Zoekresultaat: 57 artikelen

x
De zoekresultaten worden gefilterd op:
Rubriek Article x
Artikel

Access_open Welke factoren bevorderen of belemmeren het gebruik van beleidsevaluaties?

Resultaten van een studie bij de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, maart 2018
Auteurs Marjolein Bouterse en Valérie Pattyn
SamenvattingAuteursinformatie

    Alhoewel het gebruik van beleidsevaluaties (of het gebrek eraan) een van de meest besproken thema’s is in de evaluatieliteratuur, berust veel onderzoek over het thema enkel op anekdotisch bewijs, en zijn er nauwelijks studies beschikbaar die aandacht hebben voor de samenhang tussen verschillende factoren die impact kunnen hebben op het gebruik. In voorliggend artikel presenteren we de resultaten van een studie waarin we hebben getracht om op een systematische wijze inzicht te bieden in de combinaties van factoren die instrumenteel gebruik van beleidsevaluaties bevorderen of verhinderen. We onderzochten in dit verband alle evaluaties die in de periode 2013-2016 werden uitgevoerd bij de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie. Via Qualitative Comparative Analysis (QCA) bekeken we welke combinaties van de volgende factoren als noodzakelijk en/of voldoende bleken voor evaluatiegebruik: (1) politiek gehalte van het onderwerp, (2) interesse van de beleidsmakers, (3) aanwezigheid van nieuwe kennis in de evaluatie, en (4) de timing van de evaluatie.
    Voor de praktijk van beleidsmakers en evaluatoren benadrukken we het belang van tijdigheid en interesse voor een evaluatie. Onze analyse laat zien dat professionals die op deze factoren inzetten, een gunstig klimaat creëren voor het gebruik van evaluaties. Wat betreft tijdigheid lijkt het van belang de evaluatie te laten sporen met het schrijfwerk van een beleidsafdeling aan nieuw beleid of grote beleidsveranderingen. Goede anticipatie en een sterke institutionalisering van het evaluatieproces zijn hiertoe cruciaal. Of het thema van de evaluatie een sterke politieke gevoeligheid kent, is minder belangrijk. Mits sprake is van de juiste omgevingscondities, kunnen ook dergelijke evaluaties sterk instrumenteel worden benut.


Marjolein Bouterse
Marjolein Bouterse studeerde Political Science and Public Administration (research master) in Leiden. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van haar scriptie. Inmiddels werkt zij als junior beleidsonderzoeker bij Regioplan Beleidsonderzoek.

Valérie Pattyn
Valérie Pattyn is universitair docent aan het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden. Haar voornaamste onderzoeksexpertise situeert zich op het terrein van evidence-informed beleid, de politiek van beleidsevaluatie en beleidsadvisering. Daarnaast voert ze zelf ook geregeld evaluatiestudies uit binnen meerdere beleidsdomeinen.

    In administrative practice as well as in administrative science administrative innovation is a much desired good. In this article the author makes an attempt to describe the good, or the better, that can be pursued with administrative innovation, much sharper than has been done in the past. The result is a substantive framework for qualifying and evaluating administrative innovations. The article arises from a special interaction research, that started with a question from administrative practice (about the leading principles for administrative innovation in the Dutch municipality of Breda) and ended in a confrontation between desiderata from administrative practice on the one hand and foundations from administrative science on the other hand. Finally, these six leading principles emerged out of the investigation: responsiveness, productivity, involvement, counter-pressure, creativity, and good governance. The author also discusses how the resulting framework can be used and understood. The framework is robust because it not only is theoretically (the literature on governance and democratic innovation) inspired and founded, but also recognizable and manageable for administrative practice.


Frank Hendriks
Prof. dr. F. Hendriks is hoogleraar bestuurskunde aan de Tilburgse School voor Politiek en Bestuur van de Universiteit van Tilburg.
Artikel

Greep op het ongrijpbare?

