DOI: 10.5553/Bw/016571492015069001004

Bestuurs­wetenschappenAccess_open

Discussie

Overwegingen over een Wereldwijd Parlement van Burgemeesters

Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Prof. dr. Eric Corijn, 'Overwegingen over een Wereldwijd Parlement van Burgemeesters', BW 2015-1, p. 24-32

Dit artikel wordt geciteerd in

      De kern van Benjamin Barbers boek is volgens Eric Corijn dat er een legitiem politiek gezag ingesteld moet worden dat enige mate van besturing en regulering kan toevoegen aan het wereldsysteem. Er is binnen het wereldsysteem een democratisch tekort ontstaan door de globalisering waar internationale politieke en economische besluiten worden genomen zonder dat daarbij een rol is weggelegd voor burgers in de burgermaatschappij (‘civil society’). Corijn ziet vier sterke argumenten om de politieke rol van burgemeesters te versterken via een Wereldwijd Parlement van Burgemeesters. Verder bespreekt hij drie structurele, wereldwijde uitdagingen die beter aangepakt kunnen worden door steden dan door de disfunctionele naties: a) onze verhouding tot de natuur, b) de groeiende sociale ongelijkheid, c) de superdiversiteit als het resultaat van migratie en sociaal-culturele verscheidenheid. Hierbij moet het Wereldwijd Parlement van Burgemeesters vooral pragmatisch te werk gaan.

    • 1 Inleiding

      In hoofdstuk 12 van zijn boek If mayors ruled the world. Dysfunctional Nations, Rising Cities (2013), bespreekt Benjamin Barber het idee van een Wereldwijd Parlement van Burgemeesters (WPB). We leven in een wereld van onderling verbonden steden en van elkaar afhankelijke burgers. Globalisering betekent ook verstedelijking. Dat harde feit is zichtbaar in de vele bestaande netwerken van steden en in de opkomst van een wereldwijde burgermaatschappij (‘civil society’). Die netwerken zijn al op grote schaal verantwoordelijk voor uitwisseling, benchmarking, bi- en multilaterale samenwerking en, in het geval van de meer thematische netwerken, voor gerichte agendering. Er is geen behoefte aan nog meer netwerken. Wellicht dat er een behoefte is aan verdere integratie, aan bredere of meer inclusieve netwerken, aan een netwerk van netwerken: ze vertegenwoordigen ieder immers maar een klein deel van de mondiale stedelijkheid en werken binnen een heel specifiek kader. Er is ruimte om na te denken over hoe te komen tot betere integratie.

      Maar dat is niet het centrale argument van Barbers boek. Uit het gehele werk van de auteur blijkt een zoektocht naar democratisch toezicht, naar sterker democratisch burgerschap, naar legitieme macht in een wereld die overgeleverd is aan de markt, aan private belangen en in het bijzonder aan een specifieke ondemocratische tweestrijd. Ik verwijs daarbij naar Jihad versus Mac World1xBarber, B., Jihad vs McWorld, New York: 1995., het boek waarin Barber globalisme en tribalisme presenteert als de twee kanten van dezelfde medaille die beiden de democratie bedreigen. Het is nu juist op dat gebied dat naties disfunctioneel zijn. De internationale politiek voert geen democratisch en transparant toezicht op het wereldsysteem en lijkt niet in staat te zijn een inclusieve maatschappij te leveren die over parochialisme en tribalisme kan uitstijgen. En dat is waarom steden de wereld zouden moeten ‘beheersen’. Want, zo luidt het argument, de complexiteit van het stedelijk systeem doet niet veel onder voor dat van het wereldsysteem, terwijl door meer pragmatisme, en de nabijheid en de urgentie van problemen het stedelijk bestuur tot een meer adequate beheersing van deze vraagstukken in staat lijkt. Deze stelling wordt over het hele boek systematisch uitgebouwd. Mocht er eens geen overtuigend bewijs voor deze stelling zijn, dan wordt aangetoond dat het bestaande statensysteem, de natiestaat en zijn politieke stelsel, de oplossing van deze vraagstukken in de weg staat: omdat naties zowel de controle over binnenlandse zaken hebben verloren als niet in staat zijn mondiale aangelegenheden te besturen. De kernvraag is dus: hoe kunnen we politieke macht creëren om de grote vraagstukken op de wereldagenda aan te pakken? Dat is waar Barber een beroep doet op de burgemeesters:

