DOI: 10.5553/Bk/092733872016025002008

BestuurskundeAccess_open

Artikel

Bouwen aan de ideale bestuurskunde

Reflecties van tien jonge hoogleraren

Trefwoorden Public Administration, Policy Sciences, Academia vs. practice
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Dr. Philip Marcel Karré, 'Bouwen aan de ideale bestuurskunde', Bestuurskunde 2016-2, p. 79-89

Dit artikel wordt geciteerd in

      Onder redactie van Philip Karré, Thomas Schillemans, Martijn van der Steen en Zeger van der Wal

      Als geïnstitutionaliseerd vakgebied is de bestuurskunde in Nederland nu ongeveer veertig jaar oud. De Vereniging voor Bestuurskunde is opgericht in 1974; de eerste zelfstandige studierichting begon in Twente in 1976.
      40+ is een leeftijd die vaak aanzet tot fundamentele zelfreflectie en soms tot domme dingen. In deze serie buigen wij ons over kernvragen voor het vakgebied. Dient de bestuurskunde zich meer op de praktijk of juist op de pure wetenschap te richten? Is bestuurskunde eigenlijk een eigenstandige discipline of juist een onderdeel van de politicologie, de juridische of de managementwetenschappen? Wat zijn belangrijke ontwikkelingen in de afgelopen jaren en welke verwachtingen zijn er voor de toekomst? In 2015 en 2016 gaan wij hier in een serie artikelen nader op in. Wij hopen dat hierdoor een brede discussie van de grond zal komen over staat en toekomst van de bestuurskunde en nodigen onze lezers van harte uit daaraan mee te doen. U kunt reageren op de Facebook-pagina van de VB, facebook.com/bestuurskundenl.

      Wat is de ideale bestuurskunde? In dit artikel beantwoorden we deze vraag op basis van gesprekken met tien jonge hoogleraren. We beschrijven de ontwikkeling van het vakgebied en schetsen een portret van de mannen en vrouwen die de bestuurskunde de komende periode zullen vormgeven.

    • Inleiding

      In mei 2015 maakte Wim Derksen, professor bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, via zijn website bekend te willen stoppen als hoogleraar. Belangrijkste reden voor dit besluit was de kloof die hij ervaart tussen zijn ideale bestuurskunde en zijn perceptie van de mainstream-bestuurskunde. Om zijn betoog, getiteld ‘Afscheid van de bestuurskunde’,1x Zie www.wimderksen.com/2015/05/14/afscheid-van-de-bestuurskunde/. kracht bij te zetten, plaatste Derksen gelijk ook twee lijstjes met kenmerken: één ging over hoe de bestuurskunde in zijn ogen zou moeten zijn en de ander over hoe de bestuurskunde in zijn ogen is. Derksen pleit voor een bestuurskunde die niet alleen diep is gegrond in de vier basisdisciplines (economie, rechtswetenschap, sociologie en politicologie), maar deze ook actief verbindt. De bestuurskunde zou altijd maatschappelijke vraagstukken als uitgangspunt moeten nemen, dus altijd vanuit de inhoud moeten redeneren en haar studenten tot vakbekwame overheidsprofessionals willen opleiden. Maar in de praktijk komt van dit ideaal vaak niet veel terecht. Derksen vindt dat de bestuurskunde te weinig bezig is met de praktijk, maar meer met theorievorming en -toetsing. Hij bekritiseert de krampachtige poging om van de bestuurskunde een zelfstandige wetenschap te maken en de toegenomen internationalisering, waardoor bestuurskundigen zich minder mengen in het nationale debat. Tot slot vindt Derksen ook dat bestuurskundigen zich te weinig laten horen in de discussies over de vraagstukken van onze tijd, zoals het vluchtelingenvraagstuk, en dat zij onderwijs (voor hem een van de kerntaken) vaak meer als last dan als lust ervaren.