Een onderzoek naar nieuwe vormen van controle en verantwoording in een samenwerkend lokaal bestuur

Tijdschrift Bestuurs­wetenschappen, Aflevering 4 2017
Auteurs Prof. dr. Bas Denters, Dr. Pieter-Jan Klok en Anieke Kranenburg BSc
SamenvattingAuteursinformatie

    In recent years in the Netherlands, a lot of attention has been paid to the question of how municipal councils maintain inter-municipal cooperation, which has also become increasingly important because of decentralizations in the social domain. Other forms of collaborating governance have received much less attention. This article focuses primarily on these, until now, largely underexposed forms of collaborative governance because, apart from inter-municipal cooperation and participation of Dutch municipalities in different organizations based on private law, modern municipalities maintain a variety of cooperative relations with organizations in local society. The municipal board and the mayor often play a key role in the web of these cooperative relations, but what is the role of the municipal council? In what way do municipal councils in the Netherlands institutionally shape control and accountability in (intra-municipal) collaborative governance? The article gives an overview of the rules of the game that are currently being used in Dutch municipalities for the control and accountability of intra-municipal collaborative governance. This inventory may be a point of reference for municipal councils, individual councilors and registrars of the council in their search for new rules of the game for control and accountability for different forms of ‘displaced’ local governance. The aim of this broad inventory is to outline possible interesting and innovative forms of control and accountability; it is not about proven ‘best practices’.


Prof. dr. Bas Denters
Prof. dr. S.A.H. Denters is hoogleraar Bestuurskunde aan de Universiteit Twente, wetenschappelijk directeur van de Nederlandse Onderzoeksschool Bestuurskunde (NOB) en hoofdredacteur van Bestuurswetenschappen.

Dr. Pieter-Jan Klok
Dr. P.J. Klok is universitair docent Beleidsprocessen bij de vakgroep Public Administration van de Universiteit Twente (Faculteit Behavioural, Management and Social Sciences).

Anieke Kranenburg BSc
A. Kranenburg BSc doet de master European Studies (double degree met de Universiteit Münster) en de master Public Administration aan de Universiteit Twente.
Artikel

De demos digitaal bekrachtigd?

Zes e-democracy cases uit binnen- en buitenland

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Ict, Vergelijking / comparison, Innovatie / innovation, Democratie / democracy, Case study
Auteurs Merlijn van Hulst, Colette Cuijpers, Frank Hendriks e.a.
Samenvatting

    E-democracy incorporates digital tools, the internet and social media to enhance democracy. There are many of these tools available to improve governmental responsiveness, transparency, and accountability, but also to support the inclusiveness, representativeness and influence of citizens’ participation. Examples are online petitions, apps for neighborhood watches, wikiplanning and social media monitoring. Web 3.0, which is more interactive and less location specific, enables governments to take a more personalized approach. It also allows for participation across administrative and geographical boundaries. In this symposium two contributions address the question of the influence of e-democracy on the democratization of governmental decision-making, information and service delivery, and of citizens’ participation.


Merlijn van Hulst

Colette Cuijpers

Frank Hendriks

Tamara Metze
Artikel

Particuliere uitbesteding van gemeentelijke handhavingstaken

Wat levert het de lokale overheid op?

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 2 2017
Trefwoorden Municipal law enforcement, Outsourcing, Local government
Auteurs Ronald van Steden, Leon Stougie en Dylan van Veldhoven
Samenvatting

    Various Dutch municipalities hire municipal law enforcement officers from private security companies. This process of outsourcing sometimes meets political resistance, because safety and security are central tasks of government that should not be carried out by commercial parties. At the same time, little is known about the actual pros and cons of private law enforcement officers in relation to their public colleagues. From the literature we expect differences in cost, flexibility, local knowledge, professional autonomy, job satisfaction and cooperation with the police. Our empirical research shows that these differences are smaller than initially assumed. Private law enforcement officers work longer hours under more or less the same working conditions (salary) as public law enforcement officers. Their turnover rate is also higher compared to public law enforcement officers, because of their lower career expectations. Overhead costs, including the costs of outsourcing processes, remain unknown.


