Zoekresultaat: 465 artikelen

x
Artikel

Met recht risico's reduceren

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 3 2007
Auteurs Bert Niemeijer en Peter van Wijck
SamenvattingAuteursinformatie

    The degree to which individuals accept to face risks appears to be declining. Therefore, individuals put pressure on the government to take measures to reduce risks. The risk society tends to be associated with an instrumental view on criminal law, i.e. risk reduction is considered the main goal of criminal law. In this article factors that may cause a reduction in risk acceptance are investigated. Moreover, implications in the field of civil and administrative law are discucced.


Bert Niemeijer
Bert Niemeijer is plv. directeur van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum van het ministerie van Justitie en hoogleraar rechtssociologie aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam. Recente publicaties van zijn hand zijn 'Verdeling van rechtspraak', Beleidswetenschap, 20 (1): 30-47; 'Vanishing or Increasing Trials in the Netherlands?', Journal of dispute resolution, vol. 2006 (1): 71-107 (beide met C. Klein Haarhuis) en Een wereld van geschillen. Over het gebruik van gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures, oratie, Boom Juridische Uitgevers, Den Haag (2007).

Peter van Wijck
Peter van Wijck is coördinator strategieontwikkeling bij het ministerie van Justitie en universitair docent rechtseconomie aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden. Tot zijn recente publicaties behoren 'Welvaartseffecten van juridische bijstand', Tijdschrift voor openbare financiën, 2005: 292-307 en 'Recht door de windtunnel', NJB, 2007: 1404-1411 (met Richard de Wit en Stavros Zouridis).
Boekbespreking

Boekbespreking

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 1 2007
Auteurs Ank Michels
Auteursinformatie

Ank Michels
De auteur is docent aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap, Universiteit Utrecht, en was lid van de Nationale conventie.
Boekbespreking

De reproductie van bestuurlijk gezag in een tijdperk van mediatisering

Onder redactie van Duco Bannink

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 1 2010
Auteurs Peter Scholten
Auteursinformatie

Peter Scholten
Peter Scholten is universitair docent beleid en politiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Correspondentiegegevens: Dr. P.W.A. Scholten Erasmus Universiteit Rotterdam Faculteit der Sociale Wetenschappen Postbus 1738 3000 DR Rotterdam p.w.a.scholten@fsw.eur.nl

    Although long recognized as beneficial, a global language has not come to fruition despite considerable past efforts. A major reason is that many policy makers and citizens fear that such a universal language would undermine the particularistic, constituting primary languages of local and national communities. This dilemma can be greatly diminished by a two tier approach, in which efforts to protect the primary language will be intensified but all the nations involved would agree to use the same second language as the global one. Although theoretically the UN or some other such body could choose such a language, in effect English is increasingly occupying this position. However, policies that are in place slow down the development of a global language, often based on the mistaken assumption that people can readily gain fluency in several languages.


Amitai Etzioni
Amitai Etzioni is universiteitshoogleraar aan de George Washington University in Washington DC en directeur van het Insititute for Communitarian Policy Studies. Hij wordt beschouwd als een van de grondleggers van het communitarisme. Enkele van zijn meest bekende werken zijn The Active Society (1969), The Spirit of Community (1993) en The New Golden Rule (1996).

    Horizontal governance arrangements potentially conflict with the very principles of representative democracy and, likewise, with the existing political institutions. This conflict manifests itself in the interaction between representatives and the executive power: although the former have the formal power, the latter participates in horizontal networks and therefore has the resources that are necessary to form good policy. This erodes the power position of representatives. Frame work setting is commonly suggested as an arrangement for representatives to enhance their grip on policy processes in network-settings. The authors of this contribution examine the effects of frame setting as coupling mechanism between horizontal networks and vertical politics in six policy processes in a Dutch Province. Based on both theory and research findings they redefine the concept of framework setting in order to make it more attuned to the complex, interdependent and dynamic nature of policy-making in networks.