      Doel van dit artikel is niet om te bespreken of Derksen met zijn kritiek gelijk heeft of niet – ook al komen veel van zijn wens- en schrikbeelden uitgebreid terug in dit betoog.2x Ook internationaal wordt op een vergelijkbare manier kritisch gekeken naar de ontwikkelingen in ons vakgebied. Zie bijvoorbeeld de recente column van Christopher Pollitt, emeritus hoogleraar in Leuven, op de website Statecrafting: https://statecrafting.net/losing-the-big-picture-and-losing-influence-too-f4a2d8e57532#.7skrbgfbb. Op deze website is ook een korte Engelstalige versie verschenen van dit betoog. Zijn kritiek is tijdens de gesprekken die voor dit stuk zijn gevoerd, ook niet aan de orde gekomen. Het houdt zich wel met dezelfde vragen bezig: waar staat de bestuurskunde nu, waar gaat het naartoe en in hoeverre is dat verschillend van waar het naartoe zou moeten gaan? Om hier een antwoord op te vinden heb ik interviews gevoerd met tien jonge hoogleraren, die de afgelopen anderhalve jaar zijn benoemd. Zij hebben immers als (om de bouwmetafoor uit de titel te hanteren) meewerkend voorman een centrale positie in de ontwikkeling van het vak en kunnen ons terug op weg helpen als we als bestuurskundige community de verkeerde kant op schieten of lijken te verdwalen.
      Behalve over de ontwikkelingen in het vakgebied is in de interviews ook besproken hoe de jonge hoogleraren hun rollen en posities zien als professoren, zowel binnen de academische gemeenschap als daarbuiten. En ik heb het met hen ook over hen als personen gehad en hun weg naar de positie die zij nu bekleden. Naast een discussie van staat en toekomst van de bestuurskunde, is dit artikel daarom enerzijds een kennismaking met een nieuwe generatie hoogleraren die het vakgebied de komende jaren mede met ons allemaal zullen vormgeven. Anderzijds schetst de tekst een meer algemeen beeld van de bestuurswetenschappen, van de universiteit als plaats van kennisproductie en -disseminatie en van de positie, rol en status die hoogleraren in de academische gemeenschap en de maatschappij vandaag de dag hebben.

      In het bijgevoegd overzicht is te zien welke hoogleraren geïnterviewd zijn. Het was niet het doel om representatief te zijn. Ook is de keuze om alleen hoogleraren te spreken die tot anderhalf jaar geleden zijn benoemd vrij arbitrair en met name te wijten aan mijn agenda en de aankomende deadline. Dat maakte het onhaalbaar ook nog met andere jonge hoogleraren te spreken. Met elke hoogleraar is een gesprek van een uur (soms iets minder) gevoerd, óf persoonlijk óf per telefoon/Skype en in één enkel geval (vanwege het tijdsverschil) per mail.
      De rest van dit betoog is opgedeeld in vier delen. Nadat ik naar de hoogleraren als personen heb gekeken, komen de bevindingen aan bod wat betreft hun rol en positie en hoe zij de ontwikkeling zien van ons vakgebied. Ik sluit af met een samenvatting en een reflectie op de opbrengsten van de tien gesprekken.

    • Een diverse groep met enkele overeenkomsten

      Van de tien gesproken hoogleraren zijn vier vrouw en zes man. Twee zijn bijzonder (Martijn van der Steen, Zeger van der Wal), de rest gewone hoogleraren. Zij zijn allemaal omtrent de 40 jaar oud (sommigen zijn net wat jonger, enkelen net wat ouder), zij hebben dus ongeveer dezelfde leeftijd als de bestuurskunde als eigenstandige discipline in Nederland. Het zijn allemaal Nederlanders, soms met buitenlandse familiaire roots, maar er is niemand bij die uit het buitenland naar Nederland is gekomen. Alle gesproken hoogleraren hebben in Nederland gestudeerd en zijn aan Nederlandse universiteiten gepromoveerd – sommigen aan dezelfde universiteit waar zij ook nu een leerstoel bekleden. Uiteraard hebben ze door hun onderzoek, onderwijs en ander werk allemaal ook internationale ervaringen, maar slechts eentje (Zeger van der Wal) werkt ook voornamelijk in het buitenland.

      Als je inhoudelijk naar de cv’s van de jonge hoogleraren kijkt, vallen enkele overeenkomsten maar ook verschillen op. Om met de overeenkomsten te beginnen: alle geïnterviewde hoogleraren hebben een breed, interdisciplinair profiel waarin een veelheid aan methoden en invalshoeken naar voren komt, en publicaties in zowel internationale toptijdschriften als Nederlandstalige tijdschriften, vakbladen en kranten. Een aantal heeft ook voor of met de praktijk gewerkt als adviseur bij een adviesbureau, lid van een denktank of onderzoeksraad (Martijn van der Steen, Sandra Groeneveld, Judith van Erp, Gjalt de Graaf, Ellen van Bueren) of op beleidsfuncties in de praktijk zelf (Albert Meijer, Zeger van der Wal, Martijn Groenleer).