      It is only to understand that to govern their cities effectively, they may have to play some role in governing the world in which their cities fight to survive. In governing their cities cooperatively to give their pragmatism global effect, mayors need not await the cooperation of the disunited United Nations, the special interest permeated international financial institutions, private-market multinational corporations, or centuries old dysfunctional nations.’ (Barber, 2013: 338).

      De kern van de argumentatie is dus dat er een legitieme politieke autoriteit moet worden ingesteld die enige extra sturing en controle kan toevoegen aan het wereldsysteem. Er is een democratisch tekort ontstaan door het globaliseringsproces, waarin internationale politieke en economische besluiten worden genomen zonder dat daarbij voor de burgers, de publieke opinie en het maatschappelijk middenveld een rol is weggelegd. Dat democratisch tekort moet worden opgevuld. Dit roept twee vragen op die antwoorden behoeven. Waarom zouden steden hierbij een rol moeten spelen? En wat is de wereldagenda die door een WPB moet worden bepaald dan eigenlijk?

    • 2 Waarom zouden burgemeesters ‘wereldpolitici’ moeten worden?

      In de grond zie ik vier sterke argumenten om de politieke rol van burgemeesters te versterken via een ‘Wereldwijd Parlement van Burgemeesters’ of een ‘Wereldvergadering van Steden’.

      a) Ten eerste is er het onweerlegbare feit dat globalisering zich uit als verstedelijking. Het grotere deel van de wereldbevolking (54%) leeft nu in steden2xhttp://www.who.int/gho/urban_health/situation_trends/urban_population_growth_text/en/ en dat staat lijnrecht tegenover het idee van de democratische staatsvorm gebaseerd op aan territoria gebonden, min of meer homogene bevolkingen. In de spanne van één eeuw is het aantal mensen dat leeft in steden gegroeid van 220 miljoen (1900) tot bijna 5 miljard (2030). In 1950 waren er 83 steden met een bevolking van meer dan 1 miljoen, nu zijn er 400 stedelijke gebieden die zo veel inwoners tellen. In 1950 had alleen New York meer dan 10 miljoen inwoners, nu zijn er 28 dergelijke megasteden, aangevoerd door Tokio, met 39,4 miljoen inwoners3xhttp://www.citypopulation.de/world/Agglomerations.html.

      b) Ten tweede heeft de wereldeconomie de vorm van een ruimte van stromen, waarin steden fungeren als knooppunten. Natiestaten in het bijzonder zijn disfunctioneel omdat ze ingericht zijn op een gesloten ruimte en daarom onvoldoende toezicht uit kunnen oefenen op grensoverschrijdende stromen en wisselwerkingen. Zolang het leeuwendeel van interacties beperkt blijft tot een bepaald grondgebied kan een territoriale politieke autoriteit ze reguleren. Maar wanneer ze op grote schaal grensoverschrijdend worden, zijn er maar twee mogelijkheden tot regulering. Enerzijds kunnen politieke grondgebieden samengaan in supranationale organen, als eerste stap naar een nieuwe vorm van supranationale staat. Anderzijds kan een poortwachtersfunctie over stromen ingericht worden door middel van samenwerking tussen de (stedelijke) knooppunten in de netwerken.

      c) Ten derde leidt de complexiteit van het stadssysteem tot vormen van pragmatische regulering die doorgaans niet binnen de strikte ideologieën van nationale politieke partijen passen. Anders gezegd kan gesteld worden dat de kwestie van ‘de stad’ zelden een kernvraagstuk is voor de nationale politiek en doorgaans wordt gezien als een zaak voor het lokale bestuur. Het ‘glokalisatieproces’, waarin het mondiale lokaal plaatsvindt en dat tegelijkertijd wordt aangedreven en beïnvloed door metropoolregio’s, vindt zijn weerslag niet in het nationale politieke debat. Pers en media, onderwijs, cultuur, socioculturele interacties, politieke partijen en zelfs religies blijven domeinen van de nationale ‘imagined community’4xAnderson, B., Imagined communities. Reflections on the origin and spread of nationalism, Londen; 1983.. Veel ‘“lokale’ metropoolregio’s zien zich gesteld voor onuitvoerbare regels en ideologieën die worden opgelegd door de natiestaat en vullen daarom hun bestuur pragmatisch in.

