Zoekresultaat: 27 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Beleidsonderzoek Online x

    In Nederland komen tal van wicked problems (WP) voor. Ze worden ook wel aangeduid als weerbarstige problemen. Kenmerkend is het unieke karakter, het feit dat kennis over probleemaspecten beperkt is en verschillende perspectieven op een probleem en meerdere waardenoriëntaties een rol spelen. Naast cognitieve en normatieve complexiteit bestaat er ook nog sociale complexiteit. WPs zoals voetbalvandalisme spelen zich af in een beleidsnetwerk met tal van elkaar afhankelijke actoren. Kennis, preferenties, handelingsvermogen en middelen blijken gespreid en niet in de hand van één actor. Om toch tot een bevredigend resultaat te komen moeten de actoren gezamenlijk optrekken. Daarom is interorganisationeel netwerkmanagement en deliberatie met burgers een wenselijke responsestrategie. Bij WPs zijn actoren dus tot elkaar veroordeeld. Centralistische besluitvorming werkt niet. Een centrale actor kan overigens nog wel een rol vervullen als initiator, facilitator of regisseur van overleg en discussie; als arbiter bij botsende perspectieven; of beslisser na netwerkberaad en inbreng van burgers.


Arno Korsten
Arno Korsten is emeritus hoogleraar Bestuurskunde aan de Open Universiteit en aan de Universiteit Maastricht.

    Gemeenten ondersteunen, onder andere met subsidies, maatschappelijke initiatieven. Met die subsidies zijn landelijk miljoenen euro’s gemoeid. De maatschappelijke effecten van initiatieven worden niet of slechts globaal onderzocht. Een van de argumenten om dit te rechtvaardigen luidt: als er genoeg draagvlak in een wijk of dorp is, moet een initiatief wel maatschappelijke meerwaarde hebben.
    Een besluit om subsidie te verstrekken resulteert in een transactie tussen gemeente en initiatiefnemers. Met behulp van de transactiekostentheorie en de welvaartstheorie worden in deze bijdrage subsidievoorwaarden geanalyseerd. Hieruit blijkt dat de subsidievoorwaarden in de bestudeerde subsidieregelingen de transactiekosten voor partijen beperken, maar dat zelfs bij voldoende draagvlak een initiatief nog niet een maatschappelijke meerwaarde hoeft te hebben.


Willem Bokkes
Willem Bokkes heeft Algemene Economie gestudeerd aan de Erasmus Universiteit en is gepromoveerd aan de Universiteit Twente. Hij is docent-onderzoeker bij de Academie Economics & Logistics en de onderzoeksgroep Vitale Economie i.o. van NHL Stenden Hogeschool. Zijn onderzoek heeft betrekking op ex ante beleidsevaluaties.

    Een lerende evaluatie combineert leren en verantwoorden. Deze methode past bij complexe beleidsopgaven, waar meerdere actoren en overheden bij betrokken zijn die een behoefte hebben om te leren van elkaars ervaringen. In de evaluatie van het Natuurpact is deze methode op nationale schaal voor het gedecentraliseerde natuurbeleid toegepast. Uit deze casus blijkt dat een succesvolle toepassing vraagt om een voortdurende en zorgvuldige aansluiting van het onderzoek op de beleidspraktijk. Dit is nodig voor het betrekken van en interactie met stakeholders, het combineren van leren en verantwoorden, de wetenschappelijke onafhankelijkheid, het bestuurlijk mandaat en de beheersbaarheid van het onderzoek.


Rob Folkert
Rob Folkert is projectleider van het project lerende evaluatie van het Natuurpact bij het PBL.

Lisa Verwoerd
Lisa Verwoerd is onderzoeker bij de VU en is betrokken bij het uitwerken en toepassen van het procesontwerp van de lerende evaluatie Natuurpact. Ze onderzocht de waarde van deze methode.

Femke Verwest
Femke Verwest is supervisor van project lerende evaluatie van het Natuurpact bij PBL.

    Het ontwikkelen van succesvol overheidsbeleid vraagt om een systematische benutting van kennis uit wetenschap én praktijk. In dit artikel wordt beschreven op welke manier die systematische benutting kan worden bewerkstelligd. Als de afstand tussen kennis en beleidsontwikkeling kan worden verkleind en tevens wordt gekozen voor een proces van open beleidsontwikkeling, zal de benutting van kennis tijdens het beleidsproces beter verlopen. Daarbij dienen tegelijkertijd diverse voorwaarden te worden gesteld aan een adequate programmering van het corresponderende beleidsonderzoek.