      Naast deze overeenkomsten is er ook wel veel diversiteit binnen de groep. Sommige jonge hoogleraren zijn generalisten of allrounders, zoals Martijn van der Steen en Esther Versluis. Anderen hebben een meer toegespitst profiel, zoals de politicologische (of Leidse) bestuurskundige Kutsal Yesilkagit. Ellen van Bueren is bestuurskundige en heeft een bestuurskundige leerstoel, maar werkt bij de faculteit Bouwkunde van de TU Delft. En een aantal jonge hoogleraren is niet als bestuurskundige gestart: Esther Versluis heeft bijvoorbeeld haar proefschrift binnen een multidisciplinaire omgeving geschreven (maar er later wel de Van Poelje-prijs voor het beste bestuurskundige proefschrift mee gewonnen). Albert Meijer heeft scheikunde gestudeerd (en later wel een bestuurskundig proefschrift geschreven). Sandra Groeneveld is socioloog en Judith van Erp heeft, na een bestuurskundig proefschrift te hebben geschreven, met name in de criminologie gewerkt. Dat je wetenschappelijke wortels in een andere discipline liggen, kan je werk als bestuurskundige verrijken maar ook een uitdaging zijn. Zo vertelde Albert Meijer dat zijn scheikundige achtergrond hem heeft geholpen om op een gestructureerde manier te werken, maar dat hij heeft moeten wennen aan het ‘talige’ karakter van de bestuurskunde in vergelijking met de scheikunde. En Sandra Groeneveld vertelde dat haar eerste uitdaging na de overstap naar de bestuurskunde (zij heeft vóór haar benoeming in Leiden aan de EUR gewerkt) bestond uit het leren van het bestuurskundige begrippenapparaat. De diversiteit in achtergronden en invalshoeken wordt in elk geval als kracht gezien en door Ellen van Bueren ook gewaardeerd als tegenwicht tegen de dreigende eenzijdige selectie van het tenure track-systeem aan universiteiten: ‘Het gevaar is dat je dan alleen maar hetzelfde type onderzoekers krijgt.’

      De Nederlandse bestuurskundige gemeenschap is vrij groot met veel jong talent dat ook internationaal hoge ogen gooit op congressen en in toptijdschriften. Er is dus ook veel gezonde competitie en dat maakt carrièreplanning meer noodzakelijk, aldus Zeger van der Wal: ‘De tijd is voorbij waarin je simpelweg op basis van senioriteit en een enkel gezaghebbend boek op een gegeven moment aan de beurt was. Hoogleraar worden in de 21ste eeuw vergt planning en strategie en dat begint al tijdens je promotie. Tegelijkertijd levert ongeduld en frustratie weinig op. Je ziet juist dat collega’s die “te graag willen” niet of pas veel later hoogleraar worden.’
      Aan elke geïnterviewde hoogleraar heb ik (in algemene termen) gevraagd, hoe je vandaag de dag hoogleraar wordt en of zij vijf jaar geleden al wisten dat zij nu hoogleraar zouden (willen) zijn en hoe zij zich op deze functie hebben voorbereid. Voor allen was het hoogleraarschap op een gegeven moment de volgende stap in hun carrière, waar zij ook concreet naartoe hebben gewerkt, bijvoorbeeld door zich naast het opbouwen en onderhouden van een hoogwaardig onderzoeks- en onderwijsprofiel ook dienstbaar te tonen aan de academische gemeenschap en door in bestuurlijke functies managementervaring op te bouwen. Tegelijkertijd is ook duidelijk dat het pad van universitair docent via hoofddocent naar hoogleraar maar moeilijk te plannen valt. Geen van de geïnterviewde hoogleraren maakte de indruk koel en berekenend en alleen met het eigen voordeel in het vizier aan de weg naar het hoogleraarschap te hebben getimmerd. Ze zijn wel van zichzelf overtuigd en trots op de geleverde prestaties, maar er is ook sprake van reflectie en relativering (met soms, zoals bij veel andere succesvolle hoger opgeleiden, tekenen van een zeker imposter syndrome).

      Om hoogleraar te kunnen worden, moet een kandidaat in eerste instantie professorabel zijn. Dat betekent, dat die als een soort schaap met vijf poten een overtuigend cv en lange staat van dienst in onderzoek, onderwijs en management moet kunnen aantonen. Maar veel hangt ook af van toeval of serendipiteit (er moet een plek zijn en jij moet op de goede positie in je carrière zijn), maar het moet je ook door de andere leden van de bestuurskundige gemeenschap worden gegund. Berekenende en overmatig strategische types, die met name bezig zijn met zelfpromotie of het eigen voordeel, maken daar dus minder kans op. Voor elke leerstoel zijn er altijd meerdere geschikte kandidaten. Dat vraagt van de uiteindelijk gekozene een zekere bescheidenheid en is tegelijkertijd ook een opdracht: ‘Je moet het dus ook waarmaken’, vertelt Kutsal Yesilkagit, ‘en beseffen dat je nu verantwoordelijkheid draagt voor iets dat groter is dan jezelf.’

