Zoekresultaat: 565 artikelen

x

    Energy planning and the realization of a new energetic infrastructure has become an issue for many actors. The local setting has become polycentric. Against this background the authors have tried to answer the question of the possible consequences of a polycentric local decision-making arena for the realization of sustainable energy transition, especially the implementation of smart grids. Polycentrism is characterised by configurations of units that are multi-level, multi-purpose, multi-sectoral and multi-functional. The impact of these configurations can be assessed using four criteria: control, efficiency, political representation and local self-determination. The authors used these criteria to analyse two cases. Both cases show that the consequences of polycentrism are variable and differ on the four criteria. The analysis shows tensions in polycentric configurations between control and efficiency on the one hand and local self-determination and political representation on the other. This outcome was a reason for the authors to argue for a better institutional design for the local polycentric arena with the help of the seven ‘rules-in-use’ of Elinor Ostrom. Her design is universal but requires specific local application. In this way more justice can be done to the local circumstances in order to be able to achieve effective results.


Imke Lammers MSc
I. Lammers MSc is als promovenda verbonden aan het Department of Governance and Technology for Sustainability (CSTM) van de Universiteit Twente.

Dr. Maarten Arentsen
Dr. M.J. Arentsen is als universitair hoofddocent verbonden aan het Department of Governance and Technology for Sustainability (CSTM) van de Universiteit Twente.
Artikel

De slag om duurzaamheid in de polycentrische regio’s Randstad en Rijn-Roergebied

Tijdschrift Bestuurs­wetenschappen, Aflevering 3 2016
Auteurs Simon Goess MSc, Prof. dr. Ellen van Bueren en Prof. dr. Martin de Jong
SamenvattingAuteursinformatie

    In polycentric urban regions one can find different, mutually related cities without a clear centre. In these regions cities cooperate to attract inhabitants and employment, but at the same time they are each other’s competitors. The Randstad (Netherlands) and the Rhine-Ruhr area (Germany) both can be seen as polycentric regions. The authors explore to what extent these regions possess a common identity and common agenda and to what extent this promotes the sustainability and energy transition of these regions. In both regions identity appears to have grown especially at subregional level, by historically developed spatial-economic profiles of the different cities or suburban regions. In addition the cities in these regions more and more wish to distinguish themselves in the area of sustainability. Every city wants to be the smartest, greenest and healthiest, and to be at the forefront in energy transition and climate mitigation. In the Dutch Randstad this competitive drive especially seems to contribute to the realization of sustainability projects at the local level. And that is exactly why regional cooperation is important: to allocate resources as well as possible and to avoid transfer to others. This can be improved by the development of subregional or regional sustainability visions.


Simon Goess MSc
S. Goess MSc is werkzaam aan de Technische Universiteit Delft. Hij deed in Delft een master op het gebied van Sustainable Energy Technology.

Prof. dr. Ellen van Bueren
Prof. dr. E.M. van Bueren is als hoogleraar Urban Development Management verbonden aan de Technische Universiteit Delft.

Prof. dr. Martin de Jong
Prof. dr. W.M. de Jong is werkzaam als Antoni van Leeuwenhoek Research Professor aan de Technische Universiteit Delft en eveneens verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Dr. Rik Reussing
Dr. G.H. Reussing is onderwijscoördinator van de opleiding European Public Administration aan de Universiteit Twente en redactiesecretaris van Bestuurswetenschappen.
Artikel

Access_open De groeiende populariteit van de business case

Een verkennend onderzoek naar de kwaliteiten van een nieuw besluitvormingsinstrument in publieke besluitvormingsprocessen

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, juli 2016
Auteurs Maarten Hoekstra
SamenvattingAuteursinformatie

