Zoekresultaat: 41 artikelen

x

    The impact of audit office reports has received little attention in the scientific literature. In this article, various forms of impact have been distinguished with the help of Public Administration literature and factors that promote the use of evaluations have been distinguished. This theoretical framework was subsequently used for empirical research into the effect of audit office research. The extent to which the recommendations have had an impact was investigated in 20 Dutch municipalities with the aid of impact reports from audit institutions. Out of 176 publications, 94% of the 1216 recommendations were adopted by the city council. This means that the procedural impact is high. Of the 731 recommendations that could be checked at 17 municipalities, the local audit offices report that 58% had been fully implemented, 19% partially and 15% not or not tackled differently. The three categories of success factors from the scientific literature were visible in the practice of the audit offices. This applies most strongly to impact factors related to evaluation quality, in particular the factors related to communications standards, clear recommendations, timeliness and relevance to the decision maker. As far as research and decision-making factors are concerned, the commitment of the organization and the political climate are the most important factors for audit institutions. Finally, the involvement of stakeholders promotes the impact as a catalyst. The article concludes with practical lessons for promoting the processing of audit reports.


Sjoerd Keulen
Dr. S.J. Keulen is specialistisch adviseur bij de Algemene Rekenkamer. Daarnaast is hij extern lid van de Rekenkamer Utrecht.
Artikel

Hoe SyRI het belang van transparantie ­onderstreept

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 3 2021
Trefwoorden SyRI, digitisation, transparency, trust, ICT
Auteurs Tosja Selbach en Barbara Brink
SamenvattingAuteursinformatie

    The Dutch digital fraud detection system SyRI was announced to set up to detect social security fraud quickly and effectively and by doing so, maintain support for the social security system. It was the formal position that for the sake of effectiveness, no information about the algorithm and very limited information about the application of the system should be shared. The authors argue on the basis of a policy analysis, a legal exploration and a literature study that the lack of transparency about the chosen method and the application of the digital fraud detection system in social security can have far-reaching consequences for both the individual and society . The information sharing and the use of algorithms can lead to suspicion of and declining confidence in the government, and a reduced motivation to comply with the prevailing rules. This could undermine the original purpose.


Tosja Selbach
Mr. Tosja Selbach is voormalig LLM-student governance and law in digital society, Rijksuniversiteit Groningen.

Barbara Brink
Dr. Barbara Brink is postdoc-onderzoeker socialezekerheidsbeleid, vakgroep Staatsrecht, Bestuursrecht en Bestuurskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen.

    Nederland staat voor forse en complexe beleidsopgaven. Deze opgaven vragen om een bijzondere beleidsaanpak met een aansluitende wijze van beleidsevaluatie – namelijk één die leren ondersteunt om iteratief de kwaliteit van het beleid te verbeteren en de weg naar de beleidsambities te vinden. Beleidsonderzoekers en beleidsbetrokkenen werken in lerende evaluaties samen om kennis te produceren voor het gelijktijdig verantwoorden en leren van beleid. Verondersteld wordt dat de kwaliteit en bruikbaarheid van de geproduceerde kennis met deze benadering groter zijn dan bij reguliere, op verantwoording georiënteerde, evaluatiemethoden. Als gevolg daarvan zou lerend evalueren meer impact hebben op beleid voor complexe opgaven. In dit artikel wordt aandacht besteed aan de waarde van lerend evalueren vanuit het perspectief van beleidsbetrokkenen en beleidsonderzoekers van de lerende evaluatie van het Natuurpact (2014-2017), uitgevoerd door het PBL en de WUR. Geconcludeerd wordt dat lerend evalueren de kwaliteit, bruikbaarheid en impact (minder aantoonbaar) van de geproduceerde kennis vergroot, maar onder specifieke voorwaarden: namelijk wanneer onderzoekers erin slagen om leren en verantwoorden, met de bijbehorende rollen en kwaliteitsstandaarden, te benaderen als wederzijds versterkend in plaats van tegenstrijdig. Onderzoekers hebben voelsprieten nodig voor de wisselwerking tussen het proces van kennisproductie en de politiek-bestuurlijke context waarin deze kennis wordt gebruikt. Zowel in de beleids- als onderzoekspraktijk is ruimte nodig voor een verbrede kijk op de functie van beleidsevaluatie om lerend evalueren toe te kunnen passen.