Peter van Hoesel
Peter van Hoesel is emeritus hoogleraar toegepast beleidsonderzoek bij de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij was gedurende zijn gehele loopbaan actief als beleidsonderzoeker bij meerdere onderzoeksbureaus. Hij geeft regelmatig adviezen ten behoeve van beleidsevaluaties bij enkele ministeries. Hij is auteur en redacteur van diverse boeken over beleidsonderzoek.

Max Herold
Max Herold is expert op het gebied van open beleidsvorming en is werkzaam bij de rijksoverheid als senior organisatieadviseur ‘leren en ontwikkelen’. Hij promoveerde in 2017 bij de Erasmus Universiteit Rotterdam op ‘ongeschreven regels’ bij beleidsprocessen van de overheid en de wijze waarop die de omgang met de samenleving beïnvloeden.
Artikel

Access_open Welke factoren bevorderen of belemmeren het gebruik van beleidsevaluaties?

Resultaten van een studie bij de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, maart 2018
Auteurs Marjolein Bouterse en Valérie Pattyn
SamenvattingAuteursinformatie

    Alhoewel het gebruik van beleidsevaluaties (of het gebrek eraan) een van de meest besproken thema’s is in de evaluatieliteratuur, berust veel onderzoek over het thema enkel op anekdotisch bewijs, en zijn er nauwelijks studies beschikbaar die aandacht hebben voor de samenhang tussen verschillende factoren die impact kunnen hebben op het gebruik. In voorliggend artikel presenteren we de resultaten van een studie waarin we hebben getracht om op een systematische wijze inzicht te bieden in de combinaties van factoren die instrumenteel gebruik van beleidsevaluaties bevorderen of verhinderen. We onderzochten in dit verband alle evaluaties die in de periode 2013-2016 werden uitgevoerd bij de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie. Via Qualitative Comparative Analysis (QCA) bekeken we welke combinaties van de volgende factoren als noodzakelijk en/of voldoende bleken voor evaluatiegebruik: (1) politiek gehalte van het onderwerp, (2) interesse van de beleidsmakers, (3) aanwezigheid van nieuwe kennis in de evaluatie, en (4) de timing van de evaluatie.
    Voor de praktijk van beleidsmakers en evaluatoren benadrukken we het belang van tijdigheid en interesse voor een evaluatie. Onze analyse laat zien dat professionals die op deze factoren inzetten, een gunstig klimaat creëren voor het gebruik van evaluaties. Wat betreft tijdigheid lijkt het van belang de evaluatie te laten sporen met het schrijfwerk van een beleidsafdeling aan nieuw beleid of grote beleidsveranderingen. Goede anticipatie en een sterke institutionalisering van het evaluatieproces zijn hiertoe cruciaal. Of het thema van de evaluatie een sterke politieke gevoeligheid kent, is minder belangrijk. Mits sprake is van de juiste omgevingscondities, kunnen ook dergelijke evaluaties sterk instrumenteel worden benut.


Marjolein Bouterse
Marjolein Bouterse studeerde Political Science and Public Administration (research master) in Leiden. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van haar scriptie. Inmiddels werkt zij als junior beleidsonderzoeker bij Regioplan Beleidsonderzoek.

Valérie Pattyn
Valérie Pattyn is universitair docent aan het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden. Haar voornaamste onderzoeksexpertise situeert zich op het terrein van evidence-informed beleid, de politiek van beleidsevaluatie en beleidsadvisering. Daarnaast voert ze zelf ook geregeld evaluatiestudies uit binnen meerdere beleidsdomeinen.

    De Operatie Inzicht in Kwaliteit van het kabinet-Rutte III moet leiden tot beter overheidsbeleid door de kennis over de doeltreffendheid en doelmatigheid te vergroten en het evaluatiestelsel te verbeteren. De Operatie moet een cultuuromslag realiseren, niet via verplichte voorschriften maar via intrinsieke betrokkenheid. Zo’n Operatie kost veel tijd en geld en kent een politiek risico. Zolang het uitgangspunt blijft dat effectiever overheidsbeleid te realiseren is door meer aandacht voor doelmatigheid en doeltreffendheid, is de kans op verbetering klein. De uitvoerbaarheid en aanvaardbaarheid van beleid in de praktijk blijven dan te veel uit het zicht, en daarmee ook de werkelijke effectiviteit van beleid. Het institutionaliseren van ook deze twee criteria via een vernieuwde Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) zal resulteren in beter beleid en politieke verantwoording. De cultuuromslag ontstaat vanzelf wanneer de vernieuwde RPE een vanzelfsprekende manier van werken wordt. Een cultuuromslag is wel degelijk te realiseren met een voorschrift. Eenvoudiger, sneller, goedkoper en met minder politiek risico.