    Bij bijvoorbeeld de bouw van een gemeentelijk multifunctioneel centrum of de aanschaf van een nieuw computersysteem wordt bijna standaard om een business case gevraagd, om daarmee een zakelijke rechtvaardiging van de te nemen beslissing te verschaffen: nut en noodzaak moeten goed uit de doeken worden gedaan. Dit artikel presenteert de eerste resultaten van een zoektocht naar de (vermeende) kwaliteiten van dit besluitvormingsinstrument. Als ijkpunt voor het praktische gebruik van de business case wordt een nieuw ideaaltype van de business case geconstrueerd. De bestaande definities bieden daarvoor afzonderlijk onvoldoende houvast. Aan de hand van het ideaalmodel wordt vervolgens onderzocht hoe de business case in het publieke debat wordt gebruikt. Het datamateriaal bestaat uit 244 nieuwsberichten uit binnen- en buitenland over uiteenlopende business cases. Het artikel laat zien dat de business case sterk in opkomst is en zijn weg vindt in een divers palet van maatschappelijke thema’s en sectoren. Kwalitatieve argumenten voeren sterk de boventoon ten opzichte van cijfermatige inzichten. De belangrijkste kracht van de business case in het publieke domein ligt in het gegeven dat zowel de belangen van initiatiefnemers en bestuurders als van andere stakeholders worden benoemd.


Maarten Hoekstra
Maarten Hoekstra (m.j.hoekstra@nhl.nl) is verbonden aan het lectoraat i-Thorbecke van de NHL Hogeschool. De auteur verricht het onderzoek ‘De toegevoegde waarde van de business case’ als buitenpromovendus aan de faculteit Behavioural, Management & Social Sciences van de Universiteit Twente.
Artikel

Access_open Bouwen aan de ideale bestuurskunde

Reflecties van tien jonge hoogleraren

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 2 2016
Trefwoorden Public Administration, Policy Sciences, Academia vs. practice
Auteurs Dr. Philip Marcel Karré
Samenvatting

    For this article, part of a series on the future of the discipline in the Netherlands, the author has talked to ten newly appointed professors in the field of public administration. We discussed their background, how they see their role and position within university and society and how they view recent developments in our field of study and our discipline. The young professors share their view on how our discipline could and should develop and what their role will be in this process.


Dr. Philip Marcel Karré
Diversen: Rubrieken

Publiek-private samenwerking in Nederland en Vlaanderen: een review van veertien proefschriften

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 2 2016
Trefwoorden Flanders, Netherlands, public-private partnerships (PPP), review
Auteurs Dr. Marlies Hueskes, Prof. dr. Joop Koppenjan en Prof. dr. Stefan Verweij
Samenvatting

    Public-private partnerships (PPPs) have attracted considerable attention in the Netherlands and Flanders, as witnessed by the recent wave of doctoral theses on this topic. This article presents a review of fourteen Dutch and Flemish doctoral theses, published in the period 2012-2015. The main purpose of the review was to examine what the theses’ most important findings and conclusions are. We found that they mainly focus on themes related to effectiveness, transaction costs, and legitimacy. However, although PPPs are often part of a debate between opponents and proponents, none of the studies found convincing arguments for or against the use of PPPs. Instead, most studies stressed the importance of contextual factors for the success of PPPs. The doctoral theses provided various valuable recommendations for practitioners regarding, e.g., the optimization of PPP procurement and the importance of soft management aspects such as collaborative working and process management. We observed that most theses studied PPPs by applying traditional theories and methods and that the majority focused on the early project phases of planning, procurement, and contracting. More research is needed into the later project phases. Finally, since the generalizability of the theses is limited, more programmatic, quantitative, and (international) comparative research is required.


Dr. Marlies Hueskes

Prof. dr. Joop Koppenjan

Prof. dr. Stefan Verweij
Artikel

Waarom evalueren beleidsmakers?