Lisa Verwoerd
Lisa Verwoerd is werkzaam bij het Athena Instituut, Vrije Universiteit Amsterdam, en het Planbureau voor de Leefomgeving te Den Haag.

Pim Klaassen
Pim Klaassen is werkzaam bij het Athena Instituut, Vrije Universiteit Amsterdam.

Barbara J. Regeer
Barbara J. Regeer is werkzaam bij het Athena Instituut, Vrije Universiteit Amsterdam.

    Onder redactie van B. Guy Peters en Guillaume Fontaine verscheen in 2020 bij EE Publishers een handboek over vergelijkende beleidsanalyse. Dit terrein van onderzoek heeft stevige raakvlakken met beleidsevaluatie en beleidsanalyses (als die niet-vergelijkend zijn). Een breed en interessant spectrum van onderwerpen komt aan de orde, onder andere over methodologie(en), de rol van theorieën, diverse inhoudelijke onderwerpen en – voor wie het breed wil interpreteren – zelfs de groei van kennis op dit specialisme.


Frans L. Leeuw
Frans L. Leeuw is emeritus hoogleraar Recht, Openbaar Bestuur en Sociaalwetenschappelijk Onderzoek aan Maastricht University.
Artikel

Access_open Nudging in perspectief

De verbreding van gedragsinzichten in beleid

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, juni 2020
Auteurs Pieter Raymaekers en Marleen Brans
SamenvattingAuteursinformatie

    Theorieën en methoden uit de gedragswetenschappen betreden steeds nadrukkelijker de beleidsscene. Gedragsinzichten en nudging beloven beleid te verrijken en te versterken. Het begin van deze gedragswetenschappelijke omslag of behavioural turn laat men doorgaans samenvallen met de publicatie van het boek Nudge van Richard Thaler en Cass Sunstein in 2008. In dit artikel plaatsen we nudging in perspectief en argumenteren we dat het concept zowel een zegen als een vloek betekent, en zowel een katalysator als een rem is voor de bredere toepassing en verankering van gedragsinzichten in beleid. Ondanks het aantrekkelijke narratief botst nudging op functionele limieten en ethische bezwaren. Om de gedragswetenschappelijke, experimentele en evidence-based beleidsbeloften alsnog in te lossen, zien we een strategie van steeds verdere verbreding. Het programma van de Behavioural Insights-beweging op basis van vijf pijlers leek in eerste instantie een oplossing te bieden, maar kampt door een eendimensionale interpretatie met interne spanningen. De nog bredere en ambitieuzere Behavioural Public Policy-agenda biedt nieuwe perspectieven, maar moet op functioneel en ethisch vlak nog verder onderbouwd worden.


Pieter Raymaekers
Pieter Raymaekers is onderzoeker en vormingscoördinator bij het KU Leuven Instituut voor de Overheid. Zijn onderzoek focust op de toepassing van gedragsinzichten en nudging in beleid.

Marleen Brans
Marleen Brans is gewoon hoogleraar aan het KU Leuven Instituut voor de Overheid en schatbewaarder van de International Public Policy Association. Ze verricht voornamelijk onderzoek over de productie en consumptie van beleidsadvies.
Vrij artikel

Weinig consistent, beperkt zelfkritisch

De uitwerking van de beleidsconclusie binnen de rijksverantwoording

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 4 2019
Trefwoorden accountability, policy evaluation, policy conclusion
Auteurs Bram Faber MA en Dr. Tjerk Budding
SamenvattingAuteursinformatie

    The Dutch central government has a long history in its search to meaningfully present policy effects. One of the instruments that was developed to this end is the Policy Conclusion (beleidsconclusie). This part of the annual report, which has been mandatory since 2013, should provide a judgement for every policy article on its results in the year 2017. To what extent has the Policy Conclusion been successful in its aims? And how do various governmental departments give substance to it? For this article, all policy conclusions that were composed for the most recent reporting year were examined. Among others, our analysis shows that departments differ greatly in their interpretation of what the Policy Conclusion should include, such as the usage of sources and the way in which intended results are (re)addressed. In addition, it was found in the Policy Conclusions that a tendency exists to put a strong focus on positive outcomes.