Meyken Houppermans
Meyken Houppermans is zelfstandig onderzoeker en adviseur, gepromoveerd op de relatie tussen de kwaliteit van de beleidsvoorbereiding en de effectiviteit van rijksbeleid. Zij is gespecialiseerd in complexe politiek-bestuurlijke vraagstukken, beleidsvoorbereiding en beleidsevaluatie. Dit essay is gebaseerd op haar proefschrift.

    Er is de laatste tijd veel aandacht voor het omgaan met onzekerheid en dynamiek in beleid. Zo is er recent de roep om leren door doen, door een overheid die samen met de samenleving het experiment aan durft te gaan. Zo’n benadering van beleid als gezamenlijk experiment is veelbelovend, maar vergt ook passende methoden voor beleidsevaluaties. Adaptief beleid speelt hierop in. De laatste jaren is een belangrijke stap gezet in de ontwikkeling van methoden waarmee adaptief beleid ontwikkeld kan worden. Voor de evaluatie en de rol van evaluaties heeft dit belangrijke implicaties. In dit artikel wordt hierop verder ingegaan, op basis van ervaringen met adaptief beleid en beleidsevaluatie binnen het Nederlandse Deltaprogramma.


Leon Hermans
Leon Hermans is werkzaam aan de Technische Universiteit Delft, Faculteit Techniek, Bestuur en Management.
Artikel

Access_open Framing en beleid

Over waarheden maken, kraken en aan elkaar haken

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, september 2017
Auteurs Ellen Wayenberg
SamenvattingAuteursinformatie

    Over eenzelfde beleid circuleren meerdere waarheden. Hoe valt dit te begrijpen? We gaan op verkenning rond ‘frame’ en ‘framing’ als veelgebruikte concepten in beleidsonderzoek. Na scherpstelling leert ons literatuuroverzicht dat een beleidskader idealiter gemarkeerd wordt als stabiel (naar basiselementen van structuur) maar in de praktijk geldt als inherent volatiel (naar voorkomen en effect). Iteratieve en vaak interactieve processen van framing kunnen dit verklaren zoals we aantonen met een case rond de Lokale Integrale VeiligheidsCellen (LIVC’s) in Brussel. Die case illustreert ook dat overheidsactoren zelf framen én met wisselend succes. Dat succes is te wijten aan factoren op individueel en institutioneel niveau en is cruciaal om vandaag te doorgronden. Want weten hoe een (on)waarheid over beleid te maken, is een eerste stap om framing (mogelijk) te kraken of meer te hanteren als tool om diverse frames, en dus finaal ook burgers, beter aan elkaar te haken. De voorbeelden van beleid en onderzoek in deze bijdrage zijn gekozen rond ‘wicked issues’ op diverse niveaus en terreinen van overheidsoptreden in België en elders.


Ellen Wayenberg
Ellen Wayenberg is professor aan de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit Gent. Ze is gespecialiseerd in publiek bestuur en beleid met een bijzondere interesse voor beleidsanalyse en -evaluatie, lokaal bestuur en multi-level governance.

    Nationaal en internationaal staat onderzoek dat maatschappelijk relevant is, wetenschappelijk gezien hoge kwaliteit heeft, en zowel integer als efficiënt wordt uitgevoerd in de schijnwerpers. Het achterliggende idee is dat alleen zo de gewenste maatschappelijke impact kan worden bereikt. Door het bevorderen van verantwoorde onderzoekspraktijken, waarbij er onder andere expliciet aandacht is voor aspecten als stakeholderparticipatie, interdisciplinaire samenwerking, replicatie en systematische reviews, kunnen financiers of programmeurs van onderzoek hieraan bijdragen. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de wijze waarop ZonMw dat doet als kennisprogrammeur op het gebied van het gezondheidsonderzoek. Hiertoe is een toetsingskader ontwikkeld en toegepast op zestien lopende onderzoeksprogramma’s, dat ook voor andere domeinen en actoren betekenis heeft. Een belangrijke aanbeveling is dat ‘verantwoord programmeren’ een eigen kennisbasis behoeft om de toegevoegde waarde ervan te kunnen bepalen. Naast investeringen in metaonderzoek vraagt dat om een goede monitoring en informatievoorziening bij de kennisprogrammeur.