Joop Koppenjan
Joop Koppenjan is bestuurskundige en als universitair hoofddocent verbonden aan de faculteit Techniek, Bestuur en Management van de Technische Universiteit Delft. Hij doet onderzoek naar besluitvorming en sturing in beleidsnetwerken. In 2004 publiceerde hij met Erik-Hans Klijn het boek Managing Uncertainties in Networks, Londen: Routledge. Recente publicatie: 'Conflict en consensus in beleidsnetwerken: teveel of te weinig?', Bestuurswetenschappen, 60/2 (2006): 86-113. Correspondentiegegevens: Technische Universiteit Delft Faculteit TBM Jaffalaan 5 2628 BX Delft 015-2788062 j.f.m.koppenjan@tudelft.nl

Mirjam Kars
Mirjam Kars is universitair docent bij de faculteit Techniek, Bestuur en Management van de Technische Universiteit Delft. Zij doet onderzoek naar governance van nutsectoren, in het bijzonder de telecommunicatiesector. In 2004 promoveerde zij aan de Radboud Universiteit Nijmegen op het proefschrift Globalisation and regional co-operation. The case of European telecommunications. Recente publicatie: 'The governance of cybersecurity: a framework for policy'. Journal of critical infrastructures, 2/4 (2006): 357-378, met M.J.G. van Eeten, J.A. de Bruijn, H.G. van der Voort en J. Till.

Haiko van der Voort
Haiko van der Voort is toegevoegd docent bij de faculteit Techniek, Bestuur en Management van de Technische Universiteit Delft. Zijn onderwijs en onderzoek richt zich op besluitvorming en normen in beleidsnetwerken. Hij bereidt een proefschrift voor over toezicht. Recente publicatie: 'Het verband tussen liberalisering en publieke waarden. Over de vraag waarom het kan vriezen en dooien'. Bestuurswetenschappen, 61/6 (2007), met W.M. Dicke, J.A. de Bruijn, M.L.C. de Bruijne, B.M. Steenhuisen en W.W. Veeneman.
Artikel

'Anorexia consulta'?

Afslanking adviesinfrastructuur Rijksdienst, deel 2

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 4 2007
Auteurs Rob Hoppe
SamenvattingAuteursinformatie

    The Netherlands has a well-developed, internationally unique system of expert advice founded in law. In addition to being instrumental for problem solving, advisory bodies are assigned tasks in mid- and long-term strategy formulation, putting new issues on the agenda, and organizing countervailing powers and checks and balances in national policy formulation. A decade ago, the number of advisory bodies was drastically reduced. Present cabinet policy pursues a second round of slimming advisory infrastructure. Through political centralization of demand for advice, and a further reduction in the number and diversity of advisory bodies, serviceable and instrumental expert advice for policy is prioritized. In times of new wicked problems for governance, there is a serious threat of erosion of expert policy advice as countervailing power. Does the present cabinet suffer from 'anorexia consulta'?


Rob Hoppe
Rob Hoppe is politicoloog en als hoogleraar Beleid en Kennis verbonden aan de Faculteit voor Management en Bestuur van de Universiteit Twente. Hij is co-auteur van de leerboeken Beleid en Politiek en Beleidsnota's die (door)werken. Samen met Matthijs Hisschemöller, Bill Dunn en Jerry Ravetz publiceerde en redigeerde hij Knowledge, Power, and Participation in Environmental Policy Analysis, Policy Studies Review Annual. Vol. 12 (2001).Ook was hij lid en voorzitter van de redactieraad van Beleidswetenschap. In zijn onderzoek richt hij zich vooral op de relatie tussen (wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke) kennis en beleid. De afgelopen jaren coördineerde hij, samen met Willem Halffman, een interuniversitair en interdisciplinair door NWO gesponsord onderzoekproject, 'Rethinking Political Judgment and Science-Based Expertise'. Correspondentieadres: Universiteit Twente Faculteit Management en Bestuur Vakgroep Science, Technology, Health and Policy Studies (STeHPS) Prof. dr. R. Hoppe Postbus 217 7500 AE Enschede r.hoppe@utwente.nl

    Municipalities expect that outsourcing, autonomization and privatization will reduce costs or even create revenues. Such decisions also have costs. An analysis of 38 reports by local audit offices shows that municipalities are not aware or unable to calculate these costs. Based on thirteen cases of autonomization and privatization in a large Dutch municipality, this article shows for example that personnel costs can be very high. Municipalities should therefore make better informed decisions, based on managerial considerations, rather than political reasons.


Sandra van Thiel
Sandra van Thiel is universitair hoofddocent bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Correspondentiegegevens: Dr. S. van Thiel Erasmus Universiteit Rotterdam Faculteit der Sociale Wetenschappen Afdeling bestuurskunde Postbus 1738 (kamer M8-42) 3000 DR Rotterdam vanthiel@fsw.eur.nl

Robin Snijders
Robin Snijders is bestuurskundige en civiel technicus en werkzaam bij MNO Vervat als project engineer.

