Zoekresultaat: 250 artikelen

x
Artikel

Inleiding: Klimaatbestendigheid als ruimtelijke en maatschappelijke opgave

Bouwstenen voor legitieme adaptatiestrategieën

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 1 2010
Auteurs Arwin van Buuren, Peter Driessen en Geert Teisman
SamenvattingAuteursinformatie

    The problem of climate change is high on the various political-administrative agendas, both national and international. At the same time the problem is full of uncertainties and controversies. Adaptation to climate change asks for adjustments in our spatial planning, but can also necessitate changes in the distribution of public and private responsibilities. A crucial question is how the legitimacy of adaptation measures can be organized in a context surrounded with uncertainties, controversies and conflicting interests. In this paper we introduce the central theme of this special issue and the various contributions.


Arwin van Buuren
Dr. M.W. van Buuren is universitair docent bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Correspondentiegegevens: Dr. M.W. van Buuren Erasmus Universiteit Rotterdam Vakgroep Bestuurskunde Postbus 1738, Kamer M8-31 3000 DR Rotterdam vanbuuren@fsw.eur.nl

Peter Driessen
Prof. dr. P.P.J. Driessen is hoogleraar milieuwetenschappen aan de Universiteit Utrecht.

Geert Teisman
Prof. dr. ing. G.R. Teisman is hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam
Artikel

De bekostiging van klimaatadaptatie

Arrangementen voor een legitieme balans van baten en lasten

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 1 2010
Auteurs Peter Driessen en Tejo Spit
SamenvattingAuteursinformatie

    The extent to which the implementation of adaptation strategies is effective is determined by the availability of suitable financial instruments. The Dutch spatial planning system consists of several instruments for financing and implementing spatial development plans. The central question of this article is: which insights from the present financing system could be relevant for an effective and legitimate climate adaptation policy in the near future?


Peter Driessen
Prof. dr. P.P.J. Driessen is als hoogleraar milieuwetenschappen verbonden aan de Faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht. Correspondentiegegevens: Prof. dr. P.P.J. Driessen Departement Innovatie- en Milieuwetenschappen Faculteit Geowetenschappen Universiteit Utrecht Postbus 80115 3508 TC Utrecht p.driessen@geo.uu.nl

Tejo Spit
Prof. dr. T Spit is als hoogleraar planologie verbonden aan de Faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht.
Artikel

Van technocratie naar ‘good governance’

De Europese Commissie in beweging

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 1 2008
Auteurs Anchrit Wille
SamenvattingAuteursinformatie

    Over the past years the European Commission has undergone it most significant changes since its inception. Internal reforms and a long series of treaty revisions have transformed the relationship of commissioners and that of their top officials. This paper describes how the emergence of new rules and recruiting patterns and a change in role interpretations have contributed to a growing demarcation between the political and administrative spheres in the European Commission.


Anchrit Wille
Dr. Anchrit Wille is verbonden aan het Departement Bestuurskunde van de Universiteit Leiden. Correspondentiegegevens: Dr. A.C. Wille Universiteit Leiden Departement Bestuurskunde Postbus 9555 2300 RB Leiden wille@fsw.leidenuniv.nl
Artikel

Slot: Klimaatbestendigheid: tussen ordening en adaptiviteit

Een kritische slotbeschouwing over de legitimiteit van klimaatadaptatie

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 1 2010
Auteurs Arwin van Buuren, Peter Driessen en Geert Teisman
SamenvattingAuteursinformatie

    The problem of climate change is high on the various political-administrative agendas, both national and international. At the same time the problem is full of uncertainties and controversies. Adaptation to climate change asks for adjustments in our spatial planning, but can also necessitate changes in the distribution of public and private responsibilities. A crucial question is how the legitimacy of adaptation measures can be organized in a context surrounded with uncertainties, controversies and conflicting interests. In this paper we introduce the central theme of this special issue and the various contributions.


Arwin van Buuren
Dr. M.W. van Buuren is universitair docent bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Correspondentiegegevens: Dr. M.W. van Buuren Erasmus Universiteit Rotterdam Vakgroep Bestuurskunde Postbus 1738, Kamer M8-31 3000 DR Rotterdam vanbuuren@fsw.eur.nl

Peter Driessen
Dr. M.W. van Buuren is universitair docent bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Prof. dr. P.P.J. Driessen is hoogleraar milieuwetenschappen aan de Universiteit Utrecht.