    • Rol en positie van de (jonge) hoogleraar

      De geïnterviewde jonge hoogleraren zien zich voornamelijk als ambassadeurs van het vakgebied en daarin als verbinder, als linking pin tussen onderwijs, onderzoek en praktijk en tussen verschillende invalshoeken en wetenschappelijke benaderingen. Hun positie binnen de wetenschappelijke community helpt hen om deze rol te spelen, evenals hun status als professoren. Als hoogleraar heb je nog steeds een zekere positie in de samenleving en gaan deuren voor je open, die anders gesloten zouden blijven. Zo vertellen alle jonge hoogleraren dat zij opeens meer worden uitgenodigd voor bijeenkomsten en meer worden gevraagd hun licht te laten schijnen over maatschappelijke vraagstukken en ontwikkelingen, ook al doen ze volgens Gjalt de Graaf in veel gevallen niet echt iets anders dan voorheen. Zij voelen zich nu ook serieuzer genomen. Daar moet je ook wel voorzichtig mee zijn. De Graaf: ‘Vooral in de media heeft het meer gewicht als je als hoogleraar iets zegt. Daar moet jij je van bewust zijn.’ Dat er nu anders naar je wordt gekeken, betekent dat jij je zelf ook serieuzer moet nemen: ‘Je moet de rol ook oppakken’ (Ellen van Bueren). Maar deze status en het recht van spreken moet je ook (blijven) verdienen. ‘Je legitimiteit komt voort uit het onderzoek dat je doet’, vertelt bijvoorbeeld Judith van Erp. Met andere woorden, je hebt alleen recht van spreken als je ook daadwerkelijk iets te melden hebt. Status is ook iets anders dan autoriteit. Autoriteit verkrijg je bijvoorbeeld door vernieuwend onderzoek te doen, legt Martijn Groenleer uit. Wetenschappelijke autoriteit is iets wat individuele hoogleraren graag willen ontwikkelen. De toegang tot discussies en instituties die hun status met zich meebrengt, is daar alleen het beginpunt voor.

      Status is altijd ook relatief. Met name binnen de universiteit telt het label professor volgens Gjalt de Graaf (ook al zijn met name studenten daar steeds ongevoeliger voor). Maatschappelijk gezien heeft de hoogleraar nog steeds status, maar daaraan is in tijden van toenemend wantrouwen tegen professionals, autoriteiten en ‘elites’ niet vanzelfsprekend alleen maar respect verbonden, aldus Zeger van der Wal: ‘Dat moet inderdaad telkens weer worden waargemaakt.’ Hoogleraar zijn betekent dat anderen anders naar je gaan kijken, zelfs de mensen in jouw directe omgeving. Je bent als gewone hoogleraar met de daarbij horende managementtaken niet meer ‘one of the guys’ (Esther Versluis), maar opeens (ook al zie je jezelf met name als meewerkend voorman) de baas van collega’s met wie je vaak al jaren hebt samengewerkt. Deze rol nemen de geïnterviewde hoogleraren net zo serieus als hun onderzoeks- en onderwijstaken. Doel is om bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van je collega’s (Sandra Groeneveld). Ook ben je verantwoordelijk voor hun werkgelegenheid: Ellen van Bueren noemt zich in ons gesprek niet voor niets en maar half als grap ‘accountmanager’. Nu de eerste geldstroom alleen nog het onderwijs betaalt en financiers steeds sneller antwoorden willen hebben op steeds kleinere en toegepaste vraagstellingen, is het hard werken om de benodigde middelen bij elkaar te krijgen om bijvoorbeeld een aantal promotieplekken te kunnen financieren.