Ronald van Steden

Leon Stougie

Dylan van Veldhoven
Artikel

Regiovorming: tussen inhoud en institutionalisering

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 2 2017
Trefwoorden regionalization, regional governance, metropolitan regions of Amsterdam, Rotterdam-The Hague, Eindhoven, institutional differentiation, underlying logics of cooperation
Auteurs Prof. dr. Martijn Groenleer en Dr. Wouter Jan Verheul
Samenvatting

    Societal challenges are increasingly requiring cooperation and solutions on a regional scale. The recently formed metropolitan regions around Amsterdam, Rotterdam-The Hague and Eindhoven are examples. This essay serves as the introduction to a symposium on regionalization and the substantive and institutional questions that regionalization raises. It deals with the growing differences between regions and the call for a differentiated response. It also discusses the drivers for regional cooperation and the constraints of focusing on administrative structures. The essay exposes a number of tensions regarding the external profiling of regions, the benefits of regional cooperation, and the pursuit of broad societal goals. At the same time, it puts forward suggestions for follow-up research.


Prof. dr. Martijn Groenleer

Dr. Wouter Jan Verheul

    Municipal amalgamations form a red thread through the history of local government in the Netherlands. With varying intensity, this country was continuously confronted with adjustments of the municipal scale. Where once the focus was rather one-sided on the minimum number of inhabitants of a municipality, we see that since the nineties questions were asked about the amalgamation policy. From now on a lack of administrative power had to be demonstrated before an amalgamation would be carried through. These critical remarks however didn’t lead to a downfall in the number of municipal amalgamations. Amalgamation and merger will always continue in the Netherlands. The Flemish policy on amalgamation appears to be quite different. Since the large-scale merger operation in 1976 Flanders was no more confronted with municipal amalgamations. The former Flemish government however, announced at its appointment in 2009 that it would encourage voluntary mergers of municipalities with financial and administrative incentives. The present Flemish government treads the same path. The incentives put in place by the former Flemish legislature are even increased. They even appear to bear fruit. In the provinces Limburg and East-Flanders several municipalities have indicated to investigate a merger. Some of them even have taken the principal decision to merger in the municipal councils involved. This article describes and compares the municipal amalgamation policies of the Netherlands and Flanders. The authors also investigate what both can learn from each other.


Prof. dr. Koenraad De Ceuninck
Prof. dr. K. De Ceuninck is politicoloog en hoogleraar bij het Centrum voor Lokale Politiek aan de Universiteit Gent.

Dr. Klaas Abma
Dr. K. Abma is programmamanager bij de gemeente Súdwest-Fryslân (Zuidwest-Friesland). In 2012 promoveerde hij aan de Open Universiteit bij Arno Korsten op een onderzoek naar het beoordelen van gemeenten.
Artikel

Informatieveiligheid: de digitale veerkracht van Nederlandse overheden

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 1 2017
Trefwoorden cybersecurity, information chains, law, accountability
Auteurs Dr. mr. Anne de Hingh en Prof. mr. Arno R. Lodder
Samenvatting

    Cybersecurity is becoming increasingly vulnerable. DDos attacks, phishing e-mails, ransomware, Russian hacker attacks on the head office of a political party are all part of our daily online businesses, for governments too. Governments play various roles here. They are internet users and rely on information on the internet. They are also suppliers of online information and in these roles they are connected to citizens, companies and other governmental organisations. Because of the role they play in society, the government possesses huge quantities of – often sensitive – information. They have the legal and moral obligation to be careful with this information and to secure it properly. Providing adequate security for information, however, is not an easy task for governments, especially because they usually do not operate in isolation. What factors threaten the security of government information and the systems involved? And who is accountable for the security of the information chains that are becoming complex as a consequence of cooperation between organisations?