Geert Teisman
Prof. dr. ing. G.R. Teisman is hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam
Boekbespreking

Boekbespreking

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 1 2007
Auteurs Ank Michels
Auteursinformatie

Ank Michels
De auteur is docent aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap, Universiteit Utrecht, en was lid van de Nationale conventie.
Artikel

Klimaatverandering en waterveiligheid, tussen ernst en enthousiasme

De discursieve framing van bedreigingen en kansen

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 1 2010
Auteurs Arwin van Buuren en Jeroen Warner
SamenvattingAuteursinformatie

Arwin van Buuren
Dr. M.W. van Buuren is universitair docent bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Correspondentiegegevens: Dr. M.W. van Buuren Erasmus Universiteit Rotterdam Vakgroep Bestuurskunde Postbus 1738, Kamer M8-31 3000 DR Rotterdam vanbuuren@fsw.eur.nl

Jeroen Warner
Dr. J. Warner is universitair docent rampenstudies aan de Wageningen Universiteit en senior wetenschappelijk onderzoeker bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

    Climate change forces to a fundamental reconsideration of our strategic policy, and especially of the relationship between policy and law. With regard to political urgent topics, a tendency towards policy instrumentalism always lies in wait. In the current policy practice this problem manifests itself in the application of law (in many detailed norm prescriptions) and – curiously – also in its policy counterpart: the search towards informal but even goal specific policy processes.

    The authors plead for dealing with spatial climate challenges by creating room for a strategic policy perspective and a sustainable approach of the relation between law and policy. A qualitative approach of policy and law necessitates an innovative juridical transformation: the use of general normative rules which give direction to flexible policy processes in multiple, specific policy situations.


Marleen van Rijswick
Prof. mr. H.F.M.W. van Rijswick is hoogleraar Europees en nationaal waterrecht aan de Universiteit Utrecht en verbonden aan het Centrum voor Omgevingsrecht en beleid. Correspondentiegegevens: Prof. mr. H.F.M.W. van Rijswick Universiteit Utrecht Achter Sint Pieter 200 3512 HT Utrecht h.vanrijswick@uu.nl

Willem Salet
Prof. dr. W.G.M. Salet is algemeen hoogleraar planologie aan het Amsterdam Institute for Social Science Research van de Universiteit van Amsterdam.

    Horizontal governance arrangements potentially conflict with the very principles of representative democracy and, likewise, with the existing political institutions. This conflict manifests itself in the interaction between representatives and the executive power: although the former have the formal power, the latter participates in horizontal networks and therefore has the resources that are necessary to form good policy. This erodes the power position of representatives. Frame work setting is commonly suggested as an arrangement for representatives to enhance their grip on policy processes in network-settings. The authors of this contribution examine the effects of frame setting as coupling mechanism between horizontal networks and vertical politics in six policy processes in a Dutch Province. Based on both theory and research findings they redefine the concept of framework setting in order to make it more attuned to the complex, interdependent and dynamic nature of policy-making in networks.


Joop Koppenjan
Joop Koppenjan is bestuurskundige en als universitair hoofddocent verbonden aan de faculteit Techniek, Bestuur en Management van de Technische Universiteit Delft. Hij doet onderzoek naar besluitvorming en sturing in beleidsnetwerken. In 2004 publiceerde hij met Erik-Hans Klijn het boek Managing Uncertainties in Networks, Londen: Routledge. Recente publicatie: 'Conflict en consensus in beleidsnetwerken: teveel of te weinig?', Bestuurswetenschappen, 60/2 (2006): 86-113. Correspondentiegegevens: Technische Universiteit Delft Faculteit TBM Jaffalaan 5 2628 BX Delft 015-2788062 j.f.m.koppenjan@tudelft.nl

Mirjam Kars
Mirjam Kars is universitair docent bij de faculteit Techniek, Bestuur en Management van de Technische Universiteit Delft. Zij doet onderzoek naar governance van nutsectoren, in het bijzonder de telecommunicatiesector. In 2004 promoveerde zij aan de Radboud Universiteit Nijmegen op het proefschrift Globalisation and regional co-operation. The case of European telecommunications. Recente publicatie: 'The governance of cybersecurity: a framework for policy'. Journal of critical infrastructures, 2/4 (2006): 357-378, met M.J.G. van Eeten, J.A. de Bruijn, H.G. van der Voort en J. Till.