      Als hoogleraar heb je een bepaalde positie binnen het instituut universiteit en een bepaalde status in de samenleving, maar je hebt ook macht, bijvoorbeeld in relatie tot promovendi. Zo vertelt Gjalt de Graaf dat door de machtsasymmetrie promovendi het niet altijd aandurven hun promotoren aan te spreken op ongewenst gedrag en dilemma’s niet altijd durven te bespreken. Een hoogleraar moet een voorbeeld zijn van wetenschappelijke integriteit, maar ook op tal van andere terreinen, bijvoorbeeld wat de combinatie van werk en privé betreft. Hier ziet Esther Versluis een duidelijke rol voor haarzelf: ‘Ik wil met name mijn vrouwelijke collega’s laten zien, dat je een wetenschappelijke carrière kunt combineren met je privéleven, met name ook het opbouwen van een gezin.’ De meeste gesproken hoogleraren hebben jonge kinderen. Bij een moderne relatie hoort het, ook voor de mannelijke hoogleraren, die vaak een werkende en succesvolle partner hebben, om de zorg en opvoeding van de kinderen samen in te vullen. Dat kan ook goed bij de relatief flexibele werktijden in de wetenschap. Zo vertelt Albert Meijer: ‘Eens per week ga ik eerder weg en haal ik mijn dochter op bij haar school. Thuis drinken we dan samen een kop thee en gaat zij vervolgens zelf aan de slag en ik weer terug aan het werk.’ Dat je als man ook tijd vrijmaakt voor je kinderen, wordt trouwens ook op de universiteit nog steeds positiever (‘wat leuk dat jij dat doet!’) bekeken dan als een vrouw dat doet. De combinatie van werk en privé, zeker bij een drukke baan als die van hoogleraar, blijft uiteraard wel een uitdaging, maar kinderen kunnen je ook helpen de eigen positie en het eigen werk te relativeren. Ellen van Bueren: ‘Mijn kinderen zijn mijn redding om niet door te schieten in mijn werk. Je kunt ze niet negeren, ze eisen je aandacht op.’

      Alle hoogleraren dragen de publieke zaak een warm hart toe en zien het ook als hun taak een positieve bijdrage te vervullen aan de samenleving. Hoe zij dat doen verschilt per hoogleraar, maar geen van hen heeft ervoor gekozen (zoals sommige van hun voorgangers deden in het verleden) om ook partijpolitiek actief te worden. Misschien dat dat te maken heeft met de ook in de bredere maatschappij te constateren kloof tussen de samenleving en wat vaak als de ‘gevestigde politieke orde’ wordt omschreven. De gesproken hoogleraren zijn wel degelijk politiek actief, maar dan meer in de vorm van civic engagement, bijvoorbeeld als deel van een burgerinitiatief (Albert Meijer). Andere manieren van betrokkenheid zijn het gesprek te zoeken met de praktijk, bijvoorbeeld in de vorm van lezingen of (commerciële, op maat gemaakte) onderwijstrajecten (Martijn van der Steen, Judith van Erp, Martijn Groenleer, Zeger van der Wal) of door ‘mee te lopen’ met de praktijk (Ellen van Bueren). Ook gebruiken de jonge hoogleraren de media om zich te mengen in het politieke debat, maar ze kijken er ook wel kritisch naar. Zij hoeven, bij wijze van spreken, niet elke week bij Buitenhof of De Wereld Draait Door aan tafel te zitten. Albert Meijer: ‘Aan het begin van je carrière zijn media-optredens wel leuk, maar ik ben kritischer gaan kijken naar de doorwerking van wat ik doe. Hoe kan ik het beste maatschappelijke impact bereiken? En wat dragen media-optredens hier precies aan bij?’

      Op al deze activiteiten wordt vandaag de dag vaak het label ‘valorisatie’ geplakt in een poging aan te tonen dat de wetenschap wel degelijk ook relevantie heeft voor de maatschappij in het algemeen. Niet iedereen is echter gelukkig met dit begrip en zijn rol als derde pijler van de universiteit naast onderzoek en onderwijs. Ook die twee kunnen immers niet zonder de praktijk. De praktische relevantie van je werk is, stelt Martijn Groenleer, niet iets wat je er nog bij doet, maar loopt als rode draad door alles wat je doet als universiteit en als hoogleraar in het bijzonder.

    • Ontwikkeling vakgebied

      De bestuurskunde is een toepassingsgerichte en interdisciplinaire wetenschap, waar geen ‘hokjesgeest’ of verkeerde dichotomieën (bijvoorbeeld tussen onderwijs en onderzoek, tussen onderzoek en praktijk of tussen rigor en relevance) bij passen. Ze is ook nog lang niet ‘af’: de bestuurskunde is een vakgebied in ontwikkeling, stellen bijvoorbeeld Martijn Groenleer en Martijn van der Steen. Hoe zou de verdere ontwikkeling van de discipline dan vorm moeten krijgen? Kutsal Yesilkagit wil bijvoorbeeld graag zien dat we de scope van ons onderzoek verruimen: in het verleden had de bestuurskunde volgens hem vooral een focus op descriptieve (‘wat gebeurt er?’) en prescriptieve (‘hoe kunnen we interveniëren?’) vragen. Waar we nog aan kunnen werken, is om ook verklarende (‘waarom gebeuren de dingen in politiek en bestuur zoals ze gebeuren?’) en normatieve (‘wat moeten we ervan vinden?’) vragen te stellen. Martijn Groenleer is het daar mee eens. Ook hij vindt dat de bestuurskunde moet bijdragen aan effectieve en legitieme interventies, maar dan wel op basis van een gedegen beschrijving en verklaring van het fenomeen in kwestie: ‘Juist die combi is volgens mij van belang. Zonder descriptie en verklaring is er geen basis voor prescriptie en normatieve bespiegelingen; maar zonder de focus op het bijdragen aan interventies is descriptie en verklaring weinig relevant, maar slechts l’art pour l’art.’