Een longitudinale analyse van motieven voor beleidsevaluatie in Vlaamse ministeriële beleidsnota’s

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 2 2016
Trefwoorden policy evaluation, evaluation purposes, Flanders, document analysis, evaluation discourse
Auteurs Drs. Bart De Peuter en Dr. Valérie Pattyn
Samenvatting

    The evaluation purpose is decisive for how a policy evaluation is eventually used and deserves more attention in policy evaluation studies. In the present article, we investigated the motives underpinning concrete evaluations, as outlined in four series of Flemish ministerial policy notes that altogether span a 20-year policy period. The most important key finding is that the evaluation purposes are not sensitive to certain modes, neither are they strongly influenced by reforms and corresponding discourse. Despite the introduction of New Public Management oriented reforms in the Flemish public sector and the financial crisis, the relative share of attention that each of the evaluation purposes get has remained relatively unchanged across time. There seems to be a stable demand for ex ante and ex post evaluations and associated evaluation purposes. The common perception of a trend towards ever more evidence-based policy can hence not be confirmed. Remarkable as well is the low share of attention given to ‘accountability’, at least in discourse.


Drs. Bart De Peuter

Dr. Valérie Pattyn
Artikel

Systematisch leren van evalueren

Waarden, effectiviteit, onafhankelijkheid en kwaliteit als pijlers voor de brug tussen wetenschap en politiek

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 2 2016
Trefwoorden Policy, Evaluation, Accountability, Learning, Values
Auteurs Prof. Dr. André Knottnerus, Dr. Peter de Goede en Dr. Peter van der Knaap
Samenvatting

    Policy evaluation has two main functions: it should lead to policy oriented learning and facilitate accountability. Rendering account is considered an important democratic duty but is not very popular with politicians and, hence, public officials. Learning is popular, but in practice it is often difficult to organize or, indeed, witness.
    This contribution addresses the question how, in both functions, policy evaluation could be better utilized. As a starting point we the tension between scientific and political rationality and the barriers associated with these different worlds to the development of knowledge.
    As indispensable for sound and productive knowledge management in government the article outlines the importance of societal values, policy effectiveness as a research angle, and the independence of researchers at major evaluations. In addition, relevant research questions, high methodological quality, responsiveness, good timing, and clear and accessible reporting are indispensable. It is argued that these are by no means abstract notions but can be brought into real day-to-day practice.
    The conclusion is that a knowledge agenda for policy evaluation that is based on the search for effective policy interventions and societal values can help to bridge politics and science.


Prof. Dr. André Knottnerus

Dr. Peter de Goede

Dr. Peter van der Knaap
Artikel

Beleidsevaluatie, kennis en politiek: nieuw optimisme rond klassieke paradoxen

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 2 2016
Auteurs Dr. Peter van der Knaap en Dr. Valérie Pattyn

Dr. Peter van der Knaap

Dr. Valérie Pattyn
Artikel

Probleemanalyse is het halve werk

Samenwerking en innovatie in de strijd tegen ondermijnende criminaliteit

Tijdschrift Bestuurs­wetenschappen, Aflevering 2 2016
Auteurs Maurits Waardenburg BSc, Bas Keijser BSc, Prof. dr. Martijn Groenleer e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Science and practice are largely agreed on the importance of interorganizational cooperation in the approach of tackling complex societal problems. Organization transcending innovation through this type of cooperation however appears to be complicated. Based on an analysis of the literature about partnerships, the authors distinguish three challenges: coping with the tension between old and new accountability structures, building good working relationships and developing capabilities for problem-oriented working. Starting from these insights they designed action research into problem-oriented partnerships in the safety domain (safety chain). Their main question was: what is the most important obstacle for innovation through problem-oriented interorganizational cooperation? Over a period of nine months, they watched eight teams of professionals from different organizations. Their task was to develop and implement innovative approaches to tackle persistent organized crime. Although all three challenges identified in the literature indeed played a prominent role, problem diagnosis and problem definition appeared to be the main obstacle for the teams. In this article the authors describe the action research and explore, on the basis of the results and the literature, how partnerships could cope in practice with the challenge of problem definition and problem analysis. They conclude the article with suggestions for the design of a follow-up round of the action research.


Maurits Waardenburg BSc
M. Waardenburg MPP is research fellow aan het Ash Center for Democratic Governance and Innovation van de Kennedy School of Government, Harvard University.

Bas Keijser BSc
B. Keijser BSc is bezig met de afronding van zijn master Systems Engineering, Policy Analysis and Management aan de Faculteit Techniek, Bestuur & Management van de Technische Universiteit Delft.