    In the Netherlands, new horizontal forms of accountability have in recent years been introduced for executive agencies. These forms of accountability address other stakeholders besides the hierarchical principal. It includes for example demonstrating responsiveness to clients, independent overseers or professional standards. In this article, two related questions are answered. At first the question is posed whether horizontal accountability can be regarded as a substitute for democratic accountability or as complementary to it. The second question is how their introduction fits with traditional (vertical) forms of accountability. The article is based on a qualitative research that was carried out in 2005 and 2006 on nine large Dutch executive agencies. It focuses on two types of horizontal accountability: accountability of agencies to boards and to an independent evaluation committee ('visitation'). The article concludes that horizontal accountability is best regarded as complementary to democratic accountability. Horizontal accountability has added value because it invokes learning processes. In addition, the introduction of horizontal forms of accountability creates a redundant accountability regime for executive agencies in which they account for the same actions to different accountees. Redundancy has the advantages that it mitigates information asymmetry and incorporates the different expectations for agencies.


Thomas Schillemans
Dr. T. Schillemans is universitair docent bestuurskunde aan de Tilburgse School voor Politiek en Bestuur van de Universiteit van Tilburg. Hij promoveerde in 2007 op het proefschrift Verantwoording in de schaduw van de macht: Horizontale verantwoording bij zelfstandige uitvoeringsorganisaties, Den Haag: Uitgeverij LEMMA. Voorts verscheen van zijn hand 'Medialogica. Oorzaken, gevolgen en remedies'. Tijdschrift voor Communicatiewetenschap. 34/2 (2006): 133-143 (met K. van Beek en R. Rouw). Correspondentiegegevens: Universiteit van Tilburg Tilburgse School voor Politiek en Bestuur Postbus 90153 5000 LE Tilburg t.schillemans@uvt.nl

    Demand-steering policies in healthcare are understandable but problematic answers to the desire for democratization that dates from the seventies of the former century. Prominent critics such as Achterhuis and Illich were very critical of the undemocratic character of health care. Yet their romantic idea of society excused them from the need to articulate democratic alternatives. The empty space that they left was filled by the concept of demand-steering. Demand-steering, however, rather than strengthening democratic practices, merely undermines them, by preferring exit above voice, by putting up new bureaucratic barriers between clients and professionals and by undermining the quality of the relationship between clients and professionals.

    Doing more justice to the democratic impulse is possible and desirable. A new step towards this aim is being taken by a fourth logic of steering, (next to the familiar logics of the market, bureaucracy and professionalism) that centers on improving the dialogue between clients and professionals. The one variant, democratic professionalism, starts from the position of the professional and aims at intensifying democratic control, while the other variant, collaboration, starts from the client and aims at providing him with more influence and responsibility for the health care process. This fourth logic however can only provide a new impulse to democratization when the vague notion of the dialogue is elaborated more thoroughly.


Evelien Tonkens
Evelien Tonkens is bijzonder hoogleraar actief burgerschap bij de afdeling sociologie en antropologie van de Universiteit van Amsterdam en opleidingsdirecteur/docent van de masteropleiding social policy and social work in urban areas van de Uva. Correspondentieadres: UvA – afdeling sociologie en antropologie, Oudezijds Achterburgwal 185, 1012 DK Amsterdam, e-mail: e.h.tonkens@uva.nl

Frans van Waarden
Frans van Waarden is werkzaam als hoogleraar beleid en organisatie en fellow aan University College Utrecht van de Universiteit Utrecht. Correspondentiegegevens: Prof. Dr. F. van Waarden University College Utrecht Postbox 80145 3508 TC Utrecht F.vanwaarden@fss.uu.nl
Artikel

Beleidsvervreemding van publieke professionals

Theoretisch raamwerk en een casus over verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 2 2009
Auteurs Lars Tummers, Victor Bekkers en Bram Steijn
SamenvattingAuteursinformatie

    In this article, we introduce the concept of 'policy alienation'. We define policy alienation as a general cognitive state of psychological disconnection from the policy program being implemented, here by a public professional who regularly interacts directly with clients. By introducing policy alienation, we want to contribute to the contemporary debate on the role of public professionals. According to some authors, professionals are experiencing increasing pressures, as managers have turned their backs to work floors and primarily opt for results, efficiency, and transparency. Conversely, other scholars note that it is questionable whether managers can be blamed for all perceived problems at work floors and in service delivery. We are able to examine these opposing claims using the policy alienation perspective, as this perspective not only takes into account the role of management, but also the influence of policy makers and politicians, as well as the claims of the more emancipated clients. After conceptualizing policy alienation, we use a case of insurance physicians and labor experts to illustrate how the concept can be researched empirically.