      d) Tenslotte worden steden direct gesteld voor wereldwijde uitdagingen en ervaren ze een sterker gevoel van noodzaak dan aan de internationale onderhandelingstafels wordt getoond door de staatshoofden en regeringen. De stadsdichtheid, de postindustriële economie, de mengelingen van vorm en functie, superdiversiteit en de verhoogde mobiliteit zijn allemaal typisch stedelijke vraagstukken die niet aangepakt kunnen worden binnen de kaders van de ‘moderne’ nationale aanpak van ruimtelijke ordening en segmentatie.

      Steden worden dus direct gesteld voor het mondiale vraagstuk, omdat een belangrijk deel van de wereldbevolking zich binnen hun grenzen concentreert, omdat ze de knooppunten zijn in de ruimte van stromen, omdat de complexiteit van de metropool een pragmatisme kweekt dat nauw aansluit bij het wereldsysteem en tenslotte omdat de wereldwijde uitdagingen andersom meer acuut worden gevoeld in de stedelijke context. Steden en stadsbesturen zouden daarom actie moeten ondernemen op het mondiale speelveld. Een ‘Wereldwijd Parlement van Burgemeesters’ zou dan de politieke uitdrukking van de stedelijkheid op wereldwijde schaal kunnen zijn, zoals de Algemene Vergadering van de VN dat is voor de nationaliteit. Dit WPB zou interstedelijke afspraken kunnen maken, net zoals naties internationale verdragen sluiten. De ‘Wereldvergadering van Steden’ zou samengesteld kunnen worden door wat steden als hun rechtmatige vertegenwoordiging zien, net zoals de VN stelt dat naties vertegenwoordigd worden door hun regeringen. We zullen later terugkomen op die vraag, maar ik wil me eerst richten op de tweede vraag: op welke wereldagenda gaat het WPB zich richten?

    • 3 Het aanpakken van de wereldwijde uitdagingen

      Om de toegevoegde waarde van een Wereldwijd Parlement van Burgemeesters bovenop de bestaande netwerken van uitwisseling en horizontale samenwerking te rechtvaardigen moeten we zijn focusgebied, de politieke agenda, definiëren. Op het niveau van min of meer onafhankelijk lokaal bestuur kan de uitwisseling van ideeën in de bestaande netwerken voldoende zijn. De voornaamste mogelijke spanningen doen zich voor bínnen de staat, in de strijd tussen lokale en nationale overheden om bevoegdheden, subsidiariteit en de mate van autonomie. Maar tot op heden is er geen enkel orgaan dat zich bezighoudt met de onderlinge afhankelijkheid van steden en metropoolregio’s en de regulering van de ruimte van stromen. Ook is er geen orgaan dat zich bezighoudt met de wereldagenda voor stedelijkheid. Laten we proberen dat verder te specificeren.

      Nu het wereldsysteem en de wereldmarkt meer en meer worden bepaald door netwerken van steden is het democratische tekort dat is ontstaan door de exclusieve aandacht voor controle en sturing bij de landsgrenzen onmiddellijk zichtbaar. Dit wordt uitvoerig behandeld in hoofdstukken 3 en 5 van Barbers boek. Het Wereldwijde Parlement van Burgemeesters zou voort moeten bouwen op kennis van de structuur van specifieke stromen en netwerken en het organiseren van wereldwijde activiteiten. Het WPM moet bij de stroom betrokken steden samenbrengen in thematische commissies om de democratische regulering en controle op deze stromen te bespreken. Waar nationale parlementen hun werk organiseren in aansluiting op de nogal statische departementale inrichting van het landsbestuur zou een WPM juist ingericht kunnen zijn op de feitelijke samenhangen binnen de relevante stromen en netwerken van steden.