Prof. dr. Martijn Groenleer
Prof. dr. M.L.P. Groenleer is hoogleraar Regional Law and Governance aan Tilburg University en tevens directeur van het Tilburg Center for Regional Law and Governance (TiREG).

Dr. Jorrit de Jong
Dr. J. de Jong is lecturer in Public Policy and Management aan de Harvard Kennedy School en wetenschappelijk directeur van het Government Program bij het Ash Center for Democratic Governance and Innovation van de Kennedy School of Government, Harvard University.

    In the safety domain important developments are currently taking place concerning the way in which administrative and tactical operations are dealt with in crises. It is characteristic for the approach that cooperation in chains and networks is increasingly needed to arrive at a suitable approach. In this essay, the authors analyse two subdomains in two concrete cases on how cooperation between several parties takes shape and functions. For that purpose, they differentiate between acute and non-acute crises. In the subdomain ‘acute crises’, they have chosen the case of the Dutch town Moerdijk (the fire at the Chemie-Pack company in 2011). In the subdomain of non-acute crises, they focus on community safety partnerships (‘Veiligheidshuizen’), especially on the community safety partnership in the Dutch province of Friesland (‘Veiligheidshuis Friesland’). In both subdomains the establishment of a good basic cooperation and leadership structure appears to be of prime importance. From there it is necessary to respond in a flexible manner (to be able to execute custom-made work). Within that framework, the capacity may develop to arrange a well-structured and effective cooperation at the operational level (ad hoc in acute crises), to monitor progress properly and to carry out targeted interventions if the developments in the situation ask for these interventions. A good knowledge of each other’s frame of reference is necessary to make this work, so that a maximum level of integration in the approach is achieved.


Dr. Jelle Dijkstra
Dr. J.H. Dijkstra is lector Persoonlijk Leiderschap & Innovatiekracht aan het Instituut voor Economie & Management (ECMA) van de NHL Hogeschool te Leeuwarden.

Dr. Marc Jacobs
Dr. M.A. Jacobs is voormalig districtschef bij de politiekorpsen Utrecht en Leeuwarden, senior docent en onderzoeker Integrale Veiligheid aan de Thorbecke Academie te Leeuwarden.

    Politicians and scientists in the Netherlands often claim that only municipalities with over 100,000 inhabitants (so called ‘100,000+ municipalities’) have enough administrative power to be able to carry out their tasks in the future well. This is also the case for the responsibilities that recently have handed over to the Dutch municipalities as part of the three decentralizations. Against the background of this debate, the authors of this essay argue that the experiences of the four European microstates – Andorra, Liechtenstein, Monaco and San Marino –may offer an interesting frame of reference where it concerns the delivery of public services. These four countries have all the responsibilities and tasks of a sovereign state, but at the same time three of the four countries have a population of fewer than 40,000 inhabitants. Also, the fourth country is smaller than a 100,000+ municipality. Despite the small size of these states, their public services are of an exceptionally high level. Therefore this essay tries to answer two questions: How is this possible? What can we learn from the experiences of these microstates about the debate on scale and administrative power in the Netherlands?


Dr. ir. Pepijn van Houwelingen
Dr. ir. P. van Houwelingen is onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Dr. Wouter Veenendaal
Dr. W.P. Veenendaal is onderzoeker bij het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde.

    This contribution describes civil service professionalism from a functionalist perspective: the most important function of civil service professionalism is creating, developing and maintaining the authority of governments. Contrary to common opinion, moral authority in our day appears to be of prime importance. Citizens appreciate moral authority, but this important source of authority is often underused by political-administrative officials (especially by them). By making better use of moral authority, civil servants – policy officials and executive officials – could play a much bigger role. In order to achieve this, their professionalism must be improved by creating a broad civil service charter from which (to a certain extent) they can derive a right for civil service professionalism. In the context of the present political debate in the Netherlands on the normalization of the legal status of civil servants, there is an opportunity now to make real progress in this matter. It would be a good thing if civil servants would make themselves heard in this debate. Looking after the moral dimension of the work of civil servants and the accountability in this respect is not only a matter for the Dutch cabinet and those preparing the civil service charter, but also for the civil servants in different parts of the Dutch civil service themselves.