Bram Faber MA
A.S.C. Faber MA is promovendus bij het Zijlstra Center van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Dr. Tjerk Budding
Dr. G.T. Budding is opleidingsdirecteur van de public controllersopleidingen van het Zijlstra Center van de Vrije Universiteit Amsterdam.
Thema-artikel

Van procedure naar praktijk

Inzet op effectieve onafhankelijkheidsborging bij het Planbureau voor de Leefomgeving

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 4 2019
Trefwoorden policy research organizations, research independence, political pressure, coping strategies, independence safeguards
Auteurs Dr. Femke Verwest, Dr. Eva Kunseler, Dr. Paul Diederen e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    If the stakes are high, policy researchers can find themselves under strong pressures from politicians or policy makers to compromise on issues like scope of a research project, research methodology, reporting, framing and interpretation of results, and timing of publication. Research organizations experiment with various formal and informal arrangements to cope with such pressures and guard their independence.
    This article describes six coping strategies that are being explored by the Netherlands Environmental Assessment Agency (PBL). These are: i) taking control in determining the project scope and the research questions; ii) making responsibilities explicit and guarding respective roles; iii) installing a broad based societal project advisory group; iv) having some researchers in a project that interact with stakeholders, while keeping others at a distance; v) having a differentiated communications strategy; vi) being fully transparent as to hypotheses and uncertainties regarding data and models.
    Safeguarding independence in research through formal rules and provisions is generally insufficient to protect research from undue stakeholder influence. Also changes in labor routines, relationship management and organizational cultures are needed, not only on the researcher side, but on the stakeholder side as well. This calls for dialogue and joint learning processes.


Dr. Femke Verwest
Dr. F. Verwest is plaatsvervangend sectorhoofd bij het Planbureau voor de Leefomgeving.

Dr. Eva Kunseler
Dr. E.M. Kunseler is wetenschappelijk medewerker bij het Planbureau voor de Leefomgeving.

Dr. Paul Diederen
Dr. P.J.M. Diederen is coördinator bij het Rathenau Instituut.

Dr. Patricia Faasse
Dr. P.E. Faasse is senior onderzoeker bij het Rathenau Instituut.
Thema-artikel

Positieve beleidsevaluatie: hoe evaluatieonderzoek kan bijdragen aan beter beleid

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 3 2019
Trefwoorden positive public administration, positive evaluation, positive psychology, success, policy oriented learning
Auteurs Dr. Peter van der Knaap en Dr. Rudi Turksema
Samenvatting

    New insights from the field of positive psychology led to the insight that people learn more effectively from positive feedback. Policy evaluation aims to improve public policy programmes through contributing to both accountability and learning. This ambiguous ambition has contributed to a considerable body of research into the impact of policy evaluation. Too often the conclusion is that the outcomes of policy evaluations – which are often negative by nature – are sparsely used by policy makers. This has led to series of improvements in the way we carry out evaluations. First through technical improvements and then by more responsive approaches. Both have not led to the desired breakthrough. Building on a number of positive evaluation studies, we advance a more positive approach in policy evaluation. Focussing on the successes in policy programmes rather than on its failures may contribute to evaluation impact. Consequently, we think a more positive, appreciative approach and using data to find success in policy making is necessary for policy evaluators to be more effective. This article presents practical examples of positive policy evaluations and successful use of data in the domain of policy evaluation.


