Zoekresultaat: 21 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Tijdschrift Beleidsonderzoek Online x

    Naar aanleiding van 25 jaar Vereniging voor Beleidsonderzoek staat dit artikel stil bij de rol van beleidsonderzoek. Het belang daarvan wordt nogal eens onderschat – zowel door beleidsmakers als onderzoekers zelf. Vanuit een wat breder perspectief bezien blijkt het voor de huidige samenleving – getypeerd als ‘een pragmacratie’ – echter een onmisbare functie te vervullen. Beleid en praktijk zijn vaak indirect gebaseerd op wetenschappelijke concepten, onderzoeksresultaten en toekomstverkenningen. Vooral de sociale wetenschappen maken zichtbaar wat mogelijk is, en beleidsonderzoek doet dat dan ook nog eens op een tijdige, oplossingsgerichte manier. Daarbij zijn er verschillende manieren om impact te hebben, waarbij de beleidsonderzoeker moet vasthouden aan zijn onafhankelijkheid en controleerbaarheid.
    Dit artikel is een uitwerking van de lezing van Hans Boutellier op het VBO-congres op 7 november 2019 en is gebaseerd op het gelijknamige hoofdstuk uit Het seculiere experiment: Over westerse waarden in radicale tijden (herziene versie, 2019). Zie ook het essay van Peter van Hoesel, Beleidsonderzoek in de periode 1970-1995, Beleidsonderzoek Online februari 2020.


Hans Boutellier
Hans Boutellier is wetenschappelijk adviseur van het Verwey-Jonker Instituut, alsmede bijzonder hoogleraar Polarisatie en veerkracht aan de VU Amsterdam.

    Q-methodologie is een nog relatief onbekende onderzoeksmethode, met veel potentieel voor beleidsonderzoek en -analyse. De benaderingen, doelen en onderzoeksvragen in verschillende toepassingen lopen uiteen, maar vertonen ook duidelijke overeenkomsten. In dit artikel beschrijven we de belangrijkste theoretische en analytische bouwstenen van de methode, en een praktijkgericht 10-stappenplan waarmee men snel zelf aan de slag kan met Q-methodologie. Op basis van een aantal toepassingen van Q-methodologie in Nederland en Vlaanderen laat dit artikel op inzichtelijke wijze zien wat Q-methodologie toevoegt aan de toolbox van beleidsonderzoekers. Naast de theoretische achtergrond van de methode biedt deze bijdrage een praktisch stappenplan voor het gebruik van de methode in de praktijk.


Ellen Minkman
Ellen Minkman is werkzaam aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Astrid Molenveld
Astrid Molenveld is verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit Antwerpen.

    Overheidsbeleid heeft steeds meer te maken met digitalisering en data-ificering van de samenleving en het menselijk gedrag. Dat betekent uitdagingen voor beleidsevaluatoren. In dit artikel gaat het om éen van de daarmee gepaard gaande verschijnselen: Big Data en Artificiële Intelligentie (BD/AI). Het artikel stelt, na erop gewezen te hebben dat de evaluatieprofessie langere tijd niet erg actief op digitaal gebied is geweest, ten eerste de vraag wat BD/AI te bieden hebben aan evaluatieonderzoek van (digitaal) beleid. Vijf toepassingsmogelijkheden worden besproken die de kwaliteit, bruikbaarheid en relevantie van evaluatieonderzoek kunnen bevorderen. De tweede vraag is wat evaluatieonderzoek te bieden heeft, als het gaat om het analyseren/onderzoeken van de betrouwbaarheid, validiteit en enkele andere aspecten van Big Data en AI. Ook daar worden verschillende mogelijkheden (en moeilijkheden) geschetst. Naar het oordeel van de schrijver is het enerzijds dienstig (meer) gebruik te maken van BD/AI in evaluatieonderzoek, maar doen onderzoekers er ook goed aan (meer) aandacht uit te laten gaan naar: de assumpties die aan BD/AI ten grondslag liggen (inclusief het ‘black box’-probleem); de validiteit, veiligheid en geloofwaardigheid van algoritmes; de bedoelde en onbedoelde consequenties van het gebruik ervan; én de vraag of de claims dat digitale interventies die mede gebaseerd zijn op BD/AI effectief (of effectiever zijn dan andere), onderbouwd en valide zijn.