Lars Tummers
Lars Tummers werkt op de Erasmus Universiteit Rotterdam aan een proefschrift over beleidsvervreemding van publieke professionals en is adviseur bij PricewaterhouseCoopers Advisory, People & Change. Correspondentiegegevens: Drs. L.G. Tummers, MSc Erasmus Universiteit Rotterdam Faculteit Sociale Wetenschappen Departement Bestuurskunde Postbus 1738 3000 DR Rotterdam tummers@fsw.eur.nl

Victor Bekkers
Victor Bekkers is hoogleraar bestuurskunde, in het bijzonder de empirische studie van overheidsbeleid, aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Bram Steijn
Bram Steijn is hoogleraar HRM in de publieke sector aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Bob de Graaff
Bob de Graaff is hoogleraar terrorisme en contraterrorisme aan de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden; tevens is hij Socrates-hoogleraar voor politieke en culturele reconstructie aan de Universiteit Utrecht. Correspondentiegegevens: Prof. dr. B.G.J. de Graaff Universiteit Leiden Faculteit der Sociale Wetenschappen Instituut Bestuurskunde Wassenaarseweg 52 2333 AK Leiden bgraaff@fsw.leidenuniv.nl
Artikel

Hoe effectief sturen provincies op de realisering van windenergie?

Een evaluatie van de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 2 2006
Auteurs Marieke van Duyn, Hens Runhaar, Susanne Agterbosch e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    In the Netherlands, an ambitious policy goal of 1,000 MW of wind power capacity by the year 2000 had already been formulated in 1985 and remained the official basis for wind energy policy until 2000. The pace of realisation of wind turbines however did not keep up with this policy objective. An important reason is that it proves difficult to provide enough locations for wind turbines in spatial plans. Over the last 15 years two covenants have been concluded between the Dutch central government and provinces in order to overcome this problem: the 1991-Governmental Agreement on Planning Problems Wind Energy (BPW), and the 2001-Governmental Agreement on the National Development Wind Energy (BLOW). In the BLOW provinces have agreed to work towards the realisation of wind turbines with a total capacity of 1,500 MW in 2010. For this purpose provinces need the co-operation of municipalities, wind power project developers and local communities. Municipalities have a crucial role because of their discretion of detailed allocation of land use in local spatial plans. They are no partners to the covenant however. Provinces can use several governance strategies for mobilising co-operation: from top-down governance in which provinces specify locations to bottom-up approaches in which the initiatives are left to municipalities and project developers. This paper compares both covenants and assesses the effectiveness of different governance strategies employed by three distinct provinces.


Marieke van Duyn
Marieke van Duyn is beleidsmedewerkster bij de Zuid-Hollandse Milieudefensie.

Hens Runhaar
Hens Runhaar is universitair docent Adres: Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling en Innovatie, Universiteit Utrecht Postbus 80115, 3508 TC Utrecht, h.runhaar@geo.uu.nl

Susanne Agterbosch
Susanne Agterbosch is promovendus.

Marco Tieleman
Marco Tieleman is sr. adviseur bij CEA.
Artikel

De Koning en de spreektelegraaf

Een begrippenkader voor de bestudering van de invloed van overheidsincentives op innovatieve ondernemingen

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 2 2006
Auteurs Helen Stout en Martin de Jong
SamenvattingAuteursinformatie

    Traditionally, technological transitions in infrastructure bound sectors are matters for the private sector. History teaches us that as soon as technological transitions proved successful, government sooner or later got involved with the distribution. Most of this involvement, both in history and now, has taken the form of public regulation with the help of various formal legal instruments.

    This article aims to answer three questions, namely (1) what ideational and materials drives can be distinguished in the government's involvement in these technological transitions, (2) through what legal instruments are these objectives expressed and how , and (3) what are the incentives of these formal legal instruments on innovative private entrepreneurs for their further technological pursuits. How were their behavioural options affected by the use of statutory acts, concessions, permits and/or licences? Incentives to private innovators are qualified as positive, neutral or negative. The research method chosen has been inspired by insights from legal sociology, public choice theory and strategic actor behaviour in qualitative simulation-games, but follows distinct methodological steps. Throughout the article a case study on the transition from telegraphy to telephony in The Netherlands will be used to illustrate the discussion.