Haiko van der Voort
Haiko van der Voort is toegevoegd docent bij de faculteit Techniek, Bestuur en Management van de Technische Universiteit Delft. Zijn onderwijs en onderzoek richt zich op besluitvorming en normen in beleidsnetwerken. Hij bereidt een proefschrift voor over toezicht. Recente publicatie: 'Het verband tussen liberalisering en publieke waarden. Over de vraag waarom het kan vriezen en dooien'. Bestuurswetenschappen, 61/6 (2007), met W.M. Dicke, J.A. de Bruijn, M.L.C. de Bruijne, B.M. Steenhuisen en W.W. Veeneman.
Artikel

De wereld een polder

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 1 2007
Auteurs Willem Trommel, Duco Bannink en Marcel Hoogenboom
Auteursinformatie

Willem Trommel
De auteur is werkzaam aan de Universiteit Twente, faculteit Management en Bestuur, en participanten in het zesde EU kaderprogramma 'WORKS' (work organisation and restructuring in the knowledge society). Correspondentieadres: Universiteit Twente, faculteit MB, Postbus 217, 7500 AE Enschede.

Duco Bannink
De auteur is werkzaam aan de Universiteit Twente, faculteit Management en Bestuur, en participanten in het zesde EU kaderprogramma 'WORKS' (work organisation and restructuring in the knowledge society). Correspondentieadres: Universiteit Twente, faculteit MB, Postbus 217, 7500 AE Enschede.

Marcel Hoogenboom
De auteur is werkzaam aan de Universiteit Twente, faculteit Management en Bestuur, en participanten in het zesde EU kaderprogramma 'WORKS' (work organisation and restructuring in the knowledge society). Correspondentieadres: Universiteit Twente, faculteit MB, Postbus 217, 7500 AE Enschede.
Boekbespreking

Boekbespreking

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 3 2006
Auteurs Martijn van der Meulen

Martijn van der Meulen

    In the Netherlands, new horizontal forms of accountability have in recent years been introduced for executive agencies. These forms of accountability address other stakeholders besides the hierarchical principal. It includes for example demonstrating responsiveness to clients, independent overseers or professional standards. In this article, two related questions are answered. At first the question is posed whether horizontal accountability can be regarded as a substitute for democratic accountability or as complementary to it. The second question is how their introduction fits with traditional (vertical) forms of accountability. The article is based on a qualitative research that was carried out in 2005 and 2006 on nine large Dutch executive agencies. It focuses on two types of horizontal accountability: accountability of agencies to boards and to an independent evaluation committee ('visitation'). The article concludes that horizontal accountability is best regarded as complementary to democratic accountability. Horizontal accountability has added value because it invokes learning processes. In addition, the introduction of horizontal forms of accountability creates a redundant accountability regime for executive agencies in which they account for the same actions to different accountees. Redundancy has the advantages that it mitigates information asymmetry and incorporates the different expectations for agencies.


Thomas Schillemans
Dr. T. Schillemans is universitair docent bestuurskunde aan de Tilburgse School voor Politiek en Bestuur van de Universiteit van Tilburg. Hij promoveerde in 2007 op het proefschrift Verantwoording in de schaduw van de macht: Horizontale verantwoording bij zelfstandige uitvoeringsorganisaties, Den Haag: Uitgeverij LEMMA. Voorts verscheen van zijn hand 'Medialogica. Oorzaken, gevolgen en remedies'. Tijdschrift voor Communicatiewetenschap. 34/2 (2006): 133-143 (met K. van Beek en R. Rouw). Correspondentiegegevens: Universiteit van Tilburg Tilburgse School voor Politiek en Bestuur Postbus 90153 5000 LE Tilburg t.schillemans@uvt.nl

    Demand-steering policies in healthcare are understandable but problematic answers to the desire for democratization that dates from the seventies of the former century. Prominent critics such as Achterhuis and Illich were very critical of the undemocratic character of health care. Yet their romantic idea of society excused them from the need to articulate democratic alternatives. The empty space that they left was filled by the concept of demand-steering. Demand-steering, however, rather than strengthening democratic practices, merely undermines them, by preferring exit above voice, by putting up new bureaucratic barriers between clients and professionals and by undermining the quality of the relationship between clients and professionals.

    Doing more justice to the democratic impulse is possible and desirable. A new step towards this aim is being taken by a fourth logic of steering, (next to the familiar logics of the market, bureaucracy and professionalism) that centers on improving the dialogue between clients and professionals. The one variant, democratic professionalism, starts from the position of the professional and aims at intensifying democratic control, while the other variant, collaboration, starts from the client and aims at providing him with more influence and responsibility for the health care process. This fourth logic however can only provide a new impulse to democratization when the vague notion of the dialogue is elaborated more thoroughly.