Frans L. Leeuw
Frans L. Leeuw (socioloog) is hoogleraar Recht, Openbaar Bestuur en Sociaalwetenschappelijk onderzoek aan Maastricht University. Eerder was hij o.a. directeur WODC, Hoofdinspecteur Hoger Onderwijs Onderwijsinspectie, hoogleraar evaluatieonderzoek Universiteit Utrecht, directeur doelmatigheidsonderzoek Algemene Rekenkamer en decaan Humanities Open Universiteit. Hij bereidt een boekje voor over 125 jaar empirisch-juridisch onderzoek, inclusief de nieuwste loot: digitaal empirisch-juridisch onderzoek. Eerdere publicaties handelden over diverse onderwerpen met als rode draden evaluatieonderzoek, theorieën, gedragsmechanismen, benutting van onderzoek en juridische thema’s.
Artikel

Access_open Netwerksturing

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, mei 2019
Auteurs Karen IJssels en Suzan Mathijssen
SamenvattingAuteursinformatie

    In dit artikel gaan we in op de aanleiding voor het onderzoek dat wij in 2016 uitvoerden naar het programma Stad en Regio van de provincie Gelderland en de uitkomsten van het onderzoek. Daarnaast laten we zien hoe we hebben ingezet op de doorwerking van het onderzoek, ook buiten het provinciehuis. Die doorwerking leidde uiteindelijk tot het winnen van de Goudvink, de prijs voor het beste rekenkamerrapport.


Karen IJssels
Karen IJssels is werkzaam als senior onderzoeker bij de Rekenkamer Oost-Nederland.

Suzan Mathijssen
Suzan Mathijssen is werkzaam als secretaris-directeur bij de Rekenkamer Oost-Nederland.

    In Nederland komen tal van wicked problems (WP) voor. Ze worden ook wel aangeduid als weerbarstige problemen. Kenmerkend is het unieke karakter, het feit dat kennis over probleemaspecten beperkt is en verschillende perspectieven op een probleem en meerdere waardenoriëntaties een rol spelen. Naast cognitieve en normatieve complexiteit bestaat er ook nog sociale complexiteit. WPs zoals voetbalvandalisme spelen zich af in een beleidsnetwerk met tal van elkaar afhankelijke actoren. Kennis, preferenties, handelingsvermogen en middelen blijken gespreid en niet in de hand van één actor. Om toch tot een bevredigend resultaat te komen moeten de actoren gezamenlijk optrekken. Daarom is interorganisationeel netwerkmanagement en deliberatie met burgers een wenselijke responsestrategie. Bij WPs zijn actoren dus tot elkaar veroordeeld. Centralistische besluitvorming werkt niet. Een centrale actor kan overigens nog wel een rol vervullen als initiator, facilitator of regisseur van overleg en discussie; als arbiter bij botsende perspectieven; of beslisser na netwerkberaad en inbreng van burgers.


Arno Korsten
Arno Korsten is emeritus hoogleraar Bestuurskunde aan de Open Universiteit en aan de Universiteit Maastricht.

    Gemeenten ondersteunen, onder andere met subsidies, maatschappelijke initiatieven. Met die subsidies zijn landelijk miljoenen euro’s gemoeid. De maatschappelijke effecten van initiatieven worden niet of slechts globaal onderzocht. Een van de argumenten om dit te rechtvaardigen luidt: als er genoeg draagvlak in een wijk of dorp is, moet een initiatief wel maatschappelijke meerwaarde hebben.
    Een besluit om subsidie te verstrekken resulteert in een transactie tussen gemeente en initiatiefnemers. Met behulp van de transactiekostentheorie en de welvaartstheorie worden in deze bijdrage subsidievoorwaarden geanalyseerd. Hieruit blijkt dat de subsidievoorwaarden in de bestudeerde subsidieregelingen de transactiekosten voor partijen beperken, maar dat zelfs bij voldoende draagvlak een initiatief nog niet een maatschappelijke meerwaarde hoeft te hebben.