Dr. Peter van der Knaap

Dr. Rudi Turksema
Artikel

De opkomst van voedselbeleid: voorbij de tekentafel

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 4 2018
Trefwoorden Food policy, Food system, Agricultural policy, Policy integration, Policy instruments
Auteurs Dr. Jeroen Candel
SamenvattingAuteursinformatie

    To address a range of interconnected food-related challenges, Dutch policymakers have invested in the development of integrated food policy in recent years. This article discusses this development in two parts. The first part contains a detailed description of the main events and lines of thinking that characterized the food policy process. From this description it becomes clear that food policy has been gradually developing towards a separate institutionalized policy domain. In the second part, this development is analysed from a policy integration perspective. This analysis shows that although considerable steps towards strengthened policy integration have been made, the Dutch ‘Food agenda’ does not yet proceed beyond symbolic levels. This particularly shows in the absence of concrete policy goals and in a policy instrument mix that has not been adjusted to strengthen consistency and effectiveness. In addition, the involvement of relevant ministries gradually decreased after the initial stages. The article concludes that the food policy process has arrived at a critical juncture: the next steps of the new government will prove decisive for whether food policy integration intentions will advance beyond the drawing board. Political and administrative leadership are identified as key conditions for such further steps to occur.


Dr. Jeroen Candel
Dr. Jeroen Candel is universitair docent bij de Bestuurskundegroep van de Wageningen Universiteit.

    Exploration of the future is about systematically exploring future developments and the possible consequences for an organization or issue. The demand for future explorations at local policy level has increased in recent years. This article focuses on the relationship between participatory future exportations and local strategic policy processes. On the basis of four case studies, the meaning of participatory foresight studies for local policy processes was investigated. The research, which was carried out as action research, shows that future explorations in local strategic policy processes can be significant in different ways: they provide new knowledge, they promote learning in an integral and future-oriented manner and they encourage social learning processes that are independent of the content, which is valuable for group dynamics. In addition, future explorations can be useful in different phases of the policy cycle. Despite the fact that participatory explorations of the future can be meaningful in local strategic policy processes, there is still a bridge between the method of future exploration on the one hand and policy processes and organizations on the other. The research shows that a demand-driven approach starting from the needs of the participants in the policy process and responding to the culture, structure and working method of the organization is a promising approach. At the same time, the research shows that there are several factors that need to be considered in order to achieve a stronger interrelatedness of future exploration and policy. The policy practice and the exploratory practice seem to be gradually evolving towards each other. On the one hand, policy practice is becoming more rational, transparent and analytical in nature through the use of future explorations, at least in policy preparation. The explorations promote substantive discussions on policy agendas and policy intentions. On the other hand, they are becoming more policy oriented through more reasoning from the policy practice in terms of process design and knowledge needs of the policy process.


Dr. Nicole Rijkens-Klomp
Dr. N. Rijkens-Klomp is in 2016 gepromoveerd aan de Universiteit Maastricht bij prof. Pim Martens, met dr. Ron Cörvers als haar co-promotor. Ze heeft sinds 2004 een eigen bedrijf in Antwerpen op het gebied van toekomstverkenning (foresight & design studio Panopticon). Daarnaast werkt ze aan het Scientific Institute for Sustainable Development (ICIS) van de Universiteit Maastricht.

Dr. Ron Cörvers
Dr. R.J.M. Cörvers is wetenschappelijk directeur van het Scientific Institute for Sustainable Development (ICIS) van de Universiteit Maastricht.

    Volgens de Marylandschaal is rct het best mogelijke type beleidsonderzoek. Rct is dan ook het boegbeeld van het evidence-based onderzoek. De kritiek op rct’s is echter in de loop van de jaren alleen maar groter geworden. Bovendien blijkt uit een recente meta-evaluatie dat de non-experimentele onderzoeken niet tot andere uitkomsten leidden dan de rct’s. Al met al wordt te veel geloof gehecht aan de evidence-based benadering in het algemeen en rct’s in het bijzonder. Vandaar de vraag: wordt het misschien tijd voor een Maryland Scientific Methods Scale 2.0?


Jos Mevissen
Jos Mevissen is partner bij Regioplan Beleidsonderzoek te Amsterdam en voorzitter van de redactie van Beleidsonderzoek Online.

