DOI: 10.5553/BenM/138900692017044001004

Beleid en MaatschappijAccess_open

Casus

‘De beroepstrots van academici’

Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Dr. Tamara Metze. (2017). ‘De beroepstrots van academici’. Beleid en Maatschappij (44) 1, 42-45.

Dit artikel wordt geciteerd in

      Een Maagdenhuisbezetting, Kamervragen, ludieke acties zoals de verkiezing van de langst zittende flex-academicus, maar ook serieuze voorstellen voor andere soorten wetenschappelijke (management)praktijken; in de afgelopen jaren is er al veel gedebatteerd en geschreven over de stand van de wetenschap. Steeds is de conclusie dat academici op ten minste drie manieren onder druk staan: (1) publish or perish, (2) haal geld binnen of blijf voor eeuwig flexwerker, en (3) goed onderwijs wordt nauwelijks beloond. Recent onderzoek van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) bevestigt dat 79 procent van de 2500 ondervraagde universiteitsmedewerkers de werkdruk te hoog vindt.1x http://platform-hnu.nl/wp-content/uploads/2017/01/FNV-Rapport-Werkdruk-universiteiten.pdf. Deze druk wordt vaak gekoppeld aan de kwaliteit van de wetenschapsprestaties. Steeds meer academici moeten toegepast onderzoek, zelfs opdrachtonderzoek doen. Daardoor neemt de kans op belangenverstrengeling en ‘slodderintegriteit’ toe.2x www.scienceguide.nl/201611/bevordert-nwo-slodderintegriteit.aspx. De kleine onderzoeksgebieden en fundamenteel onderzoek delven systematisch het onderspit. De diepgang en diversiteit van kennis dreigen verloren te gaan. Bovendien is er geen tijd meer om goed onderwijs te geven. Dus studenten zijn ook de dupe.
      Deze reuring roept de vraag op waarom academici dan toch verknocht blijven aan hun professie. Waarom willen zij verbonden blijven aan een universiteit die als ‘koekjesfabriek’ gemanaged wordt? Wat vinden zij zelf excellent onderzoek en onderwijs? Waar zit hun engagement? Wat vinden zij aanvaardbare vormen van tweede en derde geldstroomonderzoek? Wat zijn hun ethische opvattingen over de academische praktijk? Kortom, wat is de beroepstrots van academici die werken in het mijnenveld van ‘effectief en transparant nieuw publiek management’?
      In dit Dossier gaan we eens niet (alleen) azijn pissen over de misstanden in het management van de academie, maar zoeken we naar alternatieven en nuances die ondergesneeuwd raken in het publieke debat over de stand van de wetenschap. Die nuances liggen vooral in de relatie wetenschap, beleid en maatschappij.
      De eerste bijdrage is van prof. dr. Gabriël van den Brink, die samen met Thijs Jansen en Wout Scholten een onderzoek uitvoerde naar wat zij ‘Goed Werk’ van academici noemen. Geïnspireerd op de drie E’s van excellentie, ethiek en engagement ondervroegen zij wetenschappers in interviews en focusgroepen en in een enquête naar wat zij ‘goed academisch’ werk vinden. Een van de interessante bevindingen in het boek is dat respondenten uit de enquête aan excellentie (topkwaliteit) en engagement (het realiseren van waarden op persoonlijk gebied) een bijna even groot gewicht toekennen: ‘Gemiddeld over alle vakgebieden vindt 37 procent het streven naar topkwaliteit van belang en 38 procent het realiseren van waarden op persoonlijk gebied. Het dienen van publieke waarden is voor 23 procent van belang’ (Van den Brink, Scholten & Jansen, 2016, p. 88). De onderzoekers vroegen de respondenten ook naar een inschatting van het belang van deze drie E’s voor universitaire instellingen. Dat levert de grafiek in figuur 1 op.

      Figuur 1 Gemiddelde scores van de drie dimensies van Goed Werk door respondenten (lichtgrijs) en instellingen (donkergrijs) (bron: Van den Brink e.a., 2016, p. 89)
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/BenM/BenM_2017_1

      Volgens de respondenten streven de instellingen in de eerste plaats naar het leveren van wetenschappelijke kwaliteit (excellentie). Ook vinden instellingen het realiseren van publieke waarden (ethiek) een belangrijke zaak (38 procent). De waarden op persoonlijk gebied (engagement) halen een zeer lage score van 2 procent (Van den Brink e.a., 2016, p. 89). Van den Brink is op basis van dit onderzoek in zijn bijdrage aan dit Dossier toch pessimistisch en signaleert drie spanningen die te duiden zijn als een mismatch tussen de leefwereld van academici en de systemische omgeving die hun persoonlijke, academische en maatschappelijke waarden dwarsboomt.
      Daarna komt prof. dr. Huub Dijstelbloem aan het woord. Eerder pleitte hij samen met andere onderzoekers onder de noemer ‘Science in Transition’ voor een ander soort wetenschap. Zij schreven in hun position paper onder meer:

      ‘Er moet meer waardering komen voor de maatschappelijke meerwaarde en maatschappelijke stakeholders moeten meebeslissen over de kennisproductie. Het is bovendien cruciaal dat het publiek beter gaat begrijpen hoe wetenschap tot stand komt en welke belangen een rol spelen.’