Willem Bokkes
Willem Bokkes heeft Algemene Economie gestudeerd aan de Erasmus Universiteit en is gepromoveerd aan de Universiteit Twente. Hij is docent-onderzoeker bij de Academie Economics & Logistics en de onderzoeksgroep Vitale Economie i.o. van NHL Stenden Hogeschool. Zijn onderzoek heeft betrekking op ex ante beleidsevaluaties.

    De digitalisering van de samenleving heeft verschillende gevolgen voor de overheid en overheidsbeleid. Eén daarvan heeft betrekking op de manier waarop beleidsanalyse kan worden gebruikt. In deze bijdrage worden de mogelijkheden van meer adaptieve vormen van beleidsanalyse verkend, waarbij beleidsvoerders stap voor stap en op basis van informatie uit het beleidsproces proberen meer over de beleidsuitvoering te leren. Die vorm van beleidsanalyse, die op een aantal punten afwijkt van eerdere vormen, heeft gevolgen voor de organisatie van de overheid maar ook voor de wijze waarop het toezicht moet worden ingericht. Dat levert interessante vragen en spanningen op voor de ‘digitale’ overheid.


Bernard Steunenberg
Bernard Steunenberg is als hoogleraar verbonden aan het Instituut Bestuurskunde, Universiteit Leiden.
Artikel

Access_open Meer rendement halen uit investeringen in een betere beleidsvoorbereiding

Over samenspraak bij beleid en beleidsexperimenten bij het ontwikkelen van effectief rijksbeleid

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, juni 2017
Auteurs Meyken Houppermans
SamenvattingAuteursinformatie

    Een gedegen beleidsvoorbereiding kan beleidsfalen voorkomen. Hoewel deze thematiek al jaren aandacht krijgt in de politiek, lukt het de rijksoverheid nog niet hieraan structureel succesvol invulling te geven. In het licht van de recente Tweede Kamer verkiezingen is er hernieuwde aandacht voor samenspraak bij beleid en beleidsexperimenten om te komen tot beter beleid. Het rendement daarvan is naar verwachting beperkt. Ten eerste omdat samenspraak vaak zodanig ingeperkt is, dat de invloed van kennis voor beleid beperkt blijft. Ten tweede omdat wetenschappelijke kennis prevaleert boven de voor beleidseffectiviteit noodzakelijke tacit knowledge. De rijksoverheid kan meer rendement halen uit investeringen in een betere beleidsvoorbereiding, door de structurele afweging tot de inzet van samenspraak en beleidsexperimenten bij nieuw of gewijzigd beleid; verantwoording van deze afweging, alsmede onafhankelijke toetsing van de te verwachten beleidseffectiviteit. Investeringen in handreikingen zijn weinig zinvol. De gemeente Rotterdam geeft een goed voorbeeld.


Meyken Houppermans
Meyken Houppermans is bestuurskundig socioloog, gepromoveerd op de relatie tussen de kwaliteit van de beleidsvoorbereiding en de effectiviteit van rijksbeleid. Zij is zelfstandig adviseur/onderzoeker, gespecialiseerd in complexe politiek-bestuurlijke vraagstukken, beleidsvoorbereiding en beleidsevaluatie. Zij heeft diverse onderzoekscommissies ondersteund, begeleidt beleidsdoorlichtingen en publiceert.