    Een lerende evaluatie combineert leren en verantwoorden. Deze methode past bij complexe beleidsopgaven, waar meerdere actoren en overheden bij betrokken zijn die een behoefte hebben om te leren van elkaars ervaringen. In de evaluatie van het Natuurpact is deze methode op nationale schaal voor het gedecentraliseerde natuurbeleid toegepast. Uit deze casus blijkt dat een succesvolle toepassing vraagt om een voortdurende en zorgvuldige aansluiting van het onderzoek op de beleidspraktijk. Dit is nodig voor het betrekken van en interactie met stakeholders, het combineren van leren en verantwoorden, de wetenschappelijke onafhankelijkheid, het bestuurlijk mandaat en de beheersbaarheid van het onderzoek.


Rob Folkert
Rob Folkert is projectleider van het project lerende evaluatie van het Natuurpact bij het PBL.

Lisa Verwoerd
Lisa Verwoerd is onderzoeker bij de VU en is betrokken bij het uitwerken en toepassen van het procesontwerp van de lerende evaluatie Natuurpact. Ze onderzocht de waarde van deze methode.

Femke Verwest
Femke Verwest is supervisor van project lerende evaluatie van het Natuurpact bij PBL.
Artikel

Access_open Welke factoren bevorderen of belemmeren het gebruik van beleidsevaluaties?

Resultaten van een studie bij de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, mei 2018
Auteurs Marjolein Bouterse en Valérie Pattyn
SamenvattingAuteursinformatie

    Alhoewel het gebruik van beleidsevaluaties (of het gebrek eraan) een van de meest besproken thema’s is in de evaluatieliteratuur, berust veel onderzoek over het thema enkel op anekdotisch bewijs, en zijn er nauwelijks studies beschikbaar die aandacht hebben voor de samenhang tussen verschillende factoren die impact kunnen hebben op het gebruik. In voorliggend artikel presenteren we de resultaten van een studie waarin we hebben getracht om op een systematische wijze inzicht te bieden in de combinaties van factoren die instrumenteel gebruik van beleidsevaluaties bevorderen of verhinderen. We onderzochten in dit verband alle evaluaties die in de periode 2013-2016 werden uitgevoerd bij de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie. Via Qualitative Comparative Analysis (QCA) bekeken we welke combinaties van de volgende factoren als noodzakelijk en/of voldoende bleken voor evaluatiegebruik: (1) politiek gehalte van het onderwerp, (2) interesse van de beleidsmakers, (3) aanwezigheid van nieuwe kennis in de evaluatie, en (4) de timing van de evaluatie.
    Voor de praktijk van beleidsmakers en evaluatoren benadrukken we het belang van tijdigheid en interesse voor een evaluatie. Onze analyse laat zien dat professionals die op deze factoren inzetten, een gunstig klimaat creëren voor het gebruik van evaluaties. Wat betreft tijdigheid lijkt het van belang de evaluatie te laten sporen met het schrijfwerk van een beleidsafdeling aan nieuw beleid of grote beleidsveranderingen. Goede anticipatie en een sterke institutionalisering van het evaluatieproces zijn hiertoe cruciaal. Of het thema van de evaluatie een sterke politieke gevoeligheid kent, is minder belangrijk. Mits sprake is van de juiste omgevingscondities, kunnen ook dergelijke evaluaties sterk instrumenteel worden benut.


Marjolein Bouterse
Marjolein Bouterse studeerde Political Science and Public Administration (research master) in Leiden. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van haar scriptie. Inmiddels werkt zij als junior beleidsonderzoeker bij Regioplan Beleidsonderzoek.

Valérie Pattyn
Valérie Pattyn is universitair docent aan het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden. Haar voornaamste onderzoeksexpertise situeert zich op het terrein van evidence-informed beleid, de politiek van beleidsevaluatie en beleidsadvisering. Daarnaast voert ze zelf ook geregeld evaluatiestudies uit binnen meerdere beleidsdomeinen.

    De digitalisering van de samenleving heeft verschillende gevolgen voor de overheid en overheidsbeleid. Eén daarvan heeft betrekking op de manier waarop beleidsanalyse kan worden gebruikt. In deze bijdrage worden de mogelijkheden van meer adaptieve vormen van beleidsanalyse verkend, waarbij beleidsvoerders stap voor stap en op basis van informatie uit het beleidsproces proberen meer over de beleidsuitvoering te leren. Die vorm van beleidsanalyse, die op een aantal punten afwijkt van eerdere vormen, heeft gevolgen voor de organisatie van de overheid maar ook voor de wijze waarop het toezicht moet worden ingericht. Dat levert interessante vragen en spanningen op voor de ‘digitale’ overheid.