      Ook Sandra Groeneveld ziet de bestuurskunde als vakgebied in ontwikkeling en meer in het bijzonder als een discipline die aan het emanciperen is. Zij zet echter vraagtekens bij hoe we dat met z’n allen aan het doen zijn: ‘We sleutelen wel, en steeds meer, aan de methoden, zeg maar de gereedschapskist van de bestuurskundige, maar tegelijkertijd zijn de bouwstenen van onze wetenschap nog vrij ruw. Ik zou graag willen zien dat we meer werk maken van het definiëren en meetbaar maken van onze kernconcepten.’ Dat rommelen aan de gereedschapskist, door de jonge hoogleraren zelf veel netter en diplomatieker aangeduid als verfijning van de bestuurskundige methoden, wordt enerzijds als positieve dan wel nuttige ontwikkeling gezien. Anderzijds uitten alle jonge hoogleraren ook de angst dat sommige delen van de bestuurskundige community er te veel in doorgeschoten zijn. Zo vertellen enkele van bepaalde stromingen van de bestuurskunde, waarin onderzoek wordt geproduceerd dat bepaalde fenomenen op twee cijfers na de komma nauwkeurig weet te meten, zonder echter aannemelijk te kunnen maken wat de toegevoegde waarde is van deze precisie. Ook lijkt de methode van dataverzameling leidend en een onderwerp op zich te worden.

      Het steeds verder inzoomen op en verfijnen van de methoden van bestuurskundig wetenschappelijk werken is met name zichtbaar in bestuurskundige proefschriften en op het niveau van UD’s en UHD’s. Volgens de jonge hoogleraren is de publicatiedruk op dit niveau debet aan: de kans op publicatie van een stroom van artikelen in hoog aangeschreven internationale journals is nu eenmaal veel groter als je een klein onderwerp hebt weten te pakken en als je bezig bent met onderzoek dat niet te contextgevoelig is, maar gemakkelijk reproduceerbaar. De jonge hoogleraren juichen deze ontwikkeling zeker niet toe en proberen er ook tegen in te gaan, bijvoorbeeld door invloed uit te oefenen op de selectie en selectiecriteria en door in de begeleiding van UD’s en UHD’s mede richting te geven aan onderzoek en publicaties. Zelf hebben de gesproken hoogleraren trouwens minder last van de publicatiedruk. Eén hoogleraar gaf zelfs aan daar ook als UD en UHD geen last van te hebben ondervonden. Ook ziet men een breder gedragen sentiment in binnen- en buitenland dat de grenzen van de ‘publish or perish’-cultuur bereikt zijn. Zeger van der Wal noemt als voorbeeld voor deze ontwikkeling de science in transition-beweging, die in Nederland pleit voor een bredere definitie van onderzoeksimpact en een meer diverse waardering van academische prestaties: ‘Op een gegeven moment heeft iedereen een omvangrijke publicatielijst; dan wordt het ook weer interessant om je op andere manieren te onderscheiden.’

      Een andere ontwikkeling die de jonge hoogleraren ook waarnemen op UD en UHD-niveau, is de opkomst van experimentele onderzoeksmethoden. Ook dit wordt in beginsel positief beoordeeld, ook al gebruikt geen van de jonge hoogleraren zelf deze methode al uitgebreid. Zij vinden dat bestuurskundig onderzoek nog steeds het beste in de praktijk plaats kan vinden. Gjalt de Graaf: ‘Dat is immers het mooie aan bestuurskundig onderzoek doen: je kunt zo de praktijk binnenstappen. Zodra je een overheidsgebouw binnenloopt, sta je midden in je eigen onderzoekspraktijk.’