    Nationaal en internationaal staat onderzoek dat maatschappelijk relevant is, wetenschappelijk gezien hoge kwaliteit heeft, en zowel integer als efficiënt wordt uitgevoerd in de schijnwerpers. Het achterliggende idee is dat alleen zo de gewenste maatschappelijke impact kan worden bereikt. Door het bevorderen van verantwoorde onderzoekspraktijken, waarbij er onder andere expliciet aandacht is voor aspecten als stakeholderparticipatie, interdisciplinaire samenwerking, replicatie en systematische reviews, kunnen financiers of programmeurs van onderzoek hieraan bijdragen. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de wijze waarop ZonMw dat doet als kennisprogrammeur op het gebied van het gezondheidsonderzoek. Hiertoe is een toetsingskader ontwikkeld en toegepast op zestien lopende onderzoeksprogramma’s, dat ook voor andere domeinen en actoren betekenis heeft. Een belangrijke aanbeveling is dat ‘verantwoord programmeren’ een eigen kennisbasis behoeft om de toegevoegde waarde ervan te kunnen bepalen. Naast investeringen in metaonderzoek vraagt dat om een goede monitoring en informatievoorziening bij de kennisprogrammeur.


Wendy Reijmerink
Wendy Reijmerink is stafmedewerker Strategie en Innovatie bij ZonMw. Zij werkt aan een promotie over de maatschappelijke impact van publieke kennisprogrammering.

Wija Oortwijn
Wija Oortwijn is sectorleider Zorg bij Ecorys. Zij heeft jarenlange ervaring met evaluaties van beleid en onderzoeksprogramma’s alsmede impactanalyses op het terrein van de zorg.
Essay

Access_open De relatie tussen burgers en overheden: nu echt aan herijken toe!

Achtergrond en aanleiding

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, december 2016
Auteurs Tjeerd Bandringa en Rob van Engelenburg
SamenvattingAuteursinformatie

    Burgers willen meer en nadrukkelijker zelf invloed hebben op hun eigen en de collectieve leefomgeving. Overheden worstelen met dit, an sich legitieme, vraagstuk, met name hoe dit vorm en inhoud gegeven moet worden binnen de vastgelegde kaders. De huidige procesgang in de relatie tussen burgers en overheden bij leefomgevingsingrijpen is gebaseerd op het aloude vierluik (spoor 1): de overheid informeert de belanghebbende burgers over haar voornemens, burgers kunnen zienswijzen indienen, die al dan niet meegenomen worden, daarna bestaat de mogelijkheid van bezwaar aantekenen (niet bindend), en tot slot kan een beroepsprocedure bij de Raad van State worden doorlopen (wel bindend maar steeds minder effectief). Kortom, een erg defensieve en steeds minder resultaatgerichte benadering. De auteurs van deze bijdrage pleiten nu voor de ontwikkeling van een tweede spoor waarbij constructieve burgerparticipatie via samenspraak en samenwerking optrekt met het bevoegd gezag om vaak sneller en goedkoper tot projectresultaten met draagvlak te komen. Helaas zijn zowel aan de zijde van de burgers als bij veel overheden de noodzakelijke randvoorwaarden nog niet ingevuld om deze coproductie op voorhand succesvol te laten verlopen. De auteurs doen een oproep aan bestuurders en politici om hier invulling aan te geven. Praktijkervaringen wijzen uit dat constructieve burgerparticipatie veel meerwaarde heeft, met name ook voor overheden.


Tjeerd Bandringa
Tjeerd Bandringa heeft als werktuigbouwkundig ingenieur meer dan 30 jaar (inter)nationale projectervaring in de procesindustrie op het gebied van energie en utilities. Hij houdt zich bezig met burgerparticipatie bij infraprojecten.

Rob van Engelenburg
Rob van Engelenburg is afgestudeerd als economisch geograaf en bestuursplanoloog en is ruim 33 jaar werkzaam bij diverse brancheorganisaties en de Vereniging van Kamers van Koophandel, in de belangenbehartiging van het georganiseerd bedrijfsleven richting overheidsinstanties. Hij is als burger betrokken bij nationale, regionale en lokale projecten, veelal op infragebied.