Bernard Steunenberg
Bernard Steunenberg is als hoogleraar verbonden aan het Instituut Bestuurskunde, Universiteit Leiden.

    Er is de laatste tijd veel aandacht voor het omgaan met onzekerheid en dynamiek in beleid. Zo is er recent de roep om leren door doen, door een overheid die samen met de samenleving het experiment aan durft te gaan. Zo’n benadering van beleid als gezamenlijk experiment is veelbelovend, maar vergt ook passende methoden voor beleidsevaluaties. Adaptief beleid speelt hierop in. De laatste jaren is een belangrijke stap gezet in de ontwikkeling van methoden waarmee adaptief beleid ontwikkeld kan worden. Voor de evaluatie en de rol van evaluaties heeft dit belangrijke implicaties. In dit artikel wordt hierop verder ingegaan, op basis van ervaringen met adaptief beleid en beleidsevaluatie binnen het Nederlandse Deltaprogramma.


Leon Hermans
Leon Hermans is werkzaam aan de Technische Universiteit Delft, Faculteit Techniek, Bestuur en Management.

    The increased complexity of multilevel democracies makes the evaluation of the performances of the government an increasingly difficult task for citizens. Multilevel governance involves information costs, which makes it more difficult for citizens to give clear responsibility for government tasks to the correct level of government. This article contains the first study that is focussing on the responsibility perceptions in the Netherlands. The authors do not just look at who citizens hold responsible for certain government tasks, but they also look at the consequences of these perceptions for the mechanism of accountability. The satisfaction of citizens are with the policy in a particular area should only influence the political support for the level of government they hold responsible. Results of the research are that in line with this perspective a strong correlation exists between satisfaction with the pursued policy and trust of the citizens in this government, in proportion as they hold a level of government more responsible. On the other hand there are large differences between citizens, that correlate with their level of education. So there are also large groups of citizens for whom it is not possible to keep governments responsible for the policy pursued, because they simply do not know which government is responsible.


Lisanne de Blok MSc
E.A. de Blok MSc is promovendus aan de Universiteit van Amsterdam. Hiervoor deed ze een research master sociale wetenschappen aan dezelfde universiteit en liep ze stage bij de Raad voor het openbaar bestuur (Rob).

Prof. dr. Wouter van der Brug
Prof. dr. W. van der Brug is hoogleraar Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.
Artikel

Access_open Huisvestingsbeleid en nieuwe scholen

Over de noodzaak van een geografisch perspectief op onderwijs

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 4 2016
Trefwoorden housing policies, education markets, new schools, educational geography, friction costs
Auteurs Prof. dr. Sietske Waslander
SamenvattingAuteursinformatie

    While international research gives increasing attention to geographical factors in education, this perspective is lacking in Dutch research and policy. That a geographical perspective is badly needed, is demonstrated on the basis of the proposed policy to promote new schools in the Netherlands. Current housing policies for Dutch schools are described, pointing at disputes between municipalities and school boards who hold shared responsibilities. Next, foreign housing policies for new schools are studied, that is for friskolor in Sweden, free schools in England and charter schools in Texas (USA). Experiences abroad not only testify that very different choices can be made, but indicate that housing policies may in the long run have a substantial impact on segregation and educational inequality. It is also shown that new schools are mainly located in urban areas. It is argued that in addition to costs for new schools, friction costs for existing schools need to be considered. In all, a geographical perspective on education is needed, so as to prevent increasing segregation and social inequality as well as wasting public financial resources.


Prof. dr. Sietske Waslander
Prof. dr. Sietske Waslander is als hoogleraar sociologie verbonden aan de TIAS School for Business and Society en actief in het GovernanceLAB van TIAS.
Artikel

Nieuw systeem, nieuwe kansen?

Ouders in Amsterdam-West over (de)segregatie in het basisonderwijs.