Dr. mr. Anne de Hingh

Prof. mr. Arno R. Lodder
Artikel

Effectieve regionale netwerken

Een onderzoek naar top-down gestimuleerde netwerken op onderwijs- en arbeidsmarktgebied

Tijdschrift Bestuurs­wetenschappen, Aflevering 1 2017
Auteurs Dr. Esther Klaster
SamenvattingAuteursinformatie

    Regional networks are often used by the central government in the Netherlands as a way of translating national purposes into regional action. At the same time regional networks increasingly arise from the bottom up. In short, it gets busy in the region. This article describes research on regional networks encouraged by the national government to handle complex issues in the domain of education and the labor market. The central question of this article is the way in which stimulating regional cooperation can be used effectively by the central government. Thirteen networks are studied with the help of interviews, questionnaires and data from social networks. The research findings show that in these networks that are encouraged from the top down, there is a tension between achieving short-term results and building cooperative relations, and that a sense of urgency in the region is an important prerequisite for success. This calls for more bottom-up co-determination of the policy agenda and the pace. In addition, there appeared to be a strong overlap between seemingly separate networks, thematically as well as in terms of staffing, which again offers opportunities for creating synergy. The findings call for using these ‘meta networks’ in the formation of networks. Both notions lead to some strategies for the effective use of regional networks.


Dr. Esther Klaster
Dr. E. Klaster is adviseur bij het adviesbureau Common Eye. Daarvoor werkte ze als onderzoeker en adviseur bij B&A. In 2015 promoveerde ze cum laude aan de Universiteit Twente.
Artikel

Van project naar opgave

Samenwerking als motor van de planning van infrastructuur en ruimte

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 4 2016
Trefwoorden planning, cooperation, challenge-oriented approach, infrastructure and spatial development
Auteurs Wim Leendertse, Jos Arts, Tim Busscher e.a.
Samenvatting

    Infrastructure and adjacent areas represent extensive social value. However, infrastructure and areas are still often developed sectoral and independent. In the Netherlands, national spatial policies strive for combining infrastructure and area as one integrated approach as this is expected to result in more spatial quality. Taking this perspective, this article discusses trendy concepts in current Dutch planning, such as: adaptive planning, public and private cooperation and challenge-oriented approaches (‘opgave-gericht werken’ which focuses less on realising a project but more on the current and future issues and challenges in an area). This article argues that these concepts are closely related. Adaptive planning defines the rules of the game and the playing field, within which cooperation may develop. Cooperation is a means for creating spatial quality in interaction within this playing field. After all, generated quality can be considered as a contribution to the specific objectives and interest of the various partners. A challenge-oriented approach is the process for generating spatial quality from synergies in combined infrastructure and spatial development. This article aims to explore the relationships between adaptive planning, public and private cooperation and challenge-oriented approaches and to provide starting points for further research and discussion.


Wim Leendertse

Jos Arts

Tim Busscher

Frits Verhees

    Do energy cooperatives work together with municipalities in the area of energy and, if this is so, how can this cooperative relationship be interpreted from a public administration perspective? That is the central question of this article. The experiences with cooperation of four frontrunners amongst the energy cooperatives show that in many areas a fruitful cooperative relationship has been developed. In other areas cooperation is lacking because the municipality stands aloof as soon as the energy cooperative provides services to citizens and/or companies or because the purchase of green energy by the municipality from their own energy cooperative cannot simply be carried out. In the development of renewable energy projects it also suits municipalities to be reluctant because they not only promote local renewable energy but are also responsible for the spatial quality. From the perspective of public administration it is striking that the variety of municipal roles increases the complexity of cooperative relationship with energy cooperatives. For energy cooperatives it is difficult to understand that the municipality sometimes behaves like an ally, but can also be reluctant. The variety of the bond between both parties is first of all apparent from the need of an own identity and autonomy in the energy cooperatives. Secondly, two of the four energy cooperatives that were analysed needed support in a financial emergency.


Dr. Hans Hufen
Dr. J.A.M. Hufen is senior onderzoeker en adviseur bij Questions, Answers and More (QA+).
Artikel

De slag om duurzaamheid in de polycentrische regio’s Randstad en Rijn-Roergebied

Tijdschrift Bestuurs­wetenschappen, Aflevering 3 2016
Auteurs Simon Goess MSc, Prof. dr. Ellen van Bueren en Prof. dr. Martin de Jong
SamenvattingAuteursinformatie