Helen Stout
Prof. mr. dr. Helen Stout is hoogleraar Recht en Infrastructuren aan de Technische Universiteit Delft, h.d.stout@tbm.tudelft.nl, tel. (015)-278 54 16

Martin de Jong
Dr. Martin de Jong is universitair hoofddocent aan de Technische Universiteit Delft, w.m.dejong@tbm.tudelft.nl, tel. (015)-278 80 52

    The EU is transforming the function and power of the Dutch parliament as an institution, and the way in which its principal actors, the governing and opposition parliamentary party groups, interact with each other and the government. This article seeks to address the question: How does parliamentary scrutiny over EU decision-making function in the Netherlands and how has this new role for parliament changed both parliamentary and executive relations in the country and the interaction of parties in parliament? For the purposes of this research, this paper uses the typology of King. The author has conducted a number of in-depth interviews with Dutch MPs. Overall, this article concludes the process of parliamentary scrutiny over EU matters in the Netherlands is no longer exclusively about finding a national consensus towards the outside world, but increasingly mirrors the rough and tumble of normal, domestic politics.


Ronald Holzhacker
Ronald Holzhacker is werkzaam bij de Universiteit Twente.

    This article is the introduction to this special issue in which the Europeanisation of Dutch polity, politics and policy forms the central focus of attention. The main question we address in this special issue is to what extent the Netherlands has changed under the influence of processes of Europeanisation. This article first discusses the state-of-the-art Europeanisation literature; then it sets out to discuss four problems with this literature. Based on the insights generated by the contributors to this special issue, the authors conclude that for a better understanding of processes of Europeanisation, the EU should no longer be seen as an actor, but rather as an (cluster of) arena(s) in which a variety of actors (member states, EU institutions, interest groups, et cetera) are trying to achieve their political goals.


Sebastiaan Princen
Verbonden aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap van de Universiteit Utrecht Adres: Bijlhouwerstraat 6, 3511 ZC Utrecht, e-mail: s.princen@usg.uu.nl

Kutsal Yesilkagit
Verbonden aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap van de Universiteit Utrecht Adres: Bijlhouwerstraat 6, 3511 ZC Utrecht, e-mail: k.yesilkagit@usg.uu.nl

    The displacement of political decision making from the classic bodies of representative democracy to non democratically legitimised arenas is a major threat to contemporary representative democracy. In this essay, three displacements are discussed: from parliamentary to deliberative processes, from political to professional decision making, and from national to international arenas. Several of the safeguards that have been developed in parliamentary democracy over the past centuries, such as representation, transparency, majority voting, and public accountability, are missing or are underdeveloped in these new arenas. The essay explores how these safeguards could be introduced into these new arenas and concludes that the displacement of politics should be attended by a dissemination of democracy.


Mark Bovens
Prof. dr Mark Bovens is als hoogleraar bestuurskunde verbonden aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap van de Universiteit Utrecht. Zijn meest recente boek is: De digitale republiek: Democratie en rechtsstaat in de informatiemaatschappij (Amsterdam: Amsterdam University Press 2003). Dit essay markeert zijn afscheid als redactievoorzitter van B en M. Adres: Bijlhouwerstraat 6, 3511 ZC Utrecht, e-mail: m.bovens@usg.uu.nl
Artikel

Hoe verkoop ik een spoorweg?

De lessen van het privatiseringsstreven bij de Betuweroute, HSL-Zuid en Zuiderzeelijn

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 3 2005
Auteurs Joop Koppenjan en Martijn Leijten
SamenvattingAuteursinformatie

    In December 2004, the report of the Dutch Parliamentary Investigation Committee on Infrastructural Projects was published. This committee investigated the budgets overruns of two large rail projects currently under construction in the Netherlands: the Betuwe Line and the High Speed Line (HSL)-South. The committee also looked at how mistakes that were made in the earlier projects had been avoided in the construction of the Zuiderzee Line, a project currently under preparation. The report provides a look inside the struggle of the Dutch national government from the beginning of the 1990s in their public-private partnership (PPP) efforts. In this contribution, we provide an analysis of the motives, approach and results of privatisation of these three projects on the bases of the detailed empirical analysis provided by the Committee. We seek explanations of how privatisation with these three projects evolved and what lessons can be drawn. It appears that practices have so far been far from good and instead of committing to the obligation to apply PPP in every large infrastructural project, the government should first find out how PPP in such projects should actually be carried out.