    Nederlandse gemeenten baseren zich veelal op de uitkomsten van de Veiligheidsmonitor (VM) om te weten hoe inwoners de veiligheid in hun woonomgeving waarderen. Ze kijken hierbij onder andere naar het rapportcijfer voor de veiligheid in de eigen buurt. Maar is dit eigenlijk wel een bruikbaar cijfer? In dit artikel nemen we het conceptuele model van Oppelaar en Wittebrood (2006) als uitgangspunt voor het uitvoeren van een regressieanalyse om te achterhalen waardoor het rapportcijfer voor veiligheid in de eigen buurt wordt verklaard. Het rapportcijfer blijkt door vele zaken te worden beïnvloed, aangevoerd door de manier waarop bewoners aankijken tegen de omvang van de criminaliteit in de eigen omgeving, de ervaren overlast en het oordeel over de wijk. Vanwege de vele kenmerken die meespelen, zo beargumenteren we, doen gemeenten er verstandig aan om het rapportcijfer niet te gebruiken.


Bart van der Aa
Bart van der Aa is senior onderzoeker bij het Onderzoekcentrum Drechtsteden.

    De Handreiking Gezonde Gemeente, een landelijk instrument voor verbetering van integraal gemeentelijk gezondheidsbeleid, wordt volgens de Gezondheidsinspectie onvoldoende gebruikt. Deze studie onderzoekt mogelijkheden voor verbeterde implementatie van de handreiking in de GGD-organisatie.
    Diverse GGD-disciplines, gemeenteambtenaren en externe respondenten zijn geïnterviewd over ervaringen en opvattingen aangaande de handreiking.
    Naast een positieve inhoudelijke waardering is er een sterke roep om concrete vertaling naar het ‘hoe’ van het gebruik. De directe voordelen van het instrument voor betrokken professionals en managers binnen en buiten de GGD-en zijn onvoldoende geëxploreerd.
    Als GGD-en het als taak zien om het gebruik van de handreiking door professionals, gemeenten en partners te stimuleren, dan zullen zij eerst de voordelen ervan moeten expliciteren. Bereidheid bij GGD-managers om professionals te sturen en faciliteren op het gebruik van instrumenten lijkt hiervoor een belangrijke randvoorwaarde.


Theo J.M. Kuunders
Theo J.M. Kuunders is onderzoeker en science practitioner bij Tranzo, Wetenschappelijk Centrum voor Zorg en Welzijn, Tilburg Universiteit. Hij is beleidsmedewerker voor een Gemeentelijke Gezondheidsdienst. Zijn onderzoek is gericht op de implementatie van landelijke richtlijnen voor gezondheidsbevordering op lokaal niveau.

Ien A.M. van de Goor
Ien A.M. van de Goor is hoogleraar Public Health aan de Tilburg Universiteit (Tranzo), is senior onderzoeker en programmaleider voor het programma ‘Effectiviteit van individuele preventie’. Zij initieert en begeleidt onderzoeksprojecten in de zorg en welzijn met bijzondere expertise in de verslavingszorg.

Theo G.W.M. Paulussen
Theo G.W.M. Paulussen (PhD) is gezondheidswetenschapper met expertise op het gebied van implementatievraagstukken bij innovaties in gezondheidsbevordering en onderwijs. Hij is verbonden aan TNO Innovation for Life, Expertise Group Life Style in Leiden.

Marja J.H. van Bon-Martens
Marja J.H. van Bon-Martens (PhD) is epidemioloog, hoofd van de Unit Epidemiologie en Nationale Monitor Geestelijke Gezondheid bij het Trimbos-instituut voor Geestelijke Gezondheid en Verslaving en als senior onderzoeker verbonden aan Tranzo, Wetenschappelijk Centrum voor Zorg en Welzijn, Tilburg Universiteit.