    In polycentric urban regions one can find different, mutually related cities without a clear centre. In these regions cities cooperate to attract inhabitants and employment, but at the same time they are each other’s competitors. The Randstad (Netherlands) and the Rhine-Ruhr area (Germany) both can be seen as polycentric regions. The authors explore to what extent these regions possess a common identity and common agenda and to what extent this promotes the sustainability and energy transition of these regions. In both regions identity appears to have grown especially at subregional level, by historically developed spatial-economic profiles of the different cities or suburban regions. In addition the cities in these regions more and more wish to distinguish themselves in the area of sustainability. Every city wants to be the smartest, greenest and healthiest, and to be at the forefront in energy transition and climate mitigation. In the Dutch Randstad this competitive drive especially seems to contribute to the realization of sustainability projects at the local level. And that is exactly why regional cooperation is important: to allocate resources as well as possible and to avoid transfer to others. This can be improved by the development of subregional or regional sustainability visions.


Simon Goess MSc
S. Goess MSc is werkzaam aan de Technische Universiteit Delft. Hij deed in Delft een master op het gebied van Sustainable Energy Technology.

Prof. dr. Ellen van Bueren
Prof. dr. E.M. van Bueren is als hoogleraar Urban Development Management verbonden aan de Technische Universiteit Delft.

Prof. dr. Martin de Jong
Prof. dr. W.M. de Jong is werkzaam als Antoni van Leeuwenhoek Research Professor aan de Technische Universiteit Delft en eveneens verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Artikel

De parlementarisatie van Europees economisch beleid

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 2 2016
Trefwoorden European Parliament, politicisation, economic policy, democratic deficit
Auteurs Dr. Adriaan Schout, Jan Marinus Wiersma, Mariana Gomes Neto e.a.
Samenvatting

    Since the euro crisis the EU has seen a deepening of integration with a new framework for economic and budgetary coordination. With the new framework reforms in pension or housing market are coordinated at the European level. This comprehensive set of rules and monitoring mechanisms has revived the debate on Europe’s democratic deficit. This article describes how the European Parliament (EP) tries to fill the democratic void in economic governance. The EP’s formal role is limited, but by using mostly informal mechanisms the EP is setting in motion an incremental process towards further control. This development should be seen in light of a political battle on the interpretation of the new rules, which has accordingly become increasingly politicized. The Dutch have always wanted a European economic policy on the basis of technocracy and rules, but at the same time Europe’s political union draws ever closer.


Dr. Adriaan Schout

Jan Marinus Wiersma

Mariana Gomes Neto

David Bokhorst
Artikel

Probleemanalyse is het halve werk

Samenwerking en innovatie in de strijd tegen ondermijnende criminaliteit

Tijdschrift Bestuurs­wetenschappen, Aflevering 2 2016
Auteurs Maurits Waardenburg BSc, Bas Keijser BSc, Prof. dr. Martijn Groenleer e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    Science and practice are largely agreed on the importance of interorganizational cooperation in the approach of tackling complex societal problems. Organization transcending innovation through this type of cooperation however appears to be complicated. Based on an analysis of the literature about partnerships, the authors distinguish three challenges: coping with the tension between old and new accountability structures, building good working relationships and developing capabilities for problem-oriented working. Starting from these insights they designed action research into problem-oriented partnerships in the safety domain (safety chain). Their main question was: what is the most important obstacle for innovation through problem-oriented interorganizational cooperation? Over a period of nine months, they watched eight teams of professionals from different organizations. Their task was to develop and implement innovative approaches to tackle persistent organized crime. Although all three challenges identified in the literature indeed played a prominent role, problem diagnosis and problem definition appeared to be the main obstacle for the teams. In this article the authors describe the action research and explore, on the basis of the results and the literature, how partnerships could cope in practice with the challenge of problem definition and problem analysis. They conclude the article with suggestions for the design of a follow-up round of the action research.


Maurits Waardenburg BSc
M. Waardenburg MPP is research fellow aan het Ash Center for Democratic Governance and Innovation van de Kennedy School of Government, Harvard University.

Bas Keijser BSc
B. Keijser BSc is bezig met de afronding van zijn master Systems Engineering, Policy Analysis and Management aan de Faculteit Techniek, Bestuur & Management van de Technische Universiteit Delft.