Wendy Reijmerink
Wendy Reijmerink is stafmedewerker Strategie en Innovatie bij ZonMw. Zij werkt aan een promotie over de maatschappelijke impact van publieke kennisprogrammering.

Wija Oortwijn
Wija Oortwijn is sectorleider Zorg bij Ecorys. Zij heeft jarenlange ervaring met evaluaties van beleid en onderzoeksprogramma’s alsmede impactanalyses op het terrein van de zorg.
Artikel

Access_open De groeiende populariteit van de business case

Een verkennend onderzoek naar de kwaliteiten van een nieuw besluitvormingsinstrument in publieke besluitvormingsprocessen

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, juli 2016
Auteurs Maarten Hoekstra
SamenvattingAuteursinformatie

    Bij bijvoorbeeld de bouw van een gemeentelijk multifunctioneel centrum of de aanschaf van een nieuw computersysteem wordt bijna standaard om een business case gevraagd, om daarmee een zakelijke rechtvaardiging van de te nemen beslissing te verschaffen: nut en noodzaak moeten goed uit de doeken worden gedaan. Dit artikel presenteert de eerste resultaten van een zoektocht naar de (vermeende) kwaliteiten van dit besluitvormingsinstrument. Als ijkpunt voor het praktische gebruik van de business case wordt een nieuw ideaaltype van de business case geconstrueerd. De bestaande definities bieden daarvoor afzonderlijk onvoldoende houvast. Aan de hand van het ideaalmodel wordt vervolgens onderzocht hoe de business case in het publieke debat wordt gebruikt. Het datamateriaal bestaat uit 244 nieuwsberichten uit binnen- en buitenland over uiteenlopende business cases. Het artikel laat zien dat de business case sterk in opkomst is en zijn weg vindt in een divers palet van maatschappelijke thema’s en sectoren. Kwalitatieve argumenten voeren sterk de boventoon ten opzichte van cijfermatige inzichten. De belangrijkste kracht van de business case in het publieke domein ligt in het gegeven dat zowel de belangen van initiatiefnemers en bestuurders als van andere stakeholders worden benoemd.


Maarten Hoekstra
Maarten Hoekstra (m.j.hoekstra@nhl.nl) is verbonden aan het lectoraat i-Thorbecke van de NHL Hogeschool. De auteur verricht het onderzoek ‘De toegevoegde waarde van de business case’ als buitenpromovendus aan de faculteit Behavioural, Management & Social Sciences van de Universiteit Twente.

    Een lerende overheid heeft behoefte aan beleidsevaluaties die niet alleen van betekenis zijn voor het onderwerp waarop deze primair gericht zijn, maar ook bijdragen aan bredere, systematische opbouw van kennis en ervaring. Het interdepartementaal verbinden van expertise verruimt daarbij het zicht op factoren die het leren bevorderen of belemmeren.
    Een centrale vraag is of de door het beleid beoogde publieke belangen inderdaad bevorderd worden. Beleidsevaluatie moet dan niet alleen gericht zijn op effectiviteit en doelmatigheid ten aanzien van relatief gemakkelijk meetbare indicatoren, maar ook op lastig te kwantificeren essentiële waarden zoals subjectief welzijn, rechtvaardigheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid. Het verdient aanbeveling kostbare evaluatie-energie te concentreren op belangrijke kwesties waarover vooraf discussie of onzekerheid bestaat.
    Uit een oogpunt van doelmatige beleidsvoorbereiding, en omdat de uitwerking van wetgeving en beleid ex post niet altijd eenvoudig is vast te stellen, is veel aandacht nodig voor ex ante evaluatie. Van onderzoek naar werkingsmechanismen van beleidsmaatregelen wordt in dit verband terecht veel verwacht.
    Er is sprake van een paradoxaal spanningsveld tussen verwetenschappelijking en politisering van beleid. Daarom is stevig verankerde, onafhankelijke en onpartijdige beleidsevaluatie onmisbaar. Hoge methodologische kwaliteit biedt extra houvast om deze functie geloofwaardig te kunnen vervullen.
    In het streven naar systematische opbouw van kennis en ervaring naast dossier-specifieke doelbereiking kan het helpen als evaluaties zowel een specifiek als een breder geldend algemeen deel bevatten. Belangrijk is ook te sturen op een evenwichtige evaluatieportfolio per beleidsterrein, met aandacht voor ex ante en ex post methoden, uiteenlopende waarden, en verschillende informatiebronnen. Naast best practices moet daarbij ook minder geslaagd beleid in beeld worden gebracht. Voor de bruikbaarheid van evaluaties voor de praktijk is goede vertegenwoordiging van het bottom-up perspectief noodzakelijk.
    Evaluatie van beleid vereist gedegen inbedding binnen de nationale kennisinfrastructuur, effectieve samenwerking met kennisinstellingen en het up-to-date houden van het evalueren zelf. Dat is cruciaal voor het evaluatievermogen van de lerende overheid.