Prof. dr. Gabriël van den Brink
Prof. dr. G.J.M. van den Brink is emeritus hoogleraar Maatschappelijke bestuurskunde aan de Tilburg University (Universiteit van Tilburg). Op 27 november 2015 hield hij zijn afscheidsrede.

Drs. Thijs Jansen
Drs. M. Jansen is universitair docent en senior onderzoeker aan de Tilburg University (Universiteit van Tilburg) bij de School voor Politiek en Bestuur.

Dr. Rik Reussing
Dr. G.H. Reussing is onderwijscoördinator van de opleiding European Public Administration aan de Universiteit Twente en redactiesecretaris van Bestuurswetenschappen.

    Een lerende overheid heeft behoefte aan beleidsevaluaties die niet alleen van betekenis zijn voor het onderwerp waarop deze primair gericht zijn, maar ook bijdragen aan bredere, systematische opbouw van kennis en ervaring. Het interdepartementaal verbinden van expertise verruimt daarbij het zicht op factoren die het leren bevorderen of belemmeren.
    Een centrale vraag is of de door het beleid beoogde publieke belangen inderdaad bevorderd worden. Beleidsevaluatie moet dan niet alleen gericht zijn op effectiviteit en doelmatigheid ten aanzien van relatief gemakkelijk meetbare indicatoren, maar ook op lastig te kwantificeren essentiële waarden zoals subjectief welzijn, rechtvaardigheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid. Het verdient aanbeveling kostbare evaluatie-energie te concentreren op belangrijke kwesties waarover vooraf discussie of onzekerheid bestaat.
    Uit een oogpunt van doelmatige beleidsvoorbereiding, en omdat de uitwerking van wetgeving en beleid ex post niet altijd eenvoudig is vast te stellen, is veel aandacht nodig voor ex ante evaluatie. Van onderzoek naar werkingsmechanismen van beleidsmaatregelen wordt in dit verband terecht veel verwacht.
    Er is sprake van een paradoxaal spanningsveld tussen verwetenschappelijking en politisering van beleid. Daarom is stevig verankerde, onafhankelijke en onpartijdige beleidsevaluatie onmisbaar. Hoge methodologische kwaliteit biedt extra houvast om deze functie geloofwaardig te kunnen vervullen.
    In het streven naar systematische opbouw van kennis en ervaring naast dossier-specifieke doelbereiking kan het helpen als evaluaties zowel een specifiek als een breder geldend algemeen deel bevatten. Belangrijk is ook te sturen op een evenwichtige evaluatieportfolio per beleidsterrein, met aandacht voor ex ante en ex post methoden, uiteenlopende waarden, en verschillende informatiebronnen. Naast best practices moet daarbij ook minder geslaagd beleid in beeld worden gebracht. Voor de bruikbaarheid van evaluaties voor de praktijk is goede vertegenwoordiging van het bottom-up perspectief noodzakelijk.
    Evaluatie van beleid vereist gedegen inbedding binnen de nationale kennisinfrastructuur, effectieve samenwerking met kennisinstellingen en het up-to-date houden van het evalueren zelf. Dat is cruciaal voor het evaluatievermogen van de lerende overheid.


André Knottnerus
André Knottnerus is voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en hoogleraar Huisartsgeneeskunde aan de Universiteit Maastricht.
Artikel

Robots en arbeid: technologisch determinisme revisited?

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 2 2016
Trefwoorden Robots, technological determinism, organizational choice, new technology, technological unemployment
Auteurs Dr. Fabian Dekker
SamenvattingAuteursinformatie

    In today’s debate on the impact of new technology on employment, many fear that robots will substitute human labour. Due to increased exposure to market pressure and the decline in union power, the adoption of new technology at the workplace is perceived as an inevitable course in order to remain competitive. This rejects the basic principles behind organizational choice theory: the idea that technology is shaped by social agency. Analysis of qualitative data from 23 in-depth interviews in two sectors of the Dutch economy shows that the use of robotics at the workplace is far more limited than anticipated.