Prof. dr. Martijn Groenleer
Prof. dr. M.L.P. Groenleer is hoogleraar Regional Law and Governance aan Tilburg University en tevens directeur van het Tilburg Center for Regional Law and Governance (TiREG).

Dr. Jorrit de Jong
Dr. J. de Jong is lecturer in Public Policy and Management aan de Harvard Kennedy School en wetenschappelijk directeur van het Government Program bij het Ash Center for Democratic Governance and Innovation van de Kennedy School of Government, Harvard University.

    Een lerende overheid heeft behoefte aan beleidsevaluaties die niet alleen van betekenis zijn voor het onderwerp waarop deze primair gericht zijn, maar ook bijdragen aan bredere, systematische opbouw van kennis en ervaring. Het interdepartementaal verbinden van expertise verruimt daarbij het zicht op factoren die het leren bevorderen of belemmeren.
    Een centrale vraag is of de door het beleid beoogde publieke belangen inderdaad bevorderd worden. Beleidsevaluatie moet dan niet alleen gericht zijn op effectiviteit en doelmatigheid ten aanzien van relatief gemakkelijk meetbare indicatoren, maar ook op lastig te kwantificeren essentiële waarden zoals subjectief welzijn, rechtvaardigheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid. Het verdient aanbeveling kostbare evaluatie-energie te concentreren op belangrijke kwesties waarover vooraf discussie of onzekerheid bestaat.
    Uit een oogpunt van doelmatige beleidsvoorbereiding, en omdat de uitwerking van wetgeving en beleid ex post niet altijd eenvoudig is vast te stellen, is veel aandacht nodig voor ex ante evaluatie. Van onderzoek naar werkingsmechanismen van beleidsmaatregelen wordt in dit verband terecht veel verwacht.
    Er is sprake van een paradoxaal spanningsveld tussen verwetenschappelijking en politisering van beleid. Daarom is stevig verankerde, onafhankelijke en onpartijdige beleidsevaluatie onmisbaar. Hoge methodologische kwaliteit biedt extra houvast om deze functie geloofwaardig te kunnen vervullen.
    In het streven naar systematische opbouw van kennis en ervaring naast dossier-specifieke doelbereiking kan het helpen als evaluaties zowel een specifiek als een breder geldend algemeen deel bevatten. Belangrijk is ook te sturen op een evenwichtige evaluatieportfolio per beleidsterrein, met aandacht voor ex ante en ex post methoden, uiteenlopende waarden, en verschillende informatiebronnen. Naast best practices moet daarbij ook minder geslaagd beleid in beeld worden gebracht. Voor de bruikbaarheid van evaluaties voor de praktijk is goede vertegenwoordiging van het bottom-up perspectief noodzakelijk.
    Evaluatie van beleid vereist gedegen inbedding binnen de nationale kennisinfrastructuur, effectieve samenwerking met kennisinstellingen en het up-to-date houden van het evalueren zelf. Dat is cruciaal voor het evaluatievermogen van de lerende overheid.


André Knottnerus
André Knottnerus is voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en hoogleraar Huisartsgeneeskunde aan de Universiteit Maastricht.
Artikel

Van kaas naar big data

Data science Alkmaar, het living lab van Noord-Holland Noord

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 1 2016
Trefwoorden big data, innovation, data-driven societies, data science, smart cities
Auteurs Dr. Ir. Martijn van Otterlo en Prof. dr. Frans Feldberg
SamenvattingAuteursinformatie

    Big data can be seen as vital fuel for the innovation of diverse processes in both companies and in government policies and practices. In this short article we describe local efforts in the region around the Dutch city of Alkmaar in which the (local) government, (local) companies and a nearby university (Vrije Universiteit Amsterdam) work together on data-related challenges in a typical triple-helix structure. The municipality of Alkmaar gathers activities in a physical location to stimulate interaction and cooperation among (potential) partners, and it engages in the formation of new governance structures to increase both the intensity and the regional spread of the activities around data. All this raises many new and interesting issues and challenges for public administration researchers and practitioners.