André Knottnerus
André Knottnerus is voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en hoogleraar Huisartsgeneeskunde aan de Universiteit Maastricht.

    De voorbije vier decennia werden er heel wat studies naar de implementatie van beleid uitgevoerd, maar deze hebben vier belangrijke tekortkomingen: (1) onduidelijke omschrijving van de afhankelijke variabele, (2) te weinig inzicht in de ‘kritieke’ onafhankelijke variabelen en te weinig aandacht voor de wijze waarop deze in combinatie met elkaar het beleidsimplementatieproces beïnvloeden, (3) te laag aantal cases en (4) te weinig aandacht voor hypothesetoetsing. Dit artikel geeft aan hoe het gebruik van Qualitative Comparative Analysis (QCA) (Ragin, 1987) een antwoord kan bieden op deze beperkingen. Deze analysemethode tracht de verschillende causale paden die het beleidsimplementatieproces beïnvloeden te identificeren en de condities of combinaties van condities die noodzakelijk of voldoende zijn in kaart te brengen. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van Booleaanse algebra. Door deze en andere specifieke eigenschappen kan QCA leiden tot vernieuwende inzichten in beleidsimplementatieonderzoek.


Maud Stinckens
Maud Stinckens is doctoraatsstudente aan het Leuvens Instituut voor Criminologie, KU Leuven.
Artikel

Access_open Publiek en privaat: een spannende relatie in de bouw- en infraketen

Reflectie op inrichten, aanbesteden en uitvoeren van DBFM(O)-projecten

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, oktober 2015
Auteurs Frits Verhees, Alfons van Marrewijk, Wim Leendertse e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    De Nederlandse rijksoverheid maakt steeds meer gebruik van DBFM(O)-contracten om grootschalige bouw- en infraprojecten te ontwikkelen en te realiseren (DBFM(O) staat voor Design, Build, Finance, Maintain en eventueel Operate). De organisatie en inrichting van deze contracten en projecten zijn ‘als vanzelfsprekend’ gegroeid en gestandaardiseerd, veelal gebaseerd op de internationale praktijk en buitenlandse voorbeelden. Dit artikel zet uiteen hoe DBFM(O)-projecten georganiseerd en gestructureerd worden door publieke en private partijen. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de resultaten wisselend zijn, maar de potentiële voordelen van DBFM(O) zijn groot. Deze potentie blijkt uit de eerste praktijkervaringen in Nederland, maar we kennen inmiddels ook de eerste negatieve gevolgen voor betrokken risicodragende partijen. We onderscheiden bij DBFM(O) zes ‘conventies’ met onderliggende spanningen waar praktijk en wetenschap, in de Nederlandse verhoudingen, kritisch op zullen moeten reflecteren.


Frits Verhees
Frits Verhees is docent honorair Planologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en tendermanager bij Heijmans.

Alfons van Marrewijk
Alfons van Marrewijk is bijzonder hoogleraar Bedrijfsantropologie, gericht op Publiek-Private Samenwerking, aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Wim Leendertse
Wim Leendertse is universitair hoofddocent Planologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en projectmanager bij Rijkswaterstaat.

Jos Arts
Jos Arts is bijzonder hoogleraar Milieu- en Infrastructuurplanning aan de Rijksuniversiteit Groningen en topadviseur bij Rijkswaterstaat.