Dr. Fabian Dekker
Dr. Fabian Dekker is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij doet onderzoek naar flexibilisering van werk, jeugdwerkloosheid en nieuwe technologie. Website: www.fabiandekker.nl.
Artikel

Big data, grote vragen; een institutionele onderzoeksagenda

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 1 2016
Trefwoorden big data, institutions, checks and balances, decision making, research agenda
Auteurs Prof. dr. Hans de Bruijn en Dr. Haiko van der Voort
SamenvattingAuteursinformatie

    In this final contribution we will summarize the main findings of this special issue. Moreover, we will think through the main consequences. The contributions all suggest major societal shifts. Organization of government is changing as a consequence of big data. They either reorganize or initiate new collaborations with businesses and knowledge institutions. What’s more, the processes of data generation, data processing and use are far from neutral. It requires more - at least other - technological knowledge and skills, which some possess and others not. New checks and balances are necessary, notably between data scientists and decision makers, between organizations that make big data their business and civilians, and maybe even between man and computer. Their relations might get reconfigured and those not familiar with the new big data methods will prove vulnerable. This final contribution contains an institutional research agenda that will meet these concerns.


Prof. dr. Hans de Bruijn
Prof.dr. J.A. de Bruijn is hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft

Dr. Haiko van der Voort
Dr. H.G. van der Voort is universitair docent aan de Technische Universiteit Delft
Artikel

Van kaas naar big data

Data science Alkmaar, het living lab van Noord-Holland Noord

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 1 2016
Trefwoorden big data, innovation, data-driven societies, data science, smart cities
Auteurs Dr. Ir. Martijn van Otterlo en Prof. dr. Frans Feldberg
SamenvattingAuteursinformatie

    Big data can be seen as vital fuel for the innovation of diverse processes in both companies and in government policies and practices. In this short article we describe local efforts in the region around the Dutch city of Alkmaar in which the (local) government, (local) companies and a nearby university (Vrije Universiteit Amsterdam) work together on data-related challenges in a typical triple-helix structure. The municipality of Alkmaar gathers activities in a physical location to stimulate interaction and cooperation among (potential) partners, and it engages in the formation of new governance structures to increase both the intensity and the regional spread of the activities around data. All this raises many new and interesting issues and challenges for public administration researchers and practitioners.


Dr. Ir. Martijn van Otterlo
Dr. ir. M. van Otterlo is postdoctoraal onderzoeker aan de Vrije Universiteit van Amsterdam

Prof. dr. Frans Feldberg
Prof. dr. J.F.M. Feldberg is hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam
Artikel

Wilde data: over de sociale gevolgen van Big, Open, en Linked Data systemen

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 1 2016
Trefwoorden BOLD, autonomic computing, social consequences technology
Auteurs Dr. Dhoya Snijders
SamenvattingAuteursinformatie

    This article focuses on the question how Big, Open and Linked Data systems (BOLD) are shifting human-data relations. BOLD is creating a new type of society which is both data-focused and data-driven. Both governments and citizens are measuring, analyzing and verifying data and acting upon these types of analyses. As BOLD is itself becoming intelligent, the process of collecting, linking, and analyzing data is no longer merely the domain of humans. Machine-learning is picking up speed and algorithmic accuracy is being maximized as data are becoming more complex and unpredictable its output. Both citizens and governments will increasingly have to deal with non-human actors in the form of intelligent data-driven systems. By referring to literature on human-animal relations this article makes the argument that data systems are gaining autonomy and a certain level of wildness. As such systems are mediating human relations, the article argues that social relations are shifting to becoming triad relationships in which intelligent information systems are a significant actor.


Dr. Dhoya Snijders
Dr. D. Snijders is projectleider Big Data bij de Stichting Toekomstbeeld der Techniek
Toont 161 - 180 van 565 gevonden teksten
1 2 5 6 7 9 11 12 13 28 29
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.