Hans A.M. van Oers
Hans A.M. van Oers is epidemioloog en hoogleraar Public Health aan de Tilburg Universiteit (Tranzo) met expertise op volksgezondheid en beleidsvorming. Als Chief Science Officer van System Assessment for Policy Support verbonden aan het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

    Om iets met de uitdagingen van morgen aan te kunnen, zullen onze overheden radicaal nieuwe beleidsvormen moeten ontwikkelen. Hiertoe zullen ze bewust op zoek moeten naar nieuwe ontwerpen en nieuwe combinaties van beleid. Er is een veelheid aan ontwerppraktijken waaruit ze kunnen putten. Maar dan zullen ze eerst wel moeten erkennen dat beleid maken een creatief proces is en het ook als zodanig vormgeven.


Krijn van Beek
Krijn van Beek is bestuurder en strategieontwikkelaar voor de publieke sector en onder andere initiator van de Policy Design Studio.

    Achterliggende motieven en overwegingen van Nederlandse overheidsbesturen om dan wel en dan weer niet te kiezen voor publiek-private samenwerking (PPS) bij infrastructurele projecten bleven tot voor kort onduidelijk. Diverse kabinetten predikten sinds het midden van de jaren tachtig uit de vorige eeuw weliswaar publiek-private samenwerking, maar daarmee was PPS nog geen feit. Wisselende (macro-)motieven werden in nota’s opgevoerd om PPS onvermijdelijk te maken, waarbij financiële meerwaarde een constante was, maar dat bleek niet genoeg. Per project wisselende (micro-)motieven moesten de gewenste PPS-keuze rechtvaardigen, waaronder ook niet-politieke motieven. Het bereiken van financiële meerwaarde bleek wel een officieel doel of motief, maar was in de praktische besluitvorming lang niet altijd de enige relevante factor. Dit betekent dat de stelling dat financiële meerwaarde juist bepalend is, niet volledig blijkt te sporen met de PPS-praktijk. Sterker gesteld, bestuurlijke afwegingen blijken vaak bepalender voor keuzen pro of contra PPS bij rijksinfrastructurele projecten, of ook van grote invloed.


Arno Eversdijk
Dr. A.W.W. (Arno) Eversdijk promoveerde in juni 2013 aan de Universiteit Maastricht op het onderwerp publieke besluitvorming over publiek-private samenwerking bij grote rijksinfrastructurele wegenprojecten. Hij is als inkoopmanager werkzaam bij Rijkswaterstaat.

Arno F.A. Korsten
Prof. dr. A.F.A. (Arno) Korsten is honorair hoogleraar Bestuurskunde van de lagere overheden aan de Universiteit Maastricht en emeritus hoogleraar Bestuurskunde aan de Open Universiteit.
Artikel

Access_open Monitoren en evalueren van integraal gezondheidsbeleid

Een practice-based verkenning

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, september 2014
Trefwoorden integraal gezondheidsbeleid, onderzoeksinstrumenten, monitoren en evalueren
Auteurs Ilse Storm, Marije van Koperen, Fons van der Lucht e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Integraal gezondheidsbeleid (IGB) kent in de lokale praktijk diverse verschijningsvormen en kenmerken waardoor het lastig is dit beleid te monitoren en evalueren. In een kennissynthese van Nederlandse kernpublicaties over IGB is gekeken wat op basis van ervaringen in de IGB-praktijk tot nu toe gezegd kan worden over monitoring en evaluatie. Bij deze practice-based verkenning naar IGB-kenmerken en bijbehorende praktische instrumenten is een indeling in drie categorieën gebruikt: context, processen en impact. Voorbeelden van relevante kenmerken zijn: type IGB en setting (context), verbinden beleid en activiteiten (proces), samenwerking sectoren (proces), draagvlak en verankering in organisatie (proces), en effecten op gezondheid of determinanten (impact). Op basis van de huidige IGB-praktijk lijkt het vooral haalbaar kennis te genereren over context en procesmaten, en minder over impactmaten. Uiteindelijk is een set kenmerken die meetbaar zijn met gevalideerde instrumenten wenselijk om grip te krijgen op de voortgang van IGB. Meer theoretische onderbouwing is dan wel noodzakelijk.