Dr. Ir. Martijn van Otterlo
Dr. ir. M. van Otterlo is postdoctoraal onderzoeker aan de Vrije Universiteit van Amsterdam

Prof. dr. Frans Feldberg
Prof. dr. J.F.M. Feldberg is hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam
Artikel

Naar een oplossing voor het afwikkelen van massaclaims op de financiële markten: inzichten uit een responsieve evaluatie

Een reflectie op het toepassen van de methodiek voor responsieve evaluatie op een controversiële en juridisch complexe kwestie

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 4 2015
Trefwoorden Mass claim disputes, financial markets, collective settlement, responsive evaluation, constructivist inquiry
Auteurs Mr. Bonne van Hattum en Dr. Anne Loeber
SamenvattingAuteursinformatie

    The discussion on how to resolve mass disputes stemming from faulty financial products among banks, insurance companies and other stakeholders in the Netherlands ended in deadlock. While diligent action is considered imperative, parties shy away from discussing options for settling damages suffered by consumers for fear of triggering mass claims themselves. To contribute to a new framework for resolving mass disputes, a responsive evaluation was conducted between 2011 and 2015. In such evaluation, the way stakeholders make sense of the situation serves as an organizing principle in knowledge production. This article discusses the methodical challenges implied in adapting the methodological guidelines for such inquiry to fit the ill-structured, controversial and complex legal issue and its highly politicized context. Because of a careful handling of confidentiality in the inquiry and a focused selection of participants on the basis of their proximity to the issue, the evaluation resulted in insight in options for resolving mass disputes that are supported by various parties. Furthermore, the evaluation itself served, it is argued, as a vehicle to overcome the deadlock by sensitizing stakeholders to the fact that they all aspire similar practical objectives and all acknowledge the need for cooperation on the issue.


Mr. Bonne van Hattum
Mr. Bonne van Hattum is als onderzoeker verbonden aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Daarnaast is zij als strategisch beleidsadviseur en jurist werkzaam bij de afdeling Strategie Beleid en Internationale Zaken (SBI) van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

Dr. Anne Loeber
Dr. Anne Loeber is verbonden aan de afdeling Politicologie van de Universiteit van Amsterdam. Haar onderzoek concentreert zich op de relatie tussen kennis en beleid, met in het bijzonder aandacht voor beleidsanalyse en -evaluatie ten aanzien van complexe en controversiële beleidskwesties.
Artikel

Access_open Publiek en privaat: een spannende relatie in de bouw- en infraketen

Reflectie op inrichten, aanbesteden en uitvoeren van DBFM(O)-projecten

Tijdschrift Beleidsonderzoek Online, oktober 2015
Auteurs Frits Verhees, Alfons van Marrewijk, Wim Leendertse e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    De Nederlandse rijksoverheid maakt steeds meer gebruik van DBFM(O)-contracten om grootschalige bouw- en infraprojecten te ontwikkelen en te realiseren (DBFM(O) staat voor Design, Build, Finance, Maintain en eventueel Operate). De organisatie en inrichting van deze contracten en projecten zijn ‘als vanzelfsprekend’ gegroeid en gestandaardiseerd, veelal gebaseerd op de internationale praktijk en buitenlandse voorbeelden. Dit artikel zet uiteen hoe DBFM(O)-projecten georganiseerd en gestructureerd worden door publieke en private partijen. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de resultaten wisselend zijn, maar de potentiële voordelen van DBFM(O) zijn groot. Deze potentie blijkt uit de eerste praktijkervaringen in Nederland, maar we kennen inmiddels ook de eerste negatieve gevolgen voor betrokken risicodragende partijen. We onderscheiden bij DBFM(O) zes ‘conventies’ met onderliggende spanningen waar praktijk en wetenschap, in de Nederlandse verhoudingen, kritisch op zullen moeten reflecteren.


Frits Verhees
Frits Verhees is docent honorair Planologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en tendermanager bij Heijmans.

Alfons van Marrewijk
Alfons van Marrewijk is bijzonder hoogleraar Bedrijfsantropologie, gericht op Publiek-Private Samenwerking, aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Wim Leendertse
Wim Leendertse is universitair hoofddocent Planologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en projectmanager bij Rijkswaterstaat.