      Wat zijn dan die wereldwijde uitdagingen die beter aangepakt kunnen worden door steden dan door de disfunctionele naties? Ik onderscheid drie primaire structurele uitdagingen van de verstedelijkte wereld die niet binnen de schaal van internationale sturing en controle passen.

      a) Onze verhouding met de natuur. Een zeker functionalistisch modernisme, gecombineerd met een systeem van industriële productie, heeft vernietigende gevolgen gehad voor het milieu en brengt nu het voortbestaan van de planeet als leefomgeving voor de mens zelf in gevaar. De ecologische voetafdruk van de meest ontwikkelde landen is buitensporig en dit beeld wordt slechts ten dele getemperd door de extreme armoede van een aantal gebieden in de periferie. Een economische groei van 3% betekent dat het bruto mondiaal product iedere 23,4 jaar verdubbelt. Het bruto mondiaal product is in de afgelopen 500 jaar 150 maal zo groot geworden. Met de huidige snelheid bereiken we de volgende verhonderdvijftigvoudiging al in het jaar 22005xCorijn, E. & P. Saey (ed) (2014): Wereldvreemd in Vlaanderen. Bakens voor ene progressieve politiek. EPO, Berchem: 279p.! We bezitten eenvoudigweg de bio-capaciteit niet om dat vol te kunnen houden. We moeten ook vaststellen dat het actuele debat, dat gericht is op het vasthouden aan de huidige groeicijfers van de economie, vrij ondernemerschap en de markteconomie, onverantwoordelijk is. De opzet van de politieke agenda’s in een wereld van onderling concurrerende landen betekent ook dat we vooralsnog geen alternatief kunnen bieden. Maar de noodzaak ons opnieuw te richten op de basisprincipes van de economie, in plaats van op het voortzetten van de neoliberale hegemonie van de globaliserende wereld, staat buiten kijf. Steden zien zich gesteld voor de rampzalige gevolgen van de huidige systemen. De snelle teruggang in biodiversiteit. De uitputting van grondstoffen. Een diepgaande mobiliteitscrisis. Luchtvervuiling. Waterschaarste. De energiecrisis. De voedselcrisis. En dan heb ik het nog niet eens over klimaatverandering en de opwarming van de aarde.

      In 2013 werd 40 miljard ton CO2 uitgestoten. Dat was 2% meer dan in 2012 en 60% meer dan in 1990, alle internationale verdragen ten spijt. De structurele uitdaging waar we ons voor gesteld zien is zonneklaar. Zonder het gesprek aan te gaan over de economische basisprincipes en over een ‘toekomst na de olie’ wordt een onomkeerbare verandering van het klimaat onvermijdelijk. Wat we daarbij nodig hebben is niet een ideologisch debat, maar de ontwikkeling van modellen van duurzame stedelijke ecosystemen en een politiek van ‘klimaatrechtvaardigheid’, van een rechtvaardige transitie. Die agenda bestaat wel, maar in een gefragmenteerde vorm, en is nog niet vertaald in de vigerende constellatie van geopolitieke belangen. In de tussentijd zien steden en metropoolregio’s zich direct gesteld voor het invoeren van duurzaam gebruik van land en van de groene en blauwe infrastructuur, het herwinnen van biodiversiteit, het aanpakken van lucht- en watervervuiling, grondstoffenbeheer, de opwekking en levering van energie, het reguleren van de vraag en het aanbod van voedsel, het combineren van stedelijke industrie en dienstverlening met een woon- en leefomgeving, mobiliteit enz. Kortom steden zien zich gesteld voor het ontwerp van een postindustrieel, duurzaam, olie-onafhankelijk stedelijk ecosysteem voor de toekomst.