Evelien Tonkens
Evelien Tonkens is bijzonder hoogleraar actief burgerschap bij de afdeling sociologie en antropologie van de Universiteit van Amsterdam en opleidingsdirecteur/docent van de masteropleiding social policy and social work in urban areas van de Uva. Correspondentieadres: UvA – afdeling sociologie en antropologie, Oudezijds Achterburgwal 185, 1012 DK Amsterdam, e-mail: e.h.tonkens@uva.nl
Artikel

Vraaggestuurd organiseren

Professioneel management van vraagsturing in publieke dienstverlening

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 3 2006
Auteurs Mirko Noordegraaf
SamenvattingAuteursinformatie

    'Demand-based organising' has become popular throughout public domains, sometimes complementing, sometimes working against 'fact-based' and 'market-based' organising. This raises critical questions, about ways in which 'customer' and client demands are and can be known, and how multiple demands can be aggregated. In addition, it is difficult to link demand-based strategies to public service contexts, full of professional practices. How do public managers cope with such contradictory conditions? How can they organise in demand-based ways, amidst contradictory demands? This article, firstly, explores how demand-based rhetoric and instruments have been introduced. Secondly, it explores how public managers really (can) work in demand-based settings. Thirdly, it explores how demand-based practices can be organised, so that public service contexts can be managed 'professionally'. This leads to a paradoxical conclusion. Professional public managers organise in demand-based ways by not handing-over or 'outsourcing' content to customers and clients, but by substantiating demands themselves.


Mirko Noordegraaf
Dr Mirko Noordegraaf is verbonden aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht.
Casus

De verzorgingsstaat herwogen

Mensen zonder verdienste verdienen een fatsoenlijk leven

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 2 2007
Auteurs Geert de Vries
Auteursinformatie

Geert de Vries
Geert de Vries schreef onder meer Het pedagogisch regiem: groei en grenzen van de geschoolde samenleving (1993), Nederland verandert: Over maatschappelijke ontwikkelingen en sociale problemen in het begin van de eenentwintigste eeuw (2000) en samen met anderen: 'Economie en verzorgingsstaat', In: Sociaal en cultureel rapport 1998: 25 jaar sociale verandering (1998). Hij is verbonden aan de afdeling Sociologie van de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Bob de Graaff
Bob de Graaff is hoogleraar terrorisme en contraterrorisme aan de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden; tevens is hij Socrates-hoogleraar voor politieke en culturele reconstructie aan de Universiteit Utrecht. Correspondentiegegevens: Prof. dr. B.G.J. de Graaff Universiteit Leiden Faculteit der Sociale Wetenschappen Instituut Bestuurskunde Wassenaarseweg 52 2333 AK Leiden bgraaff@fsw.leidenuniv.nl
Artikel

Grip op de post-Euclidische stad?

Oefeningen in de regio Amsterdam

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 2 2006
Auteurs Willem Salet
SamenvattingAuteursinformatie

    Cities are in stage of transformation under the combined effect of enlargement of scale and the enlargement of scope of urban activities. The enlargement of scale is visible in the regionalization of urban development. Housing markets, labor markets and mobility patterns crystallize at regional level. However, the scaling up of urban life is not just an extension of the city as is experienced over more than a century. The simultaneous enlargement of scope makes the transformation more complex and dependant on external connections, both in the private and the public sector. The essay explores concepts that try to explain the nature of this new complexity. What is the meaning of 'urban space' and 'urban place' under the conditions of globalization? And what are the consequences for the guidance of collective action in the context of multi actor and multi level governance? The nature of urban change is illustrated in the case of the Randstad Holland, in particular the region of Amsterdam.


Willem Salet
Willem Salet is hoogleraar planologie aan de Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen. Recente publicatie: W. Salet en Stan Majoor, 2005, Amsterdam Zuidas European Space, Rotterdam: 010 Uitgevers. Adres: AMIDSt, Nieuwe Prinsengracht 130, 1018 VZ Amsterdam, e-mail: W.G.M.Salet@uva.nl
Artikel

Over oude erfenissen en nieuwe ergernissen

Een evaluatie van het rapport 'Een belaste relatie. 25 Jaar Ontwikkelingssamenwerking Nederland – Suriname'

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 2 2006
Auteurs Yvonne Kleistra
SamenvattingAuteursinformatie