      Pleiten zij daarmee voor toegepast onderzoek ten dienste van beleid en politiek? Ondermijnen zij dan niet onafhankelijk en fundamenteel onderzoek? Verlaat de wetenschap dan de ‘waarheid’ als broodnodige antidotum tegen fakenieuws en feitenvrije politiek? In deze bijdrage laat Dijstelbloem zien dat het genuanceerder ligt. De tegenstelling feitenvrije politiek en feitenrijk onderzoek bestaat niet: feiten zijn ‘zwanger van theorie’, zoals Dijstelbloem schrijft. Dat betekent dat er normatieve aannames achter liggen. Ten tweede kan de wetenschap een claim op de waarheid van feiten leggen, maar zij heeft niet voor het zeggen hoe deze feiten geïnterpreteerd worden in de politiek. Bovendien veranderen feiten ook de werkelijkheid. We moeten dus anders denken over feiten en over wetenschap, zeker in relatie tot beleid en politiek, aldus Dijstelbloem.
      Prof. dr. Esther Turnhout pakt op dit punt door. Deze hoogleraar in de politiek van wetenschap laat zien wat een genuanceerde gedachtegang over de relatie wetenschap en beleid en politiek voor de beroepstrots van academici betekent. Haar punt is dat niet alleen individuele academici steeds opnieuw integer – onafhankelijk en op basis van waarden – moeten handelen, maar dat dit integer handelen relationeel is. Individuele wetenschappers en ook de wetenschap in haar algemeenheid moeten reflecteren op wat integer handelen is, niet alleen naar binnen gekeerd als professie, maar juist in de verschillende relaties die zij aangaan met maatschappij, beleid en politiek. Er zijn verschillende rollen aan te nemen als academicus. De rol en de bijbehorende integriteit hangen af van de relatie tot de samenleving. Het lineaire kennismodel, waarin wetenschappers de waarheid aan de beleidsmakers vertellen, bestaat ook volgens Turnhout niet. Zij illustreert dit op prachtige wijze met het voorbeeld van Wagenings onderzoek naar de kosten van statiegeld. Ondanks hun inzet om onafhankelijk onderzoek uit te voeren raakten de onderzoekers en vooral hun onderzoek inzet in een politieke strijd. Dit is aan de orde van de dag. Sla er bijvoorbeeld het onthullende boek Merchants of Doubt van Oreskes en Conway (2010) eens op na. Of lees het artikel ‘How science makes environmental controversies worse’ van Daniel Sarewitz (2004). Feiten zijn dus niet alleen selectief, ze zijn ook onvermijdelijk selectief te gebruiken, aldus Turnhout. Integer handelende onderzoekers zijn niet genoeg, er zijn andere actoren betrokken. Daarom moeten academici op een bewustere manier kiezen welke rol zij aannemen en daarover transparant zijn. Mogelijke rollen zijn die van scheidsrechter, pleitbezorger, kennismakelaar of misschien participatief expert. Echter, het is geen optie om zich als wetenschapper te onttrekken aan normen-en-waardenkaders. Wetenschappers moeten niet alleen 'de dingen juist doen, maar ook de 'juiste dingen doen', aldus Turnhout.
      Tot slot, de drie essays samen bieden hoop. Ondanks dat de systeemwereld in de ogen van meer dan 2000 academici weinig ruimte laat voor het realiseren van waarden (dit zijn niet per se belangen!) op individueel gebied, kunnen we op basis van Turnhout constateren dat het transparant maken en reflecteren op individuele waarden aanknopingspunten bieden voor academici om nieuwe verhoudingen tot beleid en maatschappij aan te gaan. De enige uitweg uit de illusie van de tegenstelling tussen feitenrijke wetenschap en feitenvrije politiek – om met Dijstelbloem te spreken – is om expliciet individuele waarden te verbinden aan maatschappelijke waarden. Met andere woorden: de verbinding tussen ethiek en engagement van Goed Werk moet hersteld worden. Vanuit die verbinding kunnen academici en hun bestuurders reflecteren op wat excellent onderzoek is. Dat maakt het mogelijk om op transparante, reflectieve en bewuste wijze met die individuele en meer geïnstitutionaliseerde academische waarden om te gaan. Altijd in relatie tot een samenleving: opdrachtgevers, beleidsmakers, politiek maar ook andere maatschappelijke actoren. Juist in interactie. Dit lijkt veel op de transitie die ook ‘Science in Transition’ voorstaat. Niks gedachteloos de opdrachtgever volgen of verzanden in broddelwerk, maar juist expliciete democratisering van de wetenschap. Vanzelfsprekend vereist dit ook aanpassingen op het organisatorische niveau van de academie en minder werkdruk en perverse prikkels voor werknemers. Bovendien is er bij andere actoren, zoals politici, beleidsmakers en andere belanghebbenden, ook nog wel wat werk te verrichten. Maar daar komen we vast een andere keer weer over te spreken.

      Literatuur
    • Brink, G. van den, Scholten, W., & Jansen, Th. (red.) (2016). Goed werk voor academici. Culemborg: Stichting Beroepseer.

    • Oreskes, N., & Conway, E.M. (2010). Merchants of Doubt: how a handful of scientists obscured the truth on issues from tobacco smoke to global warming. New York: Bloomsbury Press.

    • Sarewitz, D. (2004). ‘How science makes environmental controversies worse’. Environmental Science & Policy, 7: 385-403.

    Noten


Print dit artikel