      b) Dat is nauw verbonden met de tweede wereldwijde uitdaging: de groeiende sociale ongelijkheid. Wereldwijd is het gat tussen de ‘haves’ en de ‘have-nots’ mensonterend groot geworden. Een behoudende schatting voor 2010 stelde dat tenminste een derde van al het geld in particuliere handen en bijna de helft van al het niet in het eigen land geplaatste kapitaal, op dat moment in het bezit was van de rijkste 91.000 personen, oftewel 0,001% van de wereldbevolking. Nog eens 51% van al het geld is in handen van een volgende groep van 8,4 miljoen mensen, oftewel 0,14% van de wereldbevolking. De rijkste 20% zijn goed voor drie kwart van het mondiaal gegenereerde inkomen. Tax Justice Network heeft berekend dat de superrijken momenteel tussen de 21 biljoen en 32 biljoen dollar aan gelden verborgen houden in belastingparadijzen als Zwitserland en de Kaaimaneilanden.
      Aan de andere kant van het spectrum bezit de armste 40% van de bevolking maar 5% van het mondiale inkomen. Bijna de helft van de wereldbevolking – meer dan drie miljard mensen – moeten leven van minder dan $2,50 per dag. Tenminste 80% leeft van minder dan $10 per dag. Bijna een miljard mensen zijn de 21e eeuw ingegaan zonder te kunnen lezen of hun handtekening te kunnen zetten. In 2005 leefde één op de drie stadsbewoners (ongeveer 1 miljard mensen) in sloppenwijken. In 2005 was de rijkste 20% van de wereld goed voor 76,6% van de totale particuliere consumptie. De armste 1,5 tot 1,6 miljard – een kwart van de mensheid – moet het doen zonder elektriciteit. Er is een eindeloze stroom cijfers waaruit deze groeiende ongelijkheid blijkt.6xhttp://www.un.org/esa/socdev/documents/reports/InequalityMatters.pdf, http://inequality.org/, http://www.globalissues.org/article/26/poverty-facts-and-stats
      Deze mondiale statistieken vertalen zich in de realiteit van het straatbeeld in de steden. Wereldwijde armoede heeft geleid tot enorme sloppenwijken. Stedelijke sociale ongelijkheid bepaalt de sociale geografie van buurten en wijken, van centrum en periferie, structureert de woning- en arbeidsmarkt en beïnvloedt de uitdagingen op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg in de stad. Het is de belangrijkste hinderpaal bij het scheppen van stedelijke sociale samenhang en integratie. Veel steden zijn afhankelijk van herverdelingsmechanismes en belastingstelsels die nog altijd voornamelijk in handen zijn van de nationale overheden. En er is een groeiend besef dat ook als herverdeling kan worden bewerkt, dat alleen niet voldoende zal zijn als niet tegelijkertijd een inclusieve stedelijke gemeenschap wordt ontwikkeld. Het gaat daarbij in de eerste plaats om het voorzien in en toegankelijk maken van de lokale basisvoorzieningen (huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, mobiliteit enz.). Die voorzieningen zouden door de zorgzame stad geleverd kunnen worden als een basispakket, waardoor voor ieder een toegankelijke lokale gemeenschap ontstaat. De toegang tot dergelijke voorzieningen zou moeten vallen onder de noemer van afdwingbare (universele) mensenrechten en het algemeen recht op ‘de stad’. Dit gaat gepaard met een oproep aan de civiele samenleving en stedelingen om nieuwe vormen van productie en consumptie te ontwikkelen, nieuwe modellen van uitwisselen, delen en hergebruiken, vormen van gemeenschappelijk wonen, coöperatie en vereniging, collectieve verantwoordelijkheid voor de publieke ruimte en de infrastructuur enz. Bovendien wordt aandacht gevraagd voor het ontwikkelen van kansrijke programma’s ter bevordering van opwaartse sociale mobiliteit. Hoe kunnen we emancipatie en kansengelijkheid vergroten? Armoede wordt niet noodzakelijkerwijs het best bestreden door het toepassen van het principe van de sociale mix. En tenslotte bestaan de sociale ongelijkheden ook tussen de steden in noord en zuid, tussen die in de rijke en in de arme landen. Hoe kunnen we interstedelijke steun en ontwikkelingsplannen inrichten? En hoe kunnen we de bi- en multilaterale samenwerkingsverbanden versterken?
      c) De derde wereldwijde uitdaging die invloed heeft op de stedelijke agenda is de superdiversiteit, die het resultaat vormt van migratie en socioculturele verscheidenheid. Van de wereldbevolking woonde in 2010 3%, dat waren ongeveer 214 miljoen mensen, buiten hun eigen land. Van hen waren 128 miljoen mensen verhuisd naar ontwikkelde gebieden; de resterende 86 miljoen migreerden binnen ontwikkelingsgebieden. Maar verreweg de belangrijkste migratie is die van het platteland naar de stad.7xhttp://www.un.org/esa/population/cpd/cpd2013/SGreport13February.v2_changes.accepted.FP_advanc e%20unedited%20version_converted.pdf In 2010 migreerden alleen binnen China al 221 miljoen mensen binnenslands, waarvan 150 miljoen afkomstig waren van het platteland. Interne migratie is goed voor tot 40% van de totale groei van steden in ontwikkelingslanden.
      Steden worden gekenmerkt door migratie en de komst van nieuwkomers. Dat leidt tot een forse diversiteit aan levensstijlen, religies, talen en culturen. Een stad is geen land. Waar de natie probeert de saamhorigheid te bevorderen door een beroep te doen op een nationale identiteit, dient de stad tot vreedzame sociale cohesie te komen op basis van acceptatie van de grote verscheidenheid en verschillen. Naties steunen op het gegeven van een gemeenschappelijke geschiedenis, die zijn weerklank vindt in traditie en identiteit. Steden kunnen niet voortbouwen op een dergelijke basis, maar moeten een beeld weten te scheppen van een gemeenschappelijke toekomst. Sociale integratie en burgerlijke solidariteit moeten worden gecombineerd met respect voor de multiculturele en multireligieuze realiteit van de stad. De noodzaak hiervan wordt nog eens versterkt door sociale en genderongelijkheid. Het samen laten gaan van culturele diversiteit en sociale insluiting en cohesie vereist de ontwikkeling van een meer stedelijke en kosmopolitische cultuur waarin sprake is van respect voor verscheidenheid en plaats is voor hybriditeit en interculturele samenwerking.
      De stedelijke maatschappij kan zijn basis niet hebben in één gemeenschap, maar is altijd transcommunautair, interreligieus en intercultureel. Het gezegde ‘stadslucht maakt vrij’ is in dat opzicht dus daadwerkelijk waar. Stadscultuur en stedelijke kunst zijn van vitaal belang voor sociale integratie. De creatieve stad verkent de mogelijkheden voor een postnationale en niet op traditionele gemeenschapsidentificaties gebaseerde maatschappij. Ze maakt stedelijkheid tot een levenswijze.