    In February 2004, a highly debated research report with the title 'A Burdened Relation. 25 Years Development Aid between the Netherlands and Surinam' was sent to parliament. The study was conducted by a Netherlands scientist and a Surinam senior official (Kruijt and Maks, 2004). Their central aim was to execute a 'quick scan lessons learned evaluation' in order to arrive at a research agenda for a more detailed and profound study of the bilateral development aid relations of the two countries. In spite of this, the Netherlands minister for Development Aid decided in June 2005 to terminate the research project. Main argument she put forward to underpin the decision was that further research would add just about nothing to what already was known, or could be thought relevant for policymaking. The author of this article questions the validity of the argument of the minister. She scrutinizes the threefold research task, the research process and the results of the joint exercise. This demonstrates that the review holds a future scientific research agenda that is both innovative and provocative. Furthermore, she points out that the political ups and downs that accompanied the publication contain some additional practical insights.


Yvonne Kleistra
Dr. Y. Kleistra is werkzaam als inspecteur Vrede en Veiligheid bij de Inspectiedienst Ontwikkelingssamenwerking en Beleid (IOB) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Adres: Ministerie van Buitenlandse Zaken/IOB, Postbus 20061, 2500 EB Den Haag, tel. (070) 348 63 38, e-mail: yvonne.kleistra@minbuza.nl
Artikel

Hoe effectief sturen provincies op de realisering van windenergie?

Een evaluatie van de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 2 2006
Auteurs Marieke van Duyn, Hens Runhaar, Susanne Agterbosch e.a.
SamenvattingAuteursinformatie

    In the Netherlands, an ambitious policy goal of 1,000 MW of wind power capacity by the year 2000 had already been formulated in 1985 and remained the official basis for wind energy policy until 2000. The pace of realisation of wind turbines however did not keep up with this policy objective. An important reason is that it proves difficult to provide enough locations for wind turbines in spatial plans. Over the last 15 years two covenants have been concluded between the Dutch central government and provinces in order to overcome this problem: the 1991-Governmental Agreement on Planning Problems Wind Energy (BPW), and the 2001-Governmental Agreement on the National Development Wind Energy (BLOW). In the BLOW provinces have agreed to work towards the realisation of wind turbines with a total capacity of 1,500 MW in 2010. For this purpose provinces need the co-operation of municipalities, wind power project developers and local communities. Municipalities have a crucial role because of their discretion of detailed allocation of land use in local spatial plans. They are no partners to the covenant however. Provinces can use several governance strategies for mobilising co-operation: from top-down governance in which provinces specify locations to bottom-up approaches in which the initiatives are left to municipalities and project developers. This paper compares both covenants and assesses the effectiveness of different governance strategies employed by three distinct provinces.


Marieke van Duyn
Marieke van Duyn is beleidsmedewerkster bij de Zuid-Hollandse Milieudefensie.

Hens Runhaar
Hens Runhaar is universitair docent Adres: Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling en Innovatie, Universiteit Utrecht Postbus 80115, 3508 TC Utrecht, h.runhaar@geo.uu.nl

Susanne Agterbosch
Susanne Agterbosch is promovendus.

Marco Tieleman
Marco Tieleman is sr. adviseur bij CEA.
Artikel

Hoe verkoop ik een spoorweg?

De lessen van het privatiseringsstreven bij de Betuweroute, HSL-Zuid en Zuiderzeelijn

Tijdschrift Beleid en Maatschappij, Aflevering 3 2005
Auteurs Joop Koppenjan en Martijn Leijten
SamenvattingAuteursinformatie

    In December 2004, the report of the Dutch Parliamentary Investigation Committee on Infrastructural Projects was published. This committee investigated the budgets overruns of two large rail projects currently under construction in the Netherlands: the Betuwe Line and the High Speed Line (HSL)-South. The committee also looked at how mistakes that were made in the earlier projects had been avoided in the construction of the Zuiderzee Line, a project currently under preparation. The report provides a look inside the struggle of the Dutch national government from the beginning of the 1990s in their public-private partnership (PPP) efforts. In this contribution, we provide an analysis of the motives, approach and results of privatisation of these three projects on the bases of the detailed empirical analysis provided by the Committee. We seek explanations of how privatisation with these three projects evolved and what lessons can be drawn. It appears that practices have so far been far from good and instead of committing to the obligation to apply PPP in every large infrastructural project, the government should first find out how PPP in such projects should actually be carried out.