Ilse Storm
Ilse Storm is beleidsonderzoeker bij de afdeling Verkenningen Zorg en Preventie (VZP), centrum Gezondheid & Maatschappij (G&M), van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Marije van Koperen
Marije van Koperen is onderzoeker bij de afdeling Gezondheidswetenschappen, Faculteit Aard- en Levenswetenschappen (FALW), van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Fons van der Lucht
Fons van der Lucht is afdelingshoofd van de afdeling Verkenningen Volksgezondheid (VVG), centrum Gezondheid & Maatschappij, van het RIVM.

Hans van Oers
Hans van Oers is Chief Science Officer (CSO) Health System Assessment and Policy Support bij het RIVM en hoogleraar Public Health bij Universiteit van Tilburg (UvT)/Tranzo.

Jantine Schuit
Jantine Schuit is centrumhoofd Voeding, Preventie en Zorg bij het RIVM en hoogleraar Health Promotion and Policy bij de afdeling Gezondheidswetenschappen, Faculteit Aard- en Levenswetenschappen, van de Vrije Universiteit Amsterdam.

    De verwachtingen over de sociale wijkteams zijn hooggespannen. Menig gemeente ziet het inzetten van de teams als dé nieuwe oplossing in de aanpak van sociale problematiek en de uitdagingen waarvoor zij komen te staan met de transities en bezuinigingen. Tientallen gemeenten hebben in een kort tijdsbestek dergelijke teams ingesteld en nog meer zullen volgen. Maar wat beogen de diverse gemeenten nu precies met de wijkteams? Waar moet hun meerwaarde uit bestaan in de dienstverlening naar (kwetsbare) burgers? Geven gemeenten via de wijkteams invulling en kleur aan de decentralisatie van zorg- en welzijnstaken?


Silke van Arum
Silke van Arum is werkzaam bij Movisie als senior onderzoeker Effectiviteit.

Vasco Lub
Vasco Lub is oprichter van het Bureau voor Sociale Argumentatie. Hij richt zich op grootstedelijke vraagstukken en lokaal sociaal beleid.

    De gemeente Groningen heeft met de inzet van burgerparticipatie nieuw armoedebeleid ontwikkeld. Daarbij is gebruikgemaakt van elementen van een nieuwe onderzoeksmethodiek: de ‘Deliberatieve Peiling’. Dit artikel beschrijft de door Onderzoek en Statistiek (O&S) Groningen ingezette vernieuwende onderzoeksmethode.

    Bij een dergelijke peiling wordt een representatief deel van de doelgroep (in dit geval minima) uitgenodigd mee te werken. Deze groep is zo goed mogelijk (objectief) voorgelicht over de voor- en nadelen die samenhangen met mogelijke keuzes voor nieuw armoedebeleid. We hebben gebruikgemaakt van filmfragmenten om informatie over armoedevraagstukken over te dragen. Op basis daarvan en van de eigen ervaringsdeskundigheid wordt samen met beleidsmakers het nieuwe armoedebeleid vastgesteld.

    Opvallend aan deze aanpak is dat we minima als experts bij de totstandkoming van nieuw armoedebeleid hebben ingezet. Deze experts hebben uiteindelijk onder leiding van speciaal getrainde gespreksleiders gezamenlijk gekozen voor vier thema's. Deze thema's zullen aan de basis liggen van het nieuwe armoedebeleid.


Klaas Kloosterman
Drs. Klaas Kloosterman studeerde psychologie en werkt sinds 1998 bij O&S Groningen, waarvan geruime tijd als senior onderzoeker. Hij doet onderzoek op de gebieden zorg, welzijn, werk en inkomen.