      Alle hoogleraren vinden dat de bestuurskunde aansluiting moet houden – en voor een deel weer moet vinden – met de praktijk: onze discipline moet net zo goed in staat zijn zich aan te passen aan veranderingen in de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke wereld dan de professionals die daarin hun brood verdienen. Ook moet bestuurskundige kennis en expertise met name relevant zijn voor de discussies over de grote vraagstukken van onze tijd. Over hoe de verhouding tussen bestuurskunde en praktijk eruit moet zien, is nog wel discussie. Illustratief hiervoor is hoe twee hoogleraren, Martijn van der Steen en Sandra Groeneveld, naar deze vraag kijken. Volgens Van der Steen moet ‘[d]e bestuurskunde (…) een dienende wetenschap zijn, de praktijk moet zich kunnen herkennen in wat je doet. Je moet practitioners taal aanbieden, die ze kunnen gebruiken om ontwikkelingen in hun vakgebied te begrijpen en weloverwogen keuzes te kunnen maken. De bestuurskunde moet dicht bij de maatschappelijke ontwikkelingen staan en zich steeds één belangrijke vraag stellen: “wat heb ik daaraan toe te voegen?”’ Sandra Groeneveld is het daar niet zonder meer mee eens, met name wat het ‘dienend’ karakter van de bestuurskunde betreft. Zij onderstreept de onafhankelijke positie van de wetenschap, die de praktijk ook een spiegel moet durven voorhouden.

      Bij de praktische relevantie van bestuurskundig onderzoek hoort ook dat je breder kijkt dan alleen maar de nationale of lokale overheid als afnemers van en partners in je onderzoek. Bestuurskundige kennis moet worden verbreed; ook het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties moeten daar profijt van kunnen hebben. Kutsal Yesilkagit: ‘Ook deze groepen hebben gewoon recht op goed en bruikbaar bestuurskundig onderzoek. We moeten de bestuurskunde verbreden en voor nieuwe groepen in de samenleving relevant maken.’ Dat vraagt om samenwerking met de praktijk in onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van field labs (zie het onderzoek van Martijn Groenleer). Ook heeft de samenleving ‘recht’ op bestuurskundig onderzoek dat niet al te braaf is: zo pleit Albert Meijer ervoor dat ook dwarsdenkers ruimte moeten blijven vinden in de bestuurskundige community, opdat deze niet te conformistisch wordt.

      Onderwijs vinden alle geïnterviewde hoogleraren zeer belangrijk; het is immers de hoofdtaak van de universiteit. Zij ontlenen daar naar eigen zeggen de meeste energie aan. Maar ook het bestuurskundig onderwijs moet je blijven ontwikkelen. Albert Meijer doet dat bijvoorbeeld door ontwerpgerichte benaderingen een rol te geven, bijvoorbeeld door in boot camps beleid te ontwerpen via design thinking en andere methodieken die de eindgebruiker centraal stellen. En Gjalt de Graaf stelt dat het bestuurskundig onderwijs aansluiting moet houden bij de beleveniswereld van de huidige student. Zo zouden social media daar ook een sterkere rol in moeten spelen. Zeger van der Wal benadrukt ook nieuwe pedagogische invalshoeken om bestuurskundig onderwijs voor nieuwe generaties aantrekkelijk te houden. Hij werkte recentelijk met studenten aan videoproducties die beleidsvoorstellen overtuigend moeten overbrengen aan diverse groepen stakeholders en simulaties van real life besluitvormingsprocessen, zoals de klimaattop in Parijs twee weken voordat deze daadwerkelijk plaatsvond.

    • Afsluiting en reflectie

      Veel (zo niet alles) van wat Wim Derksen in zijn blogpost als de kenmerken van de ideale bestuurskunde beschrijft, wordt gedeeld door de jonge hoogleraren met wie voor dit artikel is gesproken. Ook zij vinden dat de bestuurskunde praktijkrelevante kennis moet produceren, een meerwaarde moet zijn voor het debat over de vraagstukken die er daadwerkelijk toe doen en dat onderwijs niet bijzaak maar hoofdzaak hoort te zijn. En de jonge hoogleraren zien, net als Wim Derksen, een aantal perverse of in elk geval onwenselijke ontwikkelingen: ook zij vinden dat de bestuurskunde op sommige momenten zelfreferentieel is geworden en de methode in plaats van het vraagstuk leidend laat zijn in haar onderzoek. De hoogleraren zien zich niet in eerste instantie als change agents maar proberen deze ontwikkelingen door de eigen manier van wetenschap bedrijven tegen te werken en zo te zorgen voor meer balans.