    De Handreiking Gezonde Gemeente, een landelijk instrument voor verbetering van integraal gemeentelijk gezondheidsbeleid, wordt volgens de Gezondheidsinspectie onvoldoende gebruikt. Deze studie onderzoekt mogelijkheden voor verbeterde implementatie van de handreiking in de GGD-organisatie.
    Diverse GGD-disciplines, gemeenteambtenaren en externe respondenten zijn geïnterviewd over ervaringen en opvattingen aangaande de handreiking.
    Naast een positieve inhoudelijke waardering is er een sterke roep om concrete vertaling naar het ‘hoe’ van het gebruik. De directe voordelen van het instrument voor betrokken professionals en managers binnen en buiten de GGD-en zijn onvoldoende geëxploreerd.
    Als GGD-en het als taak zien om het gebruik van de handreiking door professionals, gemeenten en partners te stimuleren, dan zullen zij eerst de voordelen ervan moeten expliciteren. Bereidheid bij GGD-managers om professionals te sturen en faciliteren op het gebruik van instrumenten lijkt hiervoor een belangrijke randvoorwaarde.


Theo J.M. Kuunders
Theo J.M. Kuunders is onderzoeker en science practitioner bij Tranzo, Wetenschappelijk Centrum voor Zorg en Welzijn, Tilburg Universiteit. Hij is beleidsmedewerker voor een Gemeentelijke Gezondheidsdienst. Zijn onderzoek is gericht op de implementatie van landelijke richtlijnen voor gezondheidsbevordering op lokaal niveau.

Ien A.M. van de Goor
Ien A.M. van de Goor is hoogleraar Public Health aan de Tilburg Universiteit (Tranzo), is senior onderzoeker en programmaleider voor het programma ‘Effectiviteit van individuele preventie’. Zij initieert en begeleidt onderzoeksprojecten in de zorg en welzijn met bijzondere expertise in de verslavingszorg.

Theo G.W.M. Paulussen
Theo G.W.M. Paulussen (PhD) is gezondheidswetenschapper met expertise op het gebied van implementatievraagstukken bij innovaties in gezondheidsbevordering en onderwijs. Hij is verbonden aan TNO Innovation for Life, Expertise Group Life Style in Leiden.

Marja J.H. van Bon-Martens
Marja J.H. van Bon-Martens (PhD) is epidemioloog, hoofd van de Unit Epidemiologie en Nationale Monitor Geestelijke Gezondheid bij het Trimbos-instituut voor Geestelijke Gezondheid en Verslaving en als senior onderzoeker verbonden aan Tranzo, Wetenschappelijk Centrum voor Zorg en Welzijn, Tilburg Universiteit.

Hans A.M. van Oers
Hans A.M. van Oers is epidemioloog en hoogleraar Public Health aan de Tilburg Universiteit (Tranzo) met expertise op volksgezondheid en beleidsvorming. Als Chief Science Officer van System Assessment for Policy Support verbonden aan het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

    Emery Roe’s nieuwste boek, Making the Most of Messes, biedt een verfrissend antwoord op de uitdagingen waarvoor de huidige bestuurskunde zich gesteld ziet om problemen van collectief handelen onder vaak grote tijdsdruk aan te pakken met beleid, organisatie en publiek management.
    Aan de hand van actuele, veelal Nederlandse, voorbeelden worden de hoofdthema’s uit dit boek besproken. Daarin staat centraal dat veel beleid en bestuur tegenwoordig een ‘janboel’ (‘mess mongering’) veroorzaakt en dat daardoor steeds meer aandacht uitgaat naar het managen of beheersbaar houden van die ‘troep’ (‘mess management’).
    Roe bezint zich in dit boek op de vraag hoe politiek en bestuur dit soort ‘policy messes’ kunnen beheersen of voorkomen om betrouwbaarder om te gaan met voor burgers en consumenten vitale dienstverlening van wankelende banken, onvoorspelbaar treinverkeer en ander openbaar vervoer, dichtslibbende wegen, achterstallig dijkonderhoud, mislukkende ICT-projecten, uit elkaar vallende of slecht functionerende netwerken voor jeugd- en ouderenzorg, et cetera.


Rob Hoppe
Rob Hoppe is hoogleraar Beleid en Kennis aan de Universiteit Twente.