      De drie wereldwijde uitdagingen – de ecologische, de sociale en de culturele – vormen de kern van alle stedelijke projecten. Ze moeten aangepakt worden in een stedelijk transitieproces waarin een duurzaam stedelijk ecosysteem, de ontwikkeling van een inclusieve stedelijke gemeenschap en een model voor multicultureel burgerschap moeten worden geïntegreerd. Tegelijkertijd zijn dergelijke stedelijke modellen ook de enige werkzame oplossing voor de wereldwijde structurele uitdagingen en vormen ze een startpunt voor het noodzakelijke bestuur op verschillende schalen. Dit vormt een strategische agenda voor een Wereldwijd Parlement van Burgemeesters. Een agenda waar de bestaande internationale organen zich niet mee bezighouden.

    • 4 Wees pragmatisch

      Wat kan een Wereldwijd Parlement van Burgemeesters of een Wereldvergadering van Steden toevoegen aan de bestaande netwerken van steden of aan de bestaande internationale organisaties? Ook hier zullen we wat ideeën samenvatten in vier hoofdpunten.

      a) De voornaamste bijdrage die ze kunnen leveren is het mondiaal agenderen van de bovenstaande argumenten. Er moet een nieuwe agenda komen. De wereldwijde uitdagingen dienen in een nieuw politiek kader te worden geïntegreerd. Het gaat erom dat een collectieve stedelijke ‘mission statement’ wordt geformuleerd dat is gebaseerd op gemeenschappelijke normen en een gemeenschappelijk beleid. Een WPB kan mensenrechten vertalen in een context van ‘stedelijke rechten’. Een WPB kan dan in die context ook fungeren als alternatief voor organen als de VN of het Wereld Economisch Forum.