Jos Arts
Jos Arts is bijzonder hoogleraar Milieu- en Infrastructuurplanning aan de Rijksuniversiteit Groningen en topadviseur bij Rijkswaterstaat.
Article

Mondiale standaarden of race-to-the-bottom?

Een analyse van regelgevende samenwerking in de onderhandelingen over een Trans-Atlantisch Vrijhandels- en Investeringsakkoord (TTIP)

Tijdschrift Res Publica, Aflevering 3 2015
Trefwoorden trade, European Union, TTIP, regulatory convergence, global standards, race-to-the-bottom
Auteurs Ferdi De Ville en Niels Gheyle
SamenvattingAuteursinformatie

    Since the summer of 2013, the European Union (EU) and the United States (US) are negotiating the Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP). Especially for the EU, this is one of the policy priorities for the present term. TTIP is supposed to bring much-needed growth and jobs and to enable the EU to remain a global standardsetter, all without lowering EU levels of regulatory protection. Opponents of the agreement, however, fear that TTIP would lead to a regulatory race-to-the-bottom. This article scrutinizes these claims through a detailed document analysis complemented with a number of interviews. It is embedded in the political-economic literature on the trade-regulation nexus as well as on exporting standards and secondary literature on past EU-US regulatory cooperation attempts. We argue that the effects of TTIP are dependent on the concrete mode of regulatory convergence chosen in the agreement. If, as seems presently most plausible, the negotiators opt for bilateral mutual recognition as their preferred mode for regulatory convergence, the plausibility that TTIP would lead to global standards is reduced. The risk of running into a regulatory race-to-the-bottom increases in that case, but will ultimately depend on the number of sectors where this mode is applicable and under which conditions this is applied. We conclude that the probability is low that the TTIP agreement being negotiated will lead either to a significant increase in global standards or to a direct large-scale race-to-the-bottom.


Ferdi De Ville
Ferdi De Ville is docent Europese Politiek aan het Centrum voor EU-Studies van de Universiteit Gent. Zijn onderzoeksbelangstelling gaat voornamelijk uit naar Europees handelsbeleid en de politiek-economische gevolgen van de eurocrisis.

Niels Gheyle
Niels Gheyle is als doctoraatsonderzoeker verbonden aan het Centrum voor EU-Studies. Zijn onderzoek richt zich op de politisering van Europees handelsbeleid, met een specifieke focus op het vrijhandelsverdrag tussen de VS en de EU (TTIP).
Artikel

De opkomst van wooncoöperaties in Nederland?

Tijdschrift Bestuurskunde, Aflevering 2 2015
Trefwoorden housing, cooperatives, success factors
Auteurs Dr. Meike Bokhorst en Prof. dr. Jurian Edelenbos
SamenvattingAuteursinformatie

    There is a growing interest for cooperatives in housing. Recently a new housing law was signed that stimulates the rise and creation of citizen cooperatives in this sector. It is argued that in this way people, especially in the low- and middle-income category, get more opportunities to influence their own living situation. Some housing cooperatives have existed for years, but recently we have seen the rise of dozens of cooperatives. The knowledge network Platform31 has initiated an experimental program to facilitate the implementation of cooperatives in housing in the Netherlands. An important condition is that the cooperatives need to develop a strong business case. Cooperation with established housing corporations in the sector is also of vital importance. Moreover, a helping hand from municipalities is needed and some local governments have already developed policies and undertaken actions. Yet there are still bottlenecks in policy and law that needs to be solved. A paradigm shift is needed to make cooperatives in housing feasible.


Dr. Meike Bokhorst
Dr. A.M. (Meike) Bokhorst is senior wetenschappelijk medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Prof. dr. Jurian Edelenbos
Prof. dr. J. Edelenbos is hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij is vooral gespecialiseerd op het vlak van participatie, zelforganisatie, vertrouwen en verbindend leiderschap in de sectoren gebiedsontwikkeling, water en energie.
Toont 21 - 40 van 57 gevonden teksten
« 1 2
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.