    Achterliggende motieven en overwegingen van Nederlandse overheidsbesturen om dan wel en dan weer niet te kiezen voor publiek-private samenwerking (PPS) bij infrastructurele projecten bleven tot voor kort onduidelijk. Diverse kabinetten predikten sinds het midden van de jaren tachtig uit de vorige eeuw weliswaar publiek-private samenwerking, maar daarmee was PPS nog geen feit. Wisselende (macro-)motieven werden in nota’s opgevoerd om PPS onvermijdelijk te maken, waarbij financiële meerwaarde een constante was, maar dat bleek niet genoeg. Per project wisselende (micro-)motieven moesten de gewenste PPS-keuze rechtvaardigen, waaronder ook niet-politieke motieven. Het bereiken van financiële meerwaarde bleek wel een officieel doel of motief, maar was in de praktische besluitvorming lang niet altijd de enige relevante factor. Dit betekent dat de stelling dat financiële meerwaarde juist bepalend is, niet volledig blijkt te sporen met de PPS-praktijk. Sterker gesteld, bestuurlijke afwegingen blijken vaak bepalender voor keuzen pro of contra PPS bij rijksinfrastructurele projecten, of ook van grote invloed.


Arno Eversdijk
Dr. A.W.W. (Arno) Eversdijk promoveerde in juni 2013 aan de Universiteit Maastricht op het onderwerp publieke besluitvorming over publiek-private samenwerking bij grote rijksinfrastructurele wegenprojecten. Hij is als inkoopmanager werkzaam bij Rijkswaterstaat.

Arno F.A. Korsten
Prof. dr. A.F.A. (Arno) Korsten is honorair hoogleraar Bestuurskunde van de lagere overheden aan de Universiteit Maastricht en emeritus hoogleraar Bestuurskunde aan de Open Universiteit.

    De laatste jaren is de beleidsmatige en wetenschappelijke aandacht voor ex ante onderzoek toegenomen. De vraag is of dit ook is terug te zien in het aantal studies naar concrete plannen, en in het gebruik van de uitkomsten van ex ante studies in de beleidsontwikkeling. Om dit na te gaan verrichtten we een metastudie van ex ante onderzoeken over beleid op rijksniveau, verschenen in de periode 2005 tot en met 2011. In deze bijdrage beschrijven we eerst hoe vaak en met welk doel ex ante onderzoek wordt verricht en om wat voor typen studies het gaat. Daarna nemen we het gebruik in het beleidsontwikkelings- en besluitvormingsproces onder de loep door in te zoomen op vijf ex ante onderzoeken. Een eerste conclusie is dat er inmiddels een aanzienlijk aantal ex ante studies is verschenen; een tweede dat in alle vijf casus het onderzoek belangrijke actoren in het beleidsproces bereikt heeft, maar dat de uitkomsten niet altijd doorklinken in het uiteindelijke beleid.


Carolien Klein Haarhuis
Carolien Klein Haarhuis is onderzoeker bij de afdeling Rechtsbestel, Wetgeving en Internationale en vreemdelingenaangelegenheden (RWI) van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Monika Smit
Monika Smit is afdelingshoofd bij de afdeling Rechtsbestel, Wetgeving en Internationale en vreemdelingenaangelegenheden (RWI) van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Shelena Keulemans
Shelena Keulemans is als promovenda verbonden aan de vakgroep Bestuurskunde van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

    Het voormalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans onderdeel van Economische Zaken, heeft in 2010 het aantal indicatoren waarop de minister zich in de Begroting aan de Tweede Kamer verantwoordt, vrijwel gehalveerd. Hiermee komt de Begroting dichter bij het overkoepelende document waarmee een minister aan de Kamer laat zien wat het beleid op hoofdlijnen is.

    Achtergrond was het besef dat het ministerie veel informatie verzamelt, waarvan onduidelijk was of dit wel op resultaat gericht was en in de juiste hoeveelheid. Minder indicatoren, meer gericht op resultaat en outcome, leveren een sterkere basis om meer resultaatgerichte beleidsinformatie te verzamelen. Voorts gaf dit richting voor een sterkere interne sturing op hoofdlijnen en de uit te voeren beleidsevaluaties.

    Het Programma Beleidsinformatie heeft dit traject geïnitieerd en begeleid. Dit was meer dan een technische operatie. Daarbij is een proces in werking gezet om vanuit nice-to-know een harde kern van need-to-know beleidsinformatie te genereren.