      Hoogleraren spelen weliswaar een centrale rol in het debat over herijking van het systeem van de bestuurskunde als discipline (zij ‘zijn’ in zekere zin dit systeem), maar hebben daar uiteraard niet alleen invloed op. Wat we willen dat de maatschappij aan ons als bestuurskundigen heeft (of zou kunnen hebben) en hoe we dit doel kunnen bereiken, is ook een vraag die we ons als bestuurskundige community in het geheel steeds opnieuw moeten stellen. Hoogleraren kunnen dat gesprek wel aanwakkeren en structureren, bijvoorbeeld door mee te werken aan artikelen zoals deze en door de discussie verder te begeleiden. De voorwaarden daarvoor zijn goed: de groep jonge hoogleraren die naar verwachting de komende twintig, dertig jaar ons vakgebied vorm zullen geven, is divers samengesteld (altijd een pre in een maatschappijgerichte wetenschap), staat met beide benen in het leven en heeft (op dit moment in elk geval nog) de drive om ook echt iets bij te dragen in de maatschappij als geheel en de bestuurskundige discipline in het bijzonder. We zullen hen kritisch blijven volgen.

    • Overzicht van geïnterviewde hoogleraren

      Ellen van Bueren is per 1 april 2015 hoogleraar Urban Development Management bij de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft. Haar leerstoel ontwikkelt bruikbare concepten, instrumenten en principes voor een integrale gebiedsgerichte aanpak van hedendaagse stedelijke opgaven.

      Judith van Erp is per 1 april 2015 hoogleraar in de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit Utrecht, in het bijzonder op het gebied van Public institutions, empirical analysis of legal and administrative institutions. Zij doet onderzoek naar de samenwerking tussen publieke en private toezichthouders bij het voorkomen en bestrijden van complexe vormen van criminaliteit en onethisch gedrag in een institutionele context.

      Gjalt de Graaf is per 1 mei 2015 hoogleraar bestuurskunde, in het bijzonder integriteit van academisch onderwijs, aan de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij houdt zich bezig met het besturen van conflicterende publieke waarden, zoals integriteit, professionaliteit, kwaliteit en effectiviteit.

      Sandra Groeneveld is met ingang van 1 oktober 2014 benoemd tot hoogleraar Public Administration with a focus on Public Sector Management aan het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden, Campus Den Haag. Zij onderzoekt de inrichting en het management van publieke organisaties, waarbij zij zich in het bijzonder richt op vragen over organisatieverandering, leiderschap en management van diversiteit.

      Martijn Groenleer is met ingang van 1 juli 2015 benoemd tot hoogleraar Regional Law and Governance aan de Universiteit van Tilburg. Hij doet onderzoek naar ontwikkeling en ontwerp van nieuwe vormen van governance in reactie op processen van globalisering en europeanisering enerzijds, en decentralisering en regionalisering anderzijds.

      Albert Meijer is op 1 mei 2014 benoemd tot hoogleraar Publiek Management, in het bijzonder Publieke Innovatie bij het departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap van de Universiteit Utrecht. Zijn onderzoek richt zich op vernieuwingsprocessen in de publieke sector met daarbij speciale aandacht voor slimme steden, transparantie, co-creatie en nieuwe technologie.

      Martijn van der Steen, co-decaan en directeur denktank van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB), is per 1 december 2015 benoemd als bijzonder hoogleraar bij de Erasmus Universiteit Rotterdam op een door de NSOB ingestelde leerstoel Strategie en Toekomst. Centraal in zijn onderzoek staat het strategisch vermogen van overheidsorganisaties om met lange termijn dynamiek, onzekerheid en complexiteit om te gaan.

      Esther Versluis is sinds 1 april 2015 hoogleraar European Regulatory Governance bij de afdeling Politieke Wetenschappen van de Universiteit Maastricht. Zij houdt zich in haar onderzoek bezig met beleid, uitvoering en toezicht op het niveau van de Europese Unie, met name wat betreft de aanpak van hardnekkige beleidsproblemen (wicked problems).

      Zeger van der Wal is assistant dean (research) en associate professor bij de Lee Kuan Yew School of Public Policy aan de National University of Singapore. Per 1 mei 2016 is hij daarnaast ook bijzonder hoogleraar op de Ien Dales Leerstoel van de Universiteit Leiden (Instituut Bestuurskunde) en het CAOP. Hij houdt zich bezig met ‘de overheid als arbeidsorganisatie’, in het bijzonder met de positie, rol en integriteit van de overheidsmanager in de 21ste eeuw.

      Kutsal Yesilkagit is met ingang van 1 september 2014 benoemd tot hoogleraar Public Administration with a focus on International Governance aan het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden, Campus Den Haag. De thema’s waarop hij zich richt, zijn de politieke controle van de bureaucratie, de bestuurlijke autonomie van publieke organisaties en de institutionele inrichting van het overheidsapparaat.

    Noten

Dr. P.M. Karré is senior onderzoeker sociaal ondernemerschap en sociale innovatie bij het lectoraat Dynamiek van de Stad van Inholland Hogeschool, karre@hybrideorganisaties.nl.

Print dit artikel