    In dit artikel wordt de effectiviteit van de WBSO-regeling (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk) kwantitatief onderzocht. Met de WBSO kunnen bedrijven hun loonkosten voor speur- en ontwikkelingswerk verlagen. De WBSO is een belangrijke pijler van het huidige Nederlandse innovatiebeleid en bestaat sinds 1994. Ze is bedoeld om de omvang van de S&O-uitgaven bij bedrijven in Nederland te stimuleren. De belangrijkste indicator voor de effectiviteit van de WBSO is de zogenoemde 'bang for the buck' (BFTB). De BFTB geeft weer welk bedrag bedrijven extra uitgeven aan speur- en ontwikkelingswerk, per euro genoten WBSO-ondersteuning. Onze analyses laten zien dat de BFTB door de jaren heen ruim hoger is dan 1. Bedrijven die WBSO gebruiken, investeren de genoten WBSO-ondersteuning terug in S&O en doen daar zelf nog iets bovenop. De WBSO-regeling doet daarmee wat het beoogt, namelijk het bevorderen van speur- en ontwikkelingswerk, en is daarom effectief te noemen.


Wim Verhoeven
Wim Verhoeven is senior onderzoeker en accountmanager bij Panteia/EIM.

André van Stel
André van Stel is senior onderzoeker bij Panteia/EIM.
Article

Access_open Doeltreffend en evenwichtig ontwerpen van wetten

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, mei 2013
Auteurs André Nijsen, Ab van den Burg en Jaap Stumphius
SamenvattingAuteursinformatie

    Wetten beantwoorden lang niet altijd aan hun primaire doel: het reguleren van een maatschappelijk probleem. In toenemende mate lijken wetten smeerolie voor politieke processen. Dat kan en moet anders, gelet op de grote maatschappelijke risico's. Daarom zou al in de voorbereidings- en ontwerpfase van een wet een Programma van Eisen (PvE) moeten worden opgesteld, waarin wordt vastgelegd waaraan een wet ten minste moet voldoen om de realisatie van het betrokken publieke doel te borgen. Een dergelijke aanpak noemen we doeltreffend en evenwichtig wetgeven. 'Den Haag' lijkt echter te berusten in de huidige eenzijdige praktijk in de politieke besluitvorming. Hoe is dat te veranderen? Hierover gaat dit artikel.


André Nijsen
dr. André Nijsen is zelfstandig adviseur en sociaal-economisch onderzoeker.

Ab van den Burg
ir. Ab van den Burg is partner bij Van de Geijn Partners.

Jaap Stumphius
drs. Jaap Stumphius is zelfstandig onderzoeker.
Article

Access_open Spanningen tussen bevolkingsgroepen in de buurt

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, februari 2013
Auteurs Jolijn Broekhuizen, Ron van Wonderen en Erik van Marissing
Samenvatting

    Onderzoek van Bureau Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam en het Verwey-Jonker Instituut wijst uit dat het ervaren van overlast door kinderen en jongeren een van de belangrijkste oorzaken van spanningen tussen bevolkingsgroepen in buurten is. De mate van publieke familiariteit is bepalend voor de mate waarin deze overlast voor spanningen zorgt. In buurten met weinig publieke familiariteit (her)kennen bewoners elkaar niet en voelen ze zich niet vertrouwd. Ze durven jongeren en hun ouders niet aan te spreken, waardoor het ervaren van jeugdoverlast kan leiden tot opgekropte irritaties en spanningen. Hetzelfde geldt voor buurten waar bewoners weinig ruggensteun ervaren van instanties. Bewoners hebben het gevoel dat hun meldingen van overlast niet serieus genomen worden en dat ze er alleen voor staan, wat leidt tot frustraties en spanningen.


Jolijn Broekhuizen

Ron van Wonderen

Erik van Marissing
Toont 1 - 20 van 21 gevonden teksten
« 1
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.