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 3 2016
Trefwoorden Segregation, Educational reform, Parents, Attitudes, Amsterdam
Auteurs Dr. Bowen Paulle, Drs. Jonathan Mijs en Drs. Anja Vink
SamenvattingAuteursinformatie

    In 2015 Amsterdam introduced a new primary school admissions system. This system is rooted in various desegregation pilots, including two based on the ‘controlled choice’ approach. In conjunction with one of these pilots located in West Amsterdam, we researched the criteria parents used while thinking about (de-)segregation in primary schools and parents’ attitudes regarding the controlled choice approach. Due to political developments between 2008 and 2011, we considered our data useless for policy discussions. The introduction of a new admissions system, however, gives our data a newfound relevance. This article therefore describes how parents in socio-economically diverse neighbourhoods think about segregation and school choice. The 249 parents we interviewed or surveyed supported schools with a ‘good mix’, but they had diverging opinions about the meaning of such terms. The parents were optimistic with regard to controlled choice, even if this could in some ways limit their own options. We conclude that the political resistance to desegregation at the primary school level cannot be justified by empirically unfounded claims about the perceptions and preferences of parents. We hope that our findings may lead to empirically grounded policy evaluation and policy making.


Dr. Bowen Paulle
Dr. Bowen Paulle is universitair docent sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Drs. Jonathan Mijs
Drs. Jonathan Mijs is promovendus in de sociologie aan Harvard University.

Drs. Anja Vink
Anja Vink is journalist voor onder andere Vrij Nederland, NRC Handelsblad en De Correspondent, en auteur van Witte zwanen, zwarte zwanen de mythe van de zwarte school. Ze heeft gedoceerd aan onder andere de Universiteit van Amsterdam.
Artikel

De opkomst van de nudge unit

Organisatorische inbedding van gedragswetenschappen in beleid – ontwikkelingen en dilemma’s in de praktijk

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 3 2016
Trefwoorden nudging, nudge units, government departments, organization
Auteurs Drs. Jorren Scherpenisse
Samenvatting

    The world of public administration is changing: in many countries around the globe specialized behavioral insights units are on the rise in governments. Behavioral insights teams (or nudge units) are often modelled on the famous BIT UK, although there are important national variations. These units specialize in the application of behavioral insights to the design and evaluation of public policies. This article reports on an interview with the the leader of the Behavioral Insights Team of the Ministry of Economical Affairs in the Netherlands. Four main items are discussed: (1) What projects should behavioral insights units undertake? (2) What mix of professional expertise is necessary? (3) What processes should be instituted? And (4) How should these units be positioned within existing government departments?


Drs. Jorren Scherpenisse

    Local authorities know for some time from experience with partnerships with local communities in the area of sustainable development that the urgency of climate change increases and that citizens develop into an equal partner. The convergence of these two motivations asks for an innovative way of acting, in which the performance of local authorities is a crucial factor for the ultimate success of local sustainable energy projects in which citizens are actively involved or will be involved. This article exposes the ways in which local authorities innovate with policy for the support of active citizenship in the production of locally generated sustainable energy. The article also explores the barriers that arise. The authors analyse two cases on different levels of government; ‘The Energy-workplace’ (in the Dutch province Fryslân) and ‘The Armhoede sustainable energy landscape’ (in the Dutch municipality Lochem). The cases show that policy innovations crystallize as well at ‘arm’s length’ distance as in the direct sphere of influence of the (local) authority. However, innovation takes place by the grace of the space in the existing institutional framework and the political (and administrative) system. Formal guidelines (like policy or regulation), persons, and informal practices of the traditional policy implementation may hinder a productive interaction between (active) citizens and government.


Beau Warbroek MSc
W.D.B. Warbroek MSc is promovendus aan het Department of Governance and Technology for Sustainability (CSTM) van de Universiteit Twente en de stichting University Campus Fryslân (UCF).

Dr. Thomas Hoppe
Dr. T. Hoppe is als universitair hoofddocent verbonden aan de Multi-Actor Systems-vakgroep (MAS-POLG) van de Technische Universiteit Delft.
Toont 1 - 20 van 41 gevonden teksten
« 1 3
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.