Aris Gaaff
Aris Gaaff (1949) werkte jarenlang in het bedrijfsleven en bij de overheid, tot zijn recente pensionering bij het Landbouw Economisch Instituut (LEI) van Wageningen UR. Zijn specialismen zijn beleidsevaluatie, (overheids)financiering, regionaal-economische ontwikkeling en maatschappelijke kosten-batenanalyse. Hij publiceerde onder meer over financiering van natuur, kunstsubsidies en natuurlijk kapitaal. Een publicatie over de financiering van de Eerste Wereldoorlog is in voorbereiding.

John Butter
John Butter (1958) werkt momenteel als programmamanager bij het ministerie van Economische Zaken. Hiervoor werkte hij in beleids- en managementfuncties bij de ministeries van Verkeer en Waterstaat, Landbouw, Binnenlandse Zaken en de Voedsel- en Warenautoriteit. Het accent van zijn werkzaamheden ligt op beleidsstrategie en verandertrajecten op het gebied van verkeer en vervoer, zorg en sociale zekerheid en effectieve overheid. Momenteel trekt hij een programma om belemmeringen in wet- en regelgeving waar ondernemers tegenaan lopen bij innovatieve investeringen weg te nemen.
Article

Access_open Beleidsonderzoek benutten

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, april 2014
Auteurs Prof. dr. A.F.A. Korsten en drs. Anne Douwe van der Meer AC
SamenvattingAuteursinformatie

    Achter opdrachtresearch gaat de veronderstelling schuil dat de tussen- en eindresultaten van beleidsonderzoek vroeg of laat ook benut worden en onderdeel worden van een proces van bezinning op beleid. Dit artikel handelt hierover. Diverse aspecten van benutting van onderzoek komen aan bod, zoals de definitie en vormen van benutting. Er worden vier richtingen onderscheiden om de omvang en vorm van benutting of onderbenutting op te sporen. Het artikel geeft voorts verklaringen voor achterblijvende benutting en bevat adviezen om te komen tot meer benutting. Voor ambtenaren, bestuurders en partners in beleidsnetwerken biedt deze beschouwing aanknopingspunten om researchresultaten desgewenst beter te benutten. En voor onderzoekers bevat dit artikel tal van aanzetten tot hypothesevorming voor verder onderzoek.


Prof. dr. A.F.A. Korsten
Prof. dr. A.F.A. Korsten is honorair hoogleraar Bestuurskunde van de lagere overheden aan de Universiteit Maastricht en emeritus hoogleraar Bestuurskunde aan de Open Universiteit.

drs. Anne Douwe van der Meer AC
Drs. Anne Douwe van der Meer AC is bedrijfseconoom en controller. Hij was werkzaam bij onder andere de Arbeidsvoorziening, het ministerie van Defensie, de gemeentelijke overheid en Deloitte.

    Dit artikel bevat een uitvoerige samenvatting en een beoordeling van een nieuw boek van Furubo, Rist en Speer met als (in het Nederlands vertaalde) titel: ‘Evaluatie in turbulente tijden. Reflecties op een discipline in verwarring’. De aanleiding voor dit boek is dus de opvatting dat de meeste politieke en bestuurlijke contexten voor beleidsevaluatie zo sterk in beweging zijn geraakt dat ex-post beleidsevaluatie als discipline en vanzelfsprekend onderdeel van het proces van beleidsondersteuning in crisis is geraakt en bedreigd wordt. In het kort geeft dit boek als antwoord op deze dreiging: relativeer het ideaal van ‘evidence-based’ beleid, en ga voor ‘real-time’ evaluatie; verleg uw aandacht van ex-post evaluatie ten behoeve van verantwoording achteraf naar ex-ante evaluatie tijdens de beleidsformulering en ex-durante evaluatie parallel aan de beleidsimplementatie, met als doelen: ‘early warning’, beleidsleren, en flexibel reageren op snel veranderende omstandigheden. Natuurlijk heeft dat gevolgen voor rolopvattingen en taakverdelingen in de procesarchitectuur van het beleidsproces.


Rob Hoppe
Rob Hoppe is hoogleraar kennis en beleid Universiteit van Twente, Faculteit Management en Bestuur (MB), Vakgroep Science, Technology and Policy Studies (STePS).
Toont 1 - 20 van 27 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.