zeist: 1988.

    • Nelissen, N.J.M., P.J.M. de Goede & M. van Twist, Oog voor openbaar bestuur. Een beknopte geschiedenis van de bestuurskunde, Amsterdam, 2004.

    • Peck, J., ‘Struggling with the creative class’, International Journal of Urban and Regional Affairs, 2005/4, p. 740-770.

    • Reussing, G.H., ‘Spraakmakende lokale bestuurders en grensverleggend lokaal bestuur’, Bestuurswetenschappen, 2018/ 2, p. 40-71.

    • Rifkin, J., The third industrial revolution. How lateral power is transforming energy, the economy, and the world, Londen: 2011.

    • Rottier, H., Het verleden van steden. 4.000 jaar bouwen en verbouwen in Europa, Leuven: 2004.

    • Scott, A.J., ‘Creative cities. Conceptual issues and policy questions’, Journal of Urban Affairs, 2006/1, p. 1-17.

    • Teisman, G.R., Ruimte mobiliseren voor coöpetitief besturen. Over management in netwerksamenlevingen, oratie Erasmus Universiteit Rotterdam, Rotterdam: 2001.

    • Verheul, W.J., ‘Wat als burgemeesters het echt voor het zeggen hebben?’, Gebiedsontwikkeling in beweging, Delft: 2015, p. 7-10.

    • Verheul, W.J. & T.A. Daamen, ‘Stedelijke ontwikkeling als emergente adaptieve strategie’, Bestuurswetenschappen, 2014/ 4, p. 68-88.

    • Verheul, W.J., T.A. Daamen, E. Heurkens, F. Hobma & S. van Zoest, Leren van stedelijke transformaties. Over sturingsdilemma’s en veerkracht in binnenstedelijke gebiedsontwikkeling, Den Haag: 2019.

    • Verheul, W.J. & T. Pluijmen, ‘Succes innovatiedistrict staat of valt met de ruimtelijke condities’, Gebiedsontwikkeling 2 Go, Delft: 2018.

    • Verheul, W.J. & L. Schaap, ‘Strong leaders? The challenges and pitfalls in mayoral leadership’, International Journal of Public Administration, 2010/2, p. 439-454.

    • Zeemeijer, I., ‘Nederland barst van de innovatievalleys, clusters en delta’s’, Het Financieele Dagblad, 8 mei 2016.

Dit artikel is mede gebaseerd op colleges uit de post-initiële masteropleiding Master City Developer (EUR & TUD), waarvoor beide auteurs regelmatig doceren.