Joop Koppenjan
Joop Koppenjan is bestuurskundige en als universitair hoofddocent verbonden aan de faculteit Technologie, Bestuur en Management van de Technische Universiteit Delft. Hij doet onderzoek naar besluitvorming en sturing in beleidsnetwerken en publiek private samenwerking bij de totstandkoming en het beheer van publieke infrastructuur. In 2004 was hij als staflid betrokken bij de werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie Infrastructuur en deed hij onderzoek naar de privatisering van de Betuweroute. Recente publicaties: Adres: Technische Universiteit Delft, sectie Beleidskunde/Organisatie en Management, Postbus 5015, 2600 GA Delft, e-mail: j.f.m.koppenjan@tbm.tudelft. nl

Martijn Leijten
Martijn Leijten is onderzoeker aan de Faculteit Techniek, Bestuur en Management van de Technische Universiteit Delft. Zijn onderzoek richt zich op organisatie en management van complexe infrastructuurprojecten. Hij maakt deel uit van het onderzoekscentrum Sustainable Urban Areas van de TU Delft. Martijn Leijten was in 2004 betrokken bij het onderzoek van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten van de Tweede Kamer en droeg met name bij aan de reconstructie van de besluitvorming over de Zuiderzeelijn. Recente publicaties: Adres: Technische Universiteit Delft, sectie Beleidskunde/Organisatie en Management, Postbus 5015, 2600 GA Delft, e-mail: m.leijten@tbm.tudelft.nl

    This article discusses the changes in the safety policy in the Netherlands over about the last fifteen years. These changes are analysed as reactions to the problems that the police and other criminal justice agencies face and which result from the shift from a modern to a late modern society. Five main changes are distinguished: in the organisational and managerial arrangements of the police; in the relation between the state (police) and other (both public and private) agencies; the rise of extra-judicial instruments and the growing attention for the position of victims; the increasing use of technological instruments for surveillance and crime prevention; and a harsher and more punitive policy. These changes create new fundamental questions for a future safety policy.


Jan Terpstra
Dr.ir. J.B. Terpstra is werkzaam bij het Instituut voor Maatschappelijke Veiligheidsvraagstukken (ipit) van de Universiteit Twente. Hij verricht de laatste jaren vooral onderzoek rond politie, justitie en veiligheidszorg. Terpstra publiceerde eerder ook over onder meer maatschappelijke achterstand, sociale zekerheid en beleidsuitvoering. Recente publicaties hebben onder andere betrekking op samenwerking in de lokale veiligheidszorg, Justitie in de Buurt en sturing van politie en politiewerk. Adres: Instituut voor Maatschappelijke Veiligheidsvraagstukken (ipit), Universiteit Twente, Postbus 217, 7500 AE Enschede, e-mail: j.b.terpstra@utwente.nl

    Although 'integration with retention of "own" culture' has ceased to be the dominant policy principle in Dutch minority policies for quite some time now, there are still remarkably many ethnically specific policy arrangements in the Netherlands. To explain this contradiction this paper introduces an administrative mechanism: the logic of making policy categories conflicts with the logic of policy implementation. The use of 'avoidant categories' – a particular type of policy category discussed in this paper – creates an administrative opportunity structure that unintendedly promotes ethnic fragmentation instead of integration in policy implementation. We illustrate the working of this mechanism in a comparative perspective; the Netherlands is not unique in this respect and experience in other countries is instructive.


Frank de Zwart
Dr. Frank de Zwart is politiek antropoloog/bestuurskundige en verbonden aan het departement Bestuurskunde aan de Universiteit Leiden.

Caelesta Poppelaars
Drs. Caelesta Poppelaars is bestuurskundige. Zij was tot 1 februari 2004 werkzaam als stafmedewerker bij de Tijdelijke Commissie Onderzoek Integratiebeleid van de Tweede Kamer. Vanaf 1 februari 2004 is zij als aio verbonden aan het departement Bestuurskunde aan de Universiteit Leiden.
Toont 381 - 400 van 465 gevonden teksten
1 2 16 17 18 20 22 23 24
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.