Joop Koppenjan
Joop Koppenjan is bestuurskundige en als universitair hoofddocent verbonden aan de faculteit Technologie, Bestuur en Management van de Technische Universiteit Delft. Hij doet onderzoek naar besluitvorming en sturing in beleidsnetwerken en publiek private samenwerking bij de totstandkoming en het beheer van publieke infrastructuur. In 2004 was hij als staflid betrokken bij de werkzaamheden van de Tijdelijke Commissie Infrastructuur en deed hij onderzoek naar de privatisering van de Betuweroute. Recente publicaties: Adres: Technische Universiteit Delft, sectie Beleidskunde/Organisatie en Management, Postbus 5015, 2600 GA Delft, e-mail: j.f.m.koppenjan@tbm.tudelft. nl

Martijn Leijten
Martijn Leijten is onderzoeker aan de Faculteit Techniek, Bestuur en Management van de Technische Universiteit Delft. Zijn onderzoek richt zich op organisatie en management van complexe infrastructuurprojecten. Hij maakt deel uit van het onderzoekscentrum Sustainable Urban Areas van de TU Delft. Martijn Leijten was in 2004 betrokken bij het onderzoek van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten van de Tweede Kamer en droeg met name bij aan de reconstructie van de besluitvorming over de Zuiderzeelijn. Recente publicaties: Adres: Technische Universiteit Delft, sectie Beleidskunde/Organisatie en Management, Postbus 5015, 2600 GA Delft, e-mail: m.leijten@tbm.tudelft.nl

    It is generally assumed that unsafety is typically urban, as the urban environment offers opportunities for criminality and contains in addition a lot of illegality and marginality. However, empirically grounded understanding of the relation between criminality and the social and physical characteristics of the urban environment is limited. Therefore this contribution explores the (spatial) connection between the social and physical environment and different forms of criminality. In this respect some common assumptions exist, such as the idea that the residential composition of neighbourhoods is strongly related to criminality; especially when residents are poor or immigrants. In addition, anonymous and massive urban environments would ask for criminality due to a lack of social control. Far less often does one point to the relation between criminality and the presence of a visiting population, as in city centres. Our analysis supports this relation: criminality in cities is connected with the opportunities offered in city centres. This insight is important for the organisation of police work.


Sako Musterd
Sako Musterd (1953) is hoogleraar Stadsgeografie aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn onderzoek, dat hoofdzakelijk internationaal vergelijkend is, richt zich op ruimtelijke segregatie en sociale uitsluiting in grote steden in Europa en op actuele stedelijke dynamiek en herstructurering in regionale setting. Recente studies betreffen de evaluatie van theorieën over buurteffecten aan de hand van grootschalig longitudinaal onderzoek in Zweden en Nederland en onderzoek naar de voorwaarden voor de ontwikkeling van op kennis gerichte steden. Musterd is onder andere lid van de redactie van het International Journal of Urban and Regional Research; van Housing Studies; en van Population, Space and Place.

Wim Ostendorf
Wim Ostendorf (1948) is universitair hoofddocent Stadsgeografie aan de afdeling Geografie en Planologie en aan het AME (Amsterdam study centre for the Metropolitan Environment) van de Universiteit van Amsterdam. Hij doceert Stadsgeografie en Methoden en Technieken en begeleidt promotiestudenten. In zijn onderzoek is hij gericht op urbanisatieprocessen en op problemen van grote metropolitane gebieden wat betreft bevolking, segregatie en huisvesting. In zijn recente onderzoek heeft hij zich onder meer bezig gehouden met segregatie en sociale uitsluiting in grote Europese steden (in Europese onderzoeksprojecten als URBEX, Neighbourhood trajectories en RESTATE), met kansarmen en met de betekenis van de sociale samenstelling van de woonbuurt voor het voortduren of versterken van kansarmoede.

Rinus Deurloo
Rinus Deurloo (1942) is universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam, afdeling Geografie en Planologie en coördinator van het GIS-Centrum van de faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen. Hij verricht methodisch-technisch onderzoek op het gebied van verhuis- en woningkeuzegedrag en op het terrein van stadsgeografische toepassingen van Geografische Informatie Systemen (gis). Tevens ontwikkelt hij de Stadsmonitor Amsterdam.
Toont 181 - 200 van 250 gevonden teksten
1 2 5 6 7 8 10 12 13
U kunt door de volledige tekst zoeken naar alle artikelen door uw zoekterm in het zoekveld in te vullen. Als u op de knop 'Zoek' heeft geklikt komt u op de zoekresultatenpagina met filters, die u helpen om snel bij het door u gezochte artikel te komen. Er zijn op dit moment twee filters: rubriek en jaar.