      b) Een Wereldwijd Parlement van Burgemeesters kan concrete stappen nemen in het reguleren van een wereldsysteem door maatregelen ter bewaking van de ‘spaces of streams’ waarvan metropoolregio’s deel uitmaken en de ontwikkeling van standaarden voor deze regulering. De mondiale arbeidsdeling verlengt de productie- en distributieketens en maakt grensoverschrijdende regulering noodzakelijk. Het benutten van bestaande lokale of regionale bevoegdheden in het kader van afspraken om sturing te geven aan onderling afhankelijke processen kan een aanvulling vormen op ontoereikende (inter)nationale regulering.

      c) Bovendien kan een WPB praktische samenwerking stimuleren. Vóór alles heeft de stedelijke transitie behoefte aan economische herstructurering die gelijke tred houdt met de sociale ontwikkeling en verduurzaming van het ecosysteem. De productie van nieuwe goederen voor de stad (bijvoorbeeld in de context van mobiliteit, recycling, onderwijs of huisvesting) kan worden bevorderd door coproductie met partijen uit andere steden of het plaatsen van collectieve opdrachten (net zoals internationale overeenkomsten bepaalde sectoren van de wereldmarkt dragen).

      d) De belangrijkste innovatie binnen het WPB zou echter kunnen zijn dat het parlement het stedelijk bestuur representeert en niet zozeer alleen het gemeentebestuur: de stedelijke delegaties in het WPB dienen niet slechts functionarissen van het stadsbestuur te omvatten. Behalve de burgemeester en diens staf dienen twee andere groepen bij de vergadering worden betrokken. Ten eerste bestaat een metropoolregio uit meer dan de kernstad en moet de regio als geheel vertegenwoordigd worden door een raad, waarin ook plaats is voor de ommelanden. Tevens moet de raad interne deelgebieden als buurten en wijken vertegenwoordigen. Ten tweede is het stedelijk bestuur afhankelijk van een coalitie waarin het maatschappelijk middenveld plaats heeft. Alle steden zien zich gesteld voor het ontwikkelen van een participatiedemocratie en bestuursmodellen waarin stakeholders een plaats hebben. De bijeenkomsten van de WPB zouden ertoe moeten dienen de uitdrukking van het stedelijke project als een samenwerkingsverband van burgemeesters, hun partners uit de regio en hun burgers kracht bij te zetten.

      Door deze vier elementen – een wereldwijde stedelijke agenda, interstedelijke regulering, economische samenwerking en een gedifferentieerd stedelijk bestuur – te combineren zal, het zij opnieuw gezegd, een WPB een toegevoegde waarde kunnen leveren ten opzichte van bestaande netwerken en (inter-)nationale organisaties. Een WPB zal zonder twijfel de bestaande netwerken aan het denken zetten over een netwerk der netwerken, over ontwikkeling van bestuurs- en ontwikkelkracht, over trainings-, analyse- en onderzoeksprogramma’s. Een Wereldwijd Parlement van Burgemeesters komt niet in de plaats van bestaande structuren. Door zich te richten op zijn hoofddoel – het ontwikkelen van (democratische) stedelijke politiek op mondiaal niveau – zal het kunnen gaan dienen als referentiepunt voor andere wereldwijde organen, voor het mondiale maatschappelijke middenveld en ook voor de verdere ontwikkeling van een lokale democratische infrastructuur. Het WPB-initiatief is bedoeld om de bovenbedoelde stedelijke transitie kracht bij te zetten en de democratische sturing en controle van stedelijke processen te versterken. Daarmee lijkt het een bijdrage aan de ontwikkeling van wereldburgerschap dat de nationale kaders overstijgt.

    Noten

Vertaling: Gert-Jan van der Krogt, TVcN Tolk- en Vertaalcentrum Nederland; redactie tekst: Bas Denters en Rik Reussing